Cor Loeffen deel 1: ik moest doorzitten, een kwelling!

Cor Loeffen deel 1: ik moest doorzitten, een kwelling!

Deurne, springsport en fokkerij, dat zijn de kernwoorden om de meest in het oog springende activiteiten van Cor Loeffen uit Alverna te beschrijven. Een stijlruiter was hij, met paarden die vaak uit het koppelbazen-circuit voor hem gekocht werden. Een directe en consequente instructeur voor wie best veel leerlingen veel respect hadden.  En een kenner van de fokkerij, die geleerd heeft dat argumenten tellen. Zijn verhaal is te lang voor één aflevering, daarom hier deel 1, vooral over lang geleden.

Cor Loeffen groeide op in Alverna, een kerkdorp van Wijchen, in de buurt van Nijmegen tegen het Brabantse aan. Met een gezin met zes kinderen hadden zijn ouders een drukke onderneming zoals dat in de jaren ’50 en ’60 ging: een brandstoffenhandel, een meelhandel en een café. Vader Loeffen werkte met de paarden voor het transport en hij was commandant van de rijvereniging St.-Frans. “Toen ik een jaar of 12 was, gingen we met een tas om de schouder vader helpen om de olie rond te brengen, hij reed de oliewagen met 2000 liter, moesten we een bonnetje uitschrijven en als het effe kon laten betalen. Zo ging dat. Geleidelijk gingen de kolen en olie over naar gas en toen is mijn vader gestopt met die handel, hij begon een manege,” kijkt Cor terug.

Die manege werd de huidige manege St.-Frans. Omdat ook de stucadoorsfamilie Cornelissen een soortgelijk plan had en twee maneges vanuit de gemeente toen niet toegestaan waren, huurde uiteindelijk de familie Loeffen de nieuwgebouwde manege. ”Toen was ik een jaar of 14, ik reed al wel wat landelijk, op een laag niveau, altijd bij de paarden. Oh ja, ik heb één keer met een New Forest in 1968 op de UTV gereden, won ik de rubriek bestgaande rijpony. Ik was zo in trance aan het rondrijden, ze hebben me wel drie keer binnen moeten roepen voordat ik het in de gaten had.”

Met de New Forest pony en de cap van zijn vader

“Vader vond dat ik naar de opleiding in Deurne moest, ik was niet het grootste licht toen. Toen moest je nog een half jaar stage lopen voordat je daar naartoe mocht. Dat heb ik gedaan bij Jan de Haan in Wateringen, een wereldreis. Man, als we toen naar Arnhem gingen, was dat al ver. Nou moest ik van Nijmegen naar Den Haag met de trein. Nooit in de trein gezeten, wat een gezoek! We hadden eerder een paard gekocht bij Jan de Haan, die had toen al verteld dat ik stage mocht lopen. We hebben afgesproken dat als ik er twee maanden zou zijn, hij een attest zou schrijven dat ik er zes maanden was geweest. Zo ging dat. En ik combineerde dat met de handelsavondschool, en als ik dat allemaal zou halen, dan mocht ik naar Deurne.”

“Met hangen en wurgen heb ik het voor elkaar gekregen. In Wateringen zat ik de eerste maanden in een caravan, zoiets had ik nog nooit van binnen gezien, nog nooit! En een prachtige sfeer daar, de Haagse humor, nooit vulgair, even nadenken, en dan snap je ‘m. Instructeur was de heer Van Leeuwen, geruit jasje, pet op. De dames die ’s ochtends kwamen lessen, lagen helemaal in zwijm van die man. Het was een andere klantenkring dan wij gewend waren in Alverna, een ander milieu. Ik ben er uiteindelijk wel acht maanden gebleven. Wij hadden thuis een manege en dan sprong je over een hindernis en dat was het. Daar leerde ik naar een hindernis rijden. Tempo, ritme, passend rijden, daar hadden we nooit van gehoord. Wij waren gewend om viertal te rijden. Op commando. Als mijn vader zei ‘links’, dan dacht er niemand aan rechts.”

Verbeten aan de gang met een Volbloed

De opleiding in Deurne volgde: “Een hele omschakeling voor mij. Met les van Ernest van Loon, die vond dat ik als een cowboy reed. Toen ging je gewoon zitten, slofteugel eraan, die krul, dat was zalig. Achteraf gezien heb ik zoveel paarden zo verkeerd gereden. Bij Van Loon leerde ik voorwaarts neerwaarts rijden, dat was een hele nieuwe wereld. Ik was me niks bewust van enige opleiding, niks! Jan Schreuder, de inmiddels overleden echtgenoot van Marion Schreuder, gaf me dan thuis nog een extra uur dressuurles. Een kwelling, moest ik doorzitten. Al die tips, dat was voor mij abracadabra. De eerste paar keren kwam ik huilend naar huis, dacht ik: ik stop ermee. Mijn moeder troostte me dan, ze had niks met paarden, stond achter de bar. Maar mijn vader wilde dat, en in die tijd: als je vader dat wilde, dan gebeurde dat. Een echte liefhebber, een geweldige paardenman. Hij is overleden toen hij 50 was, mijn moeder toen ze 54 was. Wat dat betreft ben ik er genetisch gezien ver overheen gegaan.”

Cor Loeffen in 1967 met de jonge Doruto Hackje

In de buurt van Nijmegen was het fenomeen koppelbazen in de jaren ’70 een bekend begrip: mensen die in Duitsland Nederlandse bouwvakkers verhuurden als een uitzendbureau. En misschien niet alles meldden bij de Belastingdienst. In elk geval ging het om veel geld, dat gemakkelijk omgezet werd in paarden: “Mijn eerste Z-paard was Flannigan, een Hannoveraanse merrie die we kochten bij Dick van Laar. Die had 1m50 gelopen in Duitsland, ik begon er in het L mee. Het was zo’n groepje mensen die bij ons reden, dan zagen ze ons rijden en zeiden ze: we kopen wel een paard, zoek er maar een uit. Zo ging dat. En wij prakkezeerden van alles om die voor ons lastige paarden toch te kunnen rijden. Een stang mocht niet, maar een D-trens in het midden aan elkaar lassen, och, dat zag niemand. Ik heb heel veel gereden zonder dat ik erover nadacht. Dat hebben denk ik zeker toen heel veel mensen gedaan. Onbewust bekwaam heet dat: dan doe je een paar dingen die er voor de buitenwereld goed uitzien.”

Met Dolanda werd Cor Loeffen NKB-kampioen klasse Z in Wanroy

Het zorgde ervoor dat Cor Loeffen gezien werd als een stijlruiter, met verschillende paarden. En steeds op zoek: “Ik reed toen ’s avonds in Erlecom in de manege, kwamen Francois Mathy en Nelson Pessoa naar een paard kijken van Harrie Wouter van den Oudeweijer. Ik dat paard voorgereden, hij sprong fenomenaal. Komt die koppelbaas, voor wie ik paarden reed, met z’n Porsche langs rijden, zegt ie tegen mij: waar zit je op? Ik uitgelegd dat het een paard van Wouters van de Oudeweijer was. Vroeg ie: is het een goed paard? Ja, geweldig! Roept ie: Wouters, kom eens even hier! Is het een goed paard?  Ja, maar ik ben bezig met mensen. Hij zegt: dat vraag ik niet. Wat heb je voor dat paard gevraagd? Zegt Wouters: 75.000 gulden. Dan is ie nou verkocht, zei hij. Ik snel uit de baan gereden, ik was blij dat ik er weer een goede bij had. Ik heb er Z mee gereden. Nadat ik gestopt was bij die man, is het paard weer naar Harrie Wouters gegaan, hij reed er twee maanden later zo de Grand Prix in Amsterdam mee binnen. Later is ie via Henk Nooren verkocht, het was The Shinto, de Ghill Manor XX x Compliment die de Olympische Spelen heeft gelopen voor Japan.”

Cor Loeffen met Surprise, de Amor-zoon waarmee Rob Ehrens later furore maakte

Langzamerhand kwam ook bij Cor Loeffen het besef dat afstamming wel degelijk een belangrijk aspect is: “Na de periode van de koppelbazen had ik een goede Orthos en toen ben ik met mijn schoonvader naar de fokker gegaan, of hij nog meer te koop had. Hij niet, maar zijn buurman wel, dat was de opa van Henk Dirksen van het stamboek. Een Orthos-merrie, ze zeiden dat ze uit een heel goede moederlijn kwam, drachtig van Maikel. Ik vroeg hem wat dat paard moest kosten maar het was zondag, ik moest maandag maar terugbellen. Het is de moeder van Cavalier geworden, de hengst die Franke Sloothaak zo succesvol gesprongen heeft. Toen bleek ook dat The Shinto uit de Molga-lijn kwam. En deze merrie uit de Sina-stam. Vanaf die dag ben ik bewuster naar merrielijnen gaan kijken. Ik had allerlei paarden gehad uit moederlijnen waar ik nooit enig besef van had gehad. Cavalier heb ik als veulentje verkocht aan Hans Horn. Hij kwam kijken naar een ander paard, maar die koop ging niet door. Ik vertelde over de merrie en toen zei hij: als ze geveulend heeft, moet je me toch even bellen. Ik hem gebeld, twee dagen later was ie er, ik vroeg hem 5000 gulden en toen was ie verkocht. Op de hengstenkeuring heb ik nog 1000 gulden fokkerspremie gebeurd. En ik kreeg een dekking van hem voor niks, dat was wel mooi. Ik heb er best wel een goede relatie aan overgehouden met Hans.”

Cavalier, in de sport San Patrignano Mister, won zeker 40 internationale proeven met Franke Sloothaak

Cor Loeffen maakte Deurne af waar Tjeerd Velstra inmiddels directeur was geworden en ging in 1975 om springpaarden te rijden in dienst bij een van de koppelbazen, op de plek waar nu de sponsor van Bart Bles zit: “Ik had een redelijk oog maar om een goede wedstrijdruiter te zijn, had ik een beter oog moeten hebben. Maar africhten kon ik wel goed. We begonnen toen al met het kopen van 4- of 5-jarige paarden en het opleiden daarvan, dat bleek interessant.” In 1976 stierf zijn vader: “Ik heb toen thuis snel aangegeven dat ik de manege niet over wilde nemen, dat is Rob Cornelissen gaan doen. Ik heb gesolliciteerd naar een baan als instructeur in Deurne en daar ben ik in 1977 begonnen, op m’n 23e. Nico Witte zat in de opleiding, Bert Romp, mensen die het later in de sport goed gedaan hebben. Ivo Campagne was net eerder weg. Ik moest er ook theorie geven, en dat ging me niet zo slecht af.”

 

De laatste diploma-uitreiking in Deurne in 2016

Ad Mulders: laat mij maar wat doen

Ad Mulders: laat mij maar wat doen

Muziek, presenteren en paarden, dat zijn de trefwoorden voor Ad Mulders. En werken met zijn karakteristieke stem, die mensen gehoord hebben zonder dat ze zich dat realiseren, bijvoorbeeld als de stem bij de shows van Hans Kazan of Omroep Brabant. Tegenwoordig is hij ook bestuurslid van de KNHS-regio Noord-Brabant. En maakt hij vanuit zijn bedrijf CSN Media onder andere de web-serie Spoorwegen TV met tot 150.000 kijkers per aflevering en items voor Nieuws.horse TV.

In Berghem bij Oss woont de familie Mulders, met Ad als enige die niet rijdt. De zes paarden thuis worden ingezet door echtgenote Marga, zoon Guus en dochter Anouk. Guus werkt bij de springstal van Koen Leemans in Middelbeers en Anouk volgt een media-opleiding in Arnhem. Marga is ook nadat ze Ad vroeger had leren kennen altijd blijven rijden: “Marga sprong wel maar ging later vooral dressuren, daar vond ik helemaal niks aan. Ik ging wel eens mee maar ik snapte niet waarom dat leuk was. Het was saai, er gebeurde niks, het duurde heel lang. Tot ik het springen zag, dat was leuk: daar gebeurde tenminste iets.”

De familie Mulders ging al snel aan het springen met de pony’s: “Dat was heel erg leuk. Guus en Anouk zijn allebei begonnen met groene pony’s, achteraf bekeken was dat misschien niet zo heel slim. Maar ze zijn met een paar pony’s wel naar het ZZ en Z gegaan. En dan volgt het doorschuiven naar de paarden, met een heel ander sfeertje. Bij de pony’s tref je elkaar elke week, zijn de ouders enorm gedreven. Bij de paarden heb je natuurlijk heel veel ruiters, fokkers en eigenaren die al twintig of dertig jaar in de paarden zitten. In dat wereldje leer je elkaar ook wel snel kennen, tenminste, als je er wat voor doet.”

Guus Mulders in actie

Het moge duidelijk zijn: bij Ad thuis in Maasbommel waar hij opgroeide tot hij een jaar of elf was, hadden ze niks met paarden. Ad vond muziek mooi en met de belofte dat hij piano- en orgelles zou krijgen, volgde de verhuizing naar Oss, aan de andere kant van de Maas: “Ik vond die lessen geweldig, heb er nou nog heel veel plezier van met studiowerk, maar radio en tv was toch het allerleukst, dacht ik. Op m’n twaalfde deed ik de drive-in discotheek bij vriendjes en vriendinnetjes. En op m’n veertiende, toen ik al een redelijk zware stem had voor mijn leeftijd, vroeg een mediabedrijf in Oss me om teksten in te spreken. Voice-over, hé, dat was leuk! Een bedrijf in de buurt leverde een podiumwagen voor de Veronica Zomertruck en Prijzenslag en op een gegeven moment ben ik daar ook terecht gekomen. Toen als regisseur naar Duitsland voor muziekprogramma’s, talkshows, promotieshows, maar ook optredens van UB40 en Tina Turner. Vooraan twintig was ik, geweldig. En toen via Veronique als voice-over met Hans Kazan mee het heel land door.”

Voor het populaire programma Prijzenslag was de jonge Ad Mulders de voice-over. Op de foto rechts achter Hans Kazan.

Het was de tijd dat hij ook Marga uit Beneden-Leeuwen leerde kennen en hij langzamerhand kennis maakte met de paardensport. Hij beschouwde het met de ervaring die hij inmiddels had opgedaan, bijvoorbeeld als de vaste stem van Omroep Brabant: “Omroepers bij wedstrijden vond ik al heel snel klungelig wat betreft inhoud. En de stem van de omroeper? Daar werden ook geen eisen aan gesteld, zo leek het. Ik dacht: dat kan toch niet zo moeilijk zijn. De fout die volgens mij heel veel omroepers blijven maken, is dat ze niet luisteren of ze te horen zijn. Kijk, dat die geluidsinstallatie k is, dat is jammer, maar ik zie te vaak dat mensen een halve dag praten zonder dat ze weten of ze verstaanbaar zijn. Belangrijk bij het omroepen zijn fatsoenlijk, met humor en goed verstaanbaar. Binnen mijn vakgebied weet ik dat het heel vaak beter kan. Omroepers met toontjes, maniertjes, imitaties waardoor je hoort of iemand een presentator speelt, geen eigen stijl of altijd hetzelfde zeggen, verschrikkelijk, tot op het hoogste niveau. En ze scholen zichzelf niet, ontwikkelen zichzelf niet. Het zijn dingen die gemakkelijk verbeterd kunnen worden. Zoals klakkeloos oplezen wat er staat. De sponsors zijn: Jansen autobanden, slagerij Pietersen, etc. Heel aardige mensen hoor, maar asjeblieft, maak er geen standaard-dingetje van.”

Als omroeper in Heeswijk-Dinther

Vanuit de eigen vereniging in Oss begon Ad Mulders zelf met omroepen: “Dan heb ik wel altijd mijn eigen laptop mee met alle geluidjes. Bij 99% van de installaties kan ik het zo aansluiten. En ik zorg zelf voor mijn spullen, zoals mijn eigen plopkap mee. Je weet toch niet hoeveel frikandellen er al in gespuugd zijn? Of mijn microfoon, voor het geval je het weer een keer meemaakt dat het apparaat daar niet deugt. Of mijn eigen monitor zodat ik terughoor wat ik zeg. En ik maak thuis in de studio even een reclameblok-productie waardoor de sponsors fatsoenlijk naar voren komen. Het is belangrijk dat je jezelf blijft. Je moet een beetje aanleg hebben om een goed verhaal te vertellen, veel luisteren en kijken hoe anderen het doen. En inderdaad, het is wel een kunst om interessant te blijven na een paar honderd paarden…..”

Ad verzorgde voor de FEI de regie van de uitzending over het WK enkelspan.

Vanuit de vereniging in Oss kwam Ad in het bestuur van de KNHS-regio Noord-Brabant: “Ik had geen idee waar ik instapte. Mijn eerste indruk: log, en niet snel beslissend, niet doortastend, dingen werden doorgeschoven van de ene naar de andere vergadering. Al snel is het bestuur hervormd. Niet meer de vertegenwoordigers uit de kringen, maar mensen die op een bepaald gebied kennis hadden. En ik doe dan de PR, media, social media, etc. Voorzitter Jacques van der Harst vroeg me erbij toen hij bezig was om de jury-opleidingen te veranderen, samen met Gert-Jan de Reus die de opleidingen-portefeuille heeft. We hebben een pilot gedaan met video’s: vier of vijf combinaties worden gefilmd, die worden gejureerd en vervolgens besproken in kleine groepjes van maximaal 15, gewoon aan een ronde tafel, met een docent als Mattie Boomaerts. We fileren een proef, en voordat we weggaan worden de protocollen ingenomen en vernietigd en worden de beelden gewist. Er gaat niks naar buiten. Vroeger hadden we een hal vol met juryleden, met combinaties die meer of minder goed waren. Nu hebben we aan de tafel software waardoor het heel gemakkelijk is om vooruit en terug te kijken, dat hebben we als regio ontwikkeld. Het idee van Mattie en Jacques is inmiddels ook al door andere regio’s overgenomen.”

Warming-up van het publiek is ook een vak!

Ad Mulders is niet iemand die op z’n gemak hele startlijsten zit te bekijken: “Laat mij maar wat doen. Ik ga graag naar wedstrijden kijken, als Guus en Anouk springen, of met mensen kletsen, maar op een gegeven moment heb ik het wel gezien. Daarom ben ik ook gaan omroepen op de kampioenschappen in Schijndel. Je zit daar de hele dag, vijf weekenden, laat mij maar wat werken.”

Als bestuurslid word je ook steeds meer geconfronteerd met dilemma’s: “Neem de afgelopen kampioenschappen, zo heet als het was. Je hebt met fanatieke ouders en sporters te maken in alle richtingen maar ook met de publieke opinie. Je krijgt dan heel veel commentaar op voorhand: jullie gaan toch zeker niet met dit hete weer, etc. We hebben gekeken wat het hitte-protocol was. Afgelasten kon niet, dan zou iedereen op de achterste benen staan. We hebben ervoor gezorgd dat elk paard maar één keer in actie zou komen. Dat betekent geen barrage maar een twee-fasen, eigenlijk helemaal niet leuk. Op dinsdag hebben we dat samen met de organiserende vereniging moeten besluiten, alles omgezet, nieuw tijdschema, andere jury-indeling. En dan valt het toch weer iets mee. En je hoort mensen zeggen: ja maar bij Hendrix gaat het allemaal gewoon door. Tja. Als je niks doet, ben je helemaal de gebeten hond. Als je wel iets doet, krijg je ook onbegrip. In het kader van dierenwelzijn heeft het toch wel gewerkt. We hebben nu al met de organisatie in Zijtaart besproken hoe we ons voor kunnen bereiden.  En we zijn bezig om te bekijken hoe de kampioenschappen er vanaf 2020 uit gaan zien.”

Met Mark King en Mike Lindup van Level 42

Wat op Brabants niveau speelt, is ook op een ander niveau aan de orde: “De toekomst van de paardensport? Het zal steeds lastiger worden om de groeiende tegenwerking tegen te gaan. In Brussel wordt al flink gelobbyd in verband met dierenwelzijn. We zullen ervoor moeten zorgen dat we de sport zo schoon en netjes mogelijk houden. En zo positief mogelijk in de publiciteit brengen. Die hype nou even met dat Natural Horsemanship vind ik in die zin gevaarlijk. Laat kinderen lekker op de rug van een paard hobbelen, voordat je het weet is ernaast lopen de norm…..”

Klik hier voor meer informatie

 

 

Jos Struys: die jeugd kan dat niet met die protocollen

Jos Struys: die jeugd kan dat niet met die protocollen

Jos Struys loopt per jaar 1.000 kilometer langs dressuurjuryleden om protocollen op te halen. De nationale dressuurknuffelbeer met zijn eigen website depaardenvriend.nl blijft onvermoeibaar zijn vak uitoefenen, ook waar anderen het opgeven. In zijn plat-West-Brabantse dialect vertelt hij over zijn gedrevenheid om zijn onderdeel van de sport perfect te laten verlopen, wat in de loop van de jaren een volle agenda heeft opgeleverd. Hij wordt er zelfs voor gesponsord.

De dressuurwereld heeft Jos Struys in het hart gesloten. Sinds een jaar of dertig is hij degene die ervoor zorgt dat de dressuurprotocollen op tijd bij het wedstrijdsecretariaat zijn zodat ze direct verwerkt kunnen worden: “Dat is dertig jaar geleden begonnen toen Paulien Knol mij vroeg. Kom ons maar helpen, zei ze, dat was in Roosendaal op een landelijk concours, toen stond Den Goubergh er nog niet. Daar ben ik meteen voor geslaagd.”

Jos woont in Schijf, de plaats waar hij 59 jaar geleden ook geboren werd, als jongste in een gezin met drie broers en drie zussen. Thuis hadden ze een kippenboerderij met 30.000 dieren, die door geen van de kinderen is doorgezet. “Ik ben naar de LTS gegaan en daarna ben ik gaan werken bij de gemeente, waar ik nooit weg ben gegaan. Ik doe van alles wat bij de gemeentewerf: koffie schenken, de garages opruimen, de kantine schoonhouden. Ik heb een huurhuis in Schijf waar ik heel weinig ben, vooral om te wassen en te slapen. Tien minuutjes van mijn huis heb ik zelf een groot stuk grond met twee stallen en twee paarden, een Haflinger en een C-pony, dat is mooi. Mijn nichtje heeft een kinderboerderij met schapen en ezels, en zij verzorgt mijn pony’s als ik weer weg ben. Echte verkering heb ik nooit gehad: meiskes zijn wel heel lief maar er is niks van gekomen.”

Het taalgebruik van Jos is wel een dingetje, al relativeert hij dat gemakkelijk, positie ingesteld als hij is: “Ik ben ook maar op een platte boerderij geboren hè. Ik heb een tijd ook wel les gehad. Maar ja, ik ben nou eenmaal een heel vlugge jongen. Als ik het rustig doe, kunnen mensen me wel verstaan. Mijn sponsor zei: Joske, gij kunt heel goed praten, als je maar rustig blijft. Dat is Kingsley: die sponsoren mij: met mijn naam Jos Struys erop, een bodywarmer, jas, schoenen die ik gekregen heb met de hengstenkeuring en die heel lekker lopen. Op de hengstenkeuring zei hij: Joske, ik ben morgen ook hier, maar als ze jou niet goed verzorgen, dan pak ik hier alles in.”

In de loop van de jaren is er steeds vaker een beroep op Jos Struys gedaan in heel Nederland en ook in België. “Mensen zeiden: Jos, we moeten jou ook hebben, jij doet veel goeds. Al een jaar of twintig doe ik Jumping Amsterdam, en later ook CHIO Rotterdam. Op die wedstrijden is alles geregeld. Als ik aankom, meld ik me bij het wedstrijdsecretariaat. Dan komt iedereen weer om mijn nek gevlogen van blijdschap dat ik er weer ben, mensen als Joyce Lebon of Annemieke van der Vorm. En dan ga ik eerst koffiedrinken, en buurten bij de mensen die er met een kraamke staan. En tijdens de wedstrijd zit ik op mijn stoeltje en haal ik op tijd de protocollen op. Bij de grote wedstrijden wel van 8 uur ’s ochtends tot een uur of 12 ’s nachts. Op zo’n dag loop ik wel 30 kilometer, normaal is een kilometer of 20. Als ik ’s avonds thuis kom, schrijf ik op in een boekje wat op mijn stappenteller staat. Zo kom ik aan 1000 kilometer per jaar om te lopen.”

Anekdotes heeft Jos genoeg, al zijn die niet meteen op te schrijven omdat ze gaan over de bekende namen in de sport. Want Jos houdt zijn ogen en oren wel open en hij slaat veel op, ook omdat hij langzamerhand op veel plaatsen is geweest. “Rob van Nassau de hoefsmid is een goede bekende van me, maar ook Sjef Janssen, al meer dan dertig jaar, uit de tijd dat hij vaker in West-Brabant kwam. Sommige ruiters help ik ook wel een beetje. Kijk ik onderweg stiekem naar de puntjes, zie ik of ze het goed gedaan hebben. Dan vragen ze stiekem: hoe was het Jos? En dan zeg ik alleen: goed gedaan. In België doe ik concoursen als Lier en Meerdonk. Daar vroeg Mattie Boomaerts me, hij zei: die jeugd kan dat niet met die protocollen. Want Ik ben de snelste, heel snel hè, de rapste. Buitenlandse jury’s zijn soms weleens een keer traag, komt omdat ze niet goed weten hoe het werkt.”

Vakantie vieren kent Jos Struys niet, hij beschouwt de meerdaagse concoursen als een prachtig uitje: “Exloo, dat is het verste waar ik geweest ben. Met de trein van Roosendaal naar Emmen, en dan komt een heel grote chique auto met twee vrouwen me ophalen. Na de proeven word ik naar het hotel gebracht, da’s toch mooi? Op de grote wedstrijden slaap ik in de prachtigste hotels, dat is voor mij vakantie. Maar het is ook weleens anders, op landelijke wedstrijden. Met veel ringen buiten, zoals bij de Brabantse kampioenschappen in Zijtaart of Chaam. Ik had zes of zeven kinderen bij me: die waren ineens verdwenen, ze vonden het te warm. Heb ik het alleen gedaan, was zo gebeurd. Je moet gewoon het werk doen. En als je het goed doet, zijn de mensen er blij mee. Op zo’n wedstrijd heb ik het ook weleens meegemaakt dat een vrouwke de protocollen had ingevuld en per ongeluk achter de bank in de auto had neergelegd. Per ongeluk. Dat zal wel hè. Ik moest stiekem lachen toen ze van de hoofdjury op d’r donder kreeg.”

“De dressuurwereld vind ik heel gezellig, met de mensen en hun paarden. Maar de meeste tijd ben ik met mijn werk bezig. En ik zeg ook weleens ergens iets van. Ik heb het meegemaakt dat een Z-amazone zo kwaad was na de proef, ze had slecht gereden. Vraagt ze aan mij: zin in barbecue? Want daar gaat deze vanavond op. Toen ben ik kwaad geworden. Dat ligt aan jou, niet aan het paard, heb ik gezegd. In de tweede proef was ze tweede, ze was zo blij dat ik dat gezegd had! Zo kom je van alles tegen.”

Omdat Jos heel veel mensen kent, is hij ook een gevierd lid van rijvereniging The Country Rider in Oudenbosch: “Al 30 jaar. Vroeger was het een vereniging met 130 leden, nou zijn er volgens mij nog een stuk of 30. In de vergadering zei de voorzitter: we hebben een heel beroemde man in de club, da’s Joske. We willen voor clincis en zo allemaal dressuurruiters hebben, maar ze komen niet. Joske, zou jij dat willen vragen? Is voor mij geen probleem, amazones als Danielle Heijkoop of Joyce Heuitink, dat regel ik wel.”

Jos besteedt heel veel tijd aan zijn dressuurhobby maar hij vindt ook muziek prachtig: “Ja, ik zit tegenwoordig in het muziekwereldje, vroeger heb ik geholpen bij drive-inn shows, toen was dat bij de TROS. Zo’n vijftien jaar geleden ben ik iemand tegengekomen, die kende me nog van  die tijd. Hij was een eigen bedrijf begonnen: het muziekmuseum in Hoek van Holland. Dan ga ik daar naar toe, bietje buurten, hij doet heel Nederland, gaat ook op tour met Johan Derksen, spulletjes verkopen. Mocht ik op de foto met Johan Derksen, dat was mooi. En soms krijg ik een tip: kom je even naar de show kijken in Etten-Leur?”

Terug naar de dressuur: “Schrijven op papier is beter dan op computers, daar worden fouten mee gemaakt. Alle mensen zeggen: wij moeten Joske aan het lopen houden, dat is een lief manneke die heel goed met het publiek omgaat. Ik zie heel goed of iemand goed kan rijden, misschien moet ik zelf toch een keer een paard kopen. Ik heb vroeger alleen thuis wat gereden. En toen al een keer les gehad van Rob Ehrens bij De IJzeren Man. Heb ik gevraagd en hij deed dat. En Joyce Heuitink heeft gezegd: als jij een paard koopt, ga ik jou lesgeven. Mensen hebben me weleens gevraagd: goh Jos, als jij het niet zou doen, wie dan? Tja, dat is een groot probleem…..”

Jolanda Brugman: goed aangereden pony’s zijn niet aan te slepen

Jolanda Brugman: goed aangereden pony’s zijn niet aan te slepen

Ze was al vroeg bezeten van pony’s en paarden en worstelde zich een weg door het leven om met paarden te kunnen werken. Toch heeft Jolanda Brugman een job buiten de paardenwereld. Met partner Herman Reilink runt ze daarnaast de hengstenhouderij in Raalte en heeft ze als relatieve buitenstaander een eigen kijk op de fokkerij gekregen: “Er zijn steeds minder mensen die investeren in het opbouwen van een stam, het gaat te snel over verkoop.”

Jolanda Brugman raakte betrokken bij de traditionele hengstenhouderij van de familie Reilink vanuit de ‘koude kant’: “En dan net in een tijd met allerlei veranderingen in de hengstenhouderij. Kom je daar aan als iemand die vooruitstrevend is, in een bedrijf dat gerund wordt door vader en zoon. Herman was heel erg voor verandering, maar zijn vader vond dat moeilijk. Je moest ineens aan allerlei regels voldoen, wat een onzin. KI was niks. Vader heeft zich langzamerhand eruit teruggetrokken, dat was beter. Ik ben erin gerold, mee gaan helpen in het bedrijf. Een cursus paarden-KI gaan doen, mee met hengsten naar klanten toe, een stuk of acht per dag wel. Vooral met de hengst Epilot is de verandering bij ons gekomen: we hadden zoveel klanten per dag te bedienen, dat kon helemaal niet meer natuurlijk. Maar die ouderwetse service-instelling is gebleven: toen we overgingen op KI, hebben we besloten om zelf zoveel mogelijk bij klanten aan huis te insemineren.”

Jolanda kwam in het midden van de jaren ’70 als 4-jarig meisje al in aanraking met paarden: “Thuis hadden we totaal niks met paarden. Mijn moeder vond paarden wel leuk, zoals heel veel mensen dat vinden. En onze buurvrouw had een paard. Ging ik kijken als de rijvereniging les kreeg van Roelie Bril. Om te kijken, om te leren, en dan maar hopen dat ik een paard mocht afstappen van iemand in de les. Op m’n 12e kreeg ik eindelijk les, in manege Voorst. Zitles van Wilma van Es: blijf eens van die teugels af, voorwaarts drijven, dan gaat ie vanzelf neerwaarts, dat soort werk. Als 12–jarige keek ik enorm op tegen de mensen die zo goed waren. Als Jos van de Wal lesgaf aan Wilma van Es, zat ik langs de kant als een spons alles op te nemen. Of als de vrijdagavond-cognac-club les kreeg van dat kleine vrouwtje dat les had gegeven aan de Spaanse rijschool. Dan moest je wel heel goed zijn. In elk geval zeer gedisciplineerd, dat zag je terug. Mijn moeder ging werken in de manege, daardoor kon ik rijden. Daar ben ik haar eeuwig dankbaar voor.”

De fokmerries van hengstenhouderij Reilink

Naast de school volgde al snel een periode bij Janet Steinvoorte, van oorsprong Engels, die een ponyclub had in Klarenbeek: “Ze vroeg of ik bij haar kwam rijden. Ik was 13, een klein opdondertje, ideaal om de pony’s zadelmak te maken, ook de A-welshjes. En dan mee naar de keuringen, rubrieken bestgaande rijpony rijden. Rondeel’s Careless, Rondeel’s Profelia, dat soort namen. Maar op een gegeven moment word je toch te groot daarvoor. Ik ben wedstrijden gaan rijden op een New Forest-pony van Janet, die was wat lastig, daar moest ik maar op. Ik had altijd gelezen dat ook een pony zijn eigen hoogte kon springen. De pony was 1m43, dus vond ik dat ie ook 1m40 kon springen. Ik denk: dat wil ik weten, eigenlijk geloofde ik het niet. En als je jong bent, durf je dat ook. Uiteindelijk mocht ik met die pony Z starten.”

Het was een periode waarin het niet aan kwam waaien: “Toen ik in Klarenbeek bij Janet reed, fietste ik in de weekenden en vrije dagen elke dag 30 kilometer heen en 30 kilometer terug om pony te kunnen rijden. En dan 16 stallen uitmesten, 14 paarden en pony’s rijden. Maar ja, mevrouw Steinvoorte betaalde ook alles voor me: wedstrijden, vervoer en zo. Daarom heb ik nou nog een broertje dood aan van die meisjes die nog geen 10 minuten willen fietsen om paard te rijden, terwijl ze zeggen dat ze het zooo graag willen. Op m’n 16e ben ik gestopt met paardrijden. Thuis ging het niet zo lekker en ik ben uit huis gegaan. Ik heb de MEAO bestuurlijk gedaan en ben in de administratie begonnen bij Stegeman. Op een gegeven moment begon het toch weer te kriebelen.”

Met Herman op een van de vele keuringen

Jolanda ging weer terug naar manege Voorst: “ik ben er weer gaan kijken, kijken of Wilma daar nog lesgaf. Omdat zij dat naar mijn gevoel zo goed deed. En ik ben weer gaan lessen, op een heel grote vosmerrie, staatsgevaarlijk volgens iedereen, een lastpak, een pismerrie. Ken je zo’n badmeesterhaak? Daar haalden ze ‘m mee uit de stal. Iedereen vond dat ie weg moest. Maar zo voelde het niet.  Ik heb de slachtprijs geboden, en toen had ik haar. Ze had eerder een veulen gehad van Columbus, dat heeft Kees van den Oetelaar nog gekocht. Ik heb haar twee jaar gehad en met dat paard ben ik samengesteld gaan rijden. Vroeger vond ik het maar dierenbeulerij. De eerste keer dat ik in Boekelo was, brak een paard zijn nek, dat vond ik zo zielig. Totdat je het zelf doet, en het paard het ook leuk vindt. Ik vind het nou helemaal geweldig.”

Na een paardloze periode moest er toch weer een komen: “Kom ik daar met een vriendin bij die handelaar, kocht ik een paard dat alles had wat ik niet wou: merrie, vos, niet zadelmak, groot. Ze was 6 jaar en had alleen voor de kar gelopen. In de tussentijd had ik Herman Reilink leren kennen, en die vond dat ik de merrie moest laten dekken. Ik had Epilot al gezien onder Jos Lansink en Franke Sloothaak, hoe mooi is het dan om een veulen van Epilot te fokken. En dan heb je een veulen en je staat bij Reilink op stal. Dan rol je er vanzelf in. Epilot hebben we in moeten laten slapen. We kochten voor veel geld Jimtown maar niet lang daarna kregen we het advies om de hengst terug te trekken. We hebben hem verkocht naar Letland, en daar krijgt hij wel KWPN-licenties. Een beetje zuur is dat, maar zo is het wereldje. Ik ben altijd buiten de hengstenhouderij bij een bedrijf blijven werken, in onze kleine hengstenhouderij zaten gewoon onvoldoende inkomsten. Maar daardoor kijk je wel anders tegen ontwikkelingen aan. We hadden 60 merries, dat was belachelijk, veel te veel. Nou hebben we vier fokmerries, een New Forest-merrie en wat jong spul. De hele opzet hebben we wat economischer gemaakt. In de paardensector vergeten heel veel mensen te rekenen.”

Afgelopen oktober: Jolanda in de oefencross

“Het tweede jaar dat Hamlet bij ons op stal stond, werd Hickstead wereldkampioen bij de jonge paarden. Kijk dat maakt wel een verschil. Hetzelfde gebeurde met Epilot: NoTime met Peter Geerink en Nashville met Carolein Lankester werden eerste en tweede in Lanaken. Ik heb altijd gedacht dat dat wel herkend en erkend zou worden maar we hebben echt moeten vechten om aandacht voor die prestaties. Dat was ook zo voor Marlon, de Zeus x Ramiro, een hengst met prachtig veel sport in de merrielijn. Plus dat het een Zeus was: Duitsland had er een, Frankrijk had er een, en wij hadden Marlon. De laatste jaren wordt er toch steeds meer gedekt met hengsten die zelf op het hoogste niveau lopen. Wij geloven in elk geval in Marlon, een hengst hoeft zelf geen 1.60m te hebben gesprongen om 1.60m paarden te geven. En dat doet Marlon. We hebben er ook flink veel van ingevroren. Hij staat er nog steeds, en we fokken er zelf ook mee, met een Highline-merrie en een Hamlet-merrie.”

“En als we het daarover hebben: een kennis van me vond dat haar merrie meer bloed kon gebruiken, ze had op een show een mooie volbloed gezien. Dan denk ik: daar gaan we weer. Ik zie echt een ontwikkeling dat mensen steeds minder kennis hebben van een paard, ook van hun eigen paard. Ze zouden niet alleen moeten kijken of een hengst goed is, ze zouden moeten kijken of de hengst kan verbeteren. De fokkerij gaat in het algemeen steeds meer de kant op van de verkoop, niet om een stam te fokken. Natuurlijk, die fokkers zijn er nog wel, maar dat wordt steeds minder. Er wordt gefokt voor de veiling, en dan moet ie als jong paard goed kunnen springen. Maar we raken zo de stammen kwijt, ik ken weinig mensen die echt merriestammen willen doorontwikkelen. Niet dat we geen goede hengsten hebben, absoluut niet. En we hebben ook heel goede merries. Maar we willen vooral verkopen, daardoor weten we van te veel merries niet meer hoe ze fokken, we raken informatie kwijt. En het is noodzakelijk dat we een goed sportpaard blijven fokken. Vroeger had de hengstenhouder daar een rol in, die besprak dat met de fokker. Nu gaat ’s ochtends de telefoon: we willen sperma bestellen, en dan wordt het verstuurd. Daarom nodigen wij mensen uit om de hengst te komen bekijken bij ons. En we adviseren gerust een hengst van een andere hengstenhouder, geen probleem. Maar de trend is dat we naar de tv kijken, we zien een hengst springen en we willen daar een veulen van. Maar dat wil niet zeggen dat die hengst op die merrie past.”

De hengst Sirius moet goed op de foto

Jolanda Brugman is opgegroeid met pony’s en dat is bij hengstenhouderij Reilink ook een belangrijke tak: “Onze ponyhengsten hebben lang op natuurlijke dekking gestaan maar uiteindelijk zijn we ook met de pony’s overgestapt op KI. Ook met onze toppers als Carlo en Lex, die de afgelopen jaren best meer hadden kunnen doen. In het algemeen dekken de New Forest-pony’s de laatste jaren heel weinig. Nu krijgen we weer meer aanvragen, met name uit Frankrijk. Waar ik me zorgen over maak is dat we een schrikbarend tekort aan goede sportpony’s krijgen, dat wordt alleen maar erger. Het is een relatief klein groepje dat nog pony’s fokt. De sport wil graag een goede, brave, goed aangereden driejarige of vierjarige pony, die zijn niet aan te slepen. Ze gaan allemaal voor veel geld weg, maar er is niet aan te komen. Daarom verwacht ik wel dat de fokkerij weer gaat aantrekken.”

Inmiddels was het alweer zes jaar geleden dat Jolanda zelf gereden had: “Sinds een half jaar heb ik het weer opgepakt. Komen die zitlessen van Wilma van Es weer heel mooi van pas! We zijn te druk en we hebben de fokmerries thuis. Wij moeten het zelf doen hè. Een eigen hengstenshow houden we niet. We zijn wel goed aanwezig op de show van Erik Braat, collega-hengstenhouder uit Wenum-Wiesel. Daar laten we Lex zien, Marlon. En we zijn erg blij met de nieuwe AES-hengsten Icarius, de Olivi x Neostan, en Gabri, de Gentleman x Darius, de kampioen dressuur van de hengstenkeuring.”

Hanneke van de Goor: ‘Hij had een dochter die eigenwijs was….’

Hanneke van de Goor: ‘Hij had een dochter die eigenwijs was….’

Bloedje fanatiek, zeer uitgesproken en met een energieniveau om jaloers op te worden, dat is de 39-jarige Hanneke van de Goor uit Herpen. Volop in de paarden maar op een heel andere manier dan ze zich had voorgesteld. Nationaal dressuur maar nooit meer rijden, bijna prof-voetballer, op TV met Boer zoekt vrouw en inmiddels ervan overtuigd dat ‘geld is macht’, haar vroegere adagium, maar heel betrekkelijk is: ”Als je gezond bent, ben je rijk, dat had ik nooit zo begrepen, tot ik zelf het eind van de tunnel had gezien.”

De naam Van de Goor uit Herpen is onlosmakelijk verbonden aan een aantal top-hengsten. Ferro, Ekstein, Rousseau, Rhodium en Metall, het zijn hengsten die veel mensen direct associëren met de combinatie Lamers en Van de Goor: Jan Lamers uit Oss en Adriaan van de Goor uit Herpen. Hanneke groeide dan ook op tussen de paarden: “Ik ben er tussen geboren, zeg maar, op de boerderij van mijn ouders. Toen waren dat voornamelijk varkens en koeien en een aantal paarden, een soort van gemengd bedrijf. Ik was de jongste, na een oudere broer. Ik was al vrij snel geïnteresseerd in het buitenleven: altijd op stal, buiten bezig, aan het ravotten met de jongens in de buurt. Eigenlijk ben ik opgegroeid met allemaal jongens om me heen. Bezig met voetbal en andere jongensdingen. En mijn vader hoopte maar dat ik ging paardrijden.”

Vader Adriaan zag het helemaal voor zich en kocht ook een pony voor zijn dochter: “Maar ik wilde daar niks van weten. Voetbal was mijn sport. Of ik dat goed deed? Man, ik stak er zelfs met kop en schouders bovenuit! Van m’n 6e tot mijn 19e, altijd in Herpen bij Herpinia, fanatiek! Tot het moment dat het echt serieus begon te worden. Ik zat in het traject van de Nederlandse selectie. Moest ik in Baarle-Nassau gaan trainen, dat werd allemaal veel te veel. Normaal sloten we de training af in de kantine met een pilsje en een sigaretje, dat kon toen nog. Maar bij de selectie ging die vlieger natuurlijk niet meer op! Vrouwenvoetbal was toen in Nederland bijzaak. Tegenwoordig is het wel een sport met wat aanzien maar daar was toen nog geen sprake van.”

Holle bolle Gijs, de variant op geld is macht

Natuurlijk bleef de ponysport op de achtergrond aanwezig: “Ja, maar ik keek er niet naar om, was altijd achter de bal aan het rennen. Ik heb wel pony’s gehad, maar ons pap verkocht af en toe de pony maar omdat ik er te weinig naar om keek. Op een gegeven moment is ie daarmee gestopt: hij zag wel dat dat niet ging gebeuren. Tja, als ik iets niet wil, dan gebeurt dat ook niet. Tot ik een jaar of 15 was, ging ik met vriendinnen mee naar de manege. Ik moest en zou meedoen, en na een hoop gezeur kreeg ik een 10-rittenkaart om bij Quirinus Kamp op de manege in Schaijk te kunnen rijden. Toen begon toch weer de liefde voor paarden op te komen. En daarna heb ik natuurlijk een paar keer gezeurd dat ik ook een pony wilde. Maar ons pap had er eerder al een paar gekocht, hij wilde het nou wel zeker weten: ik kreeg weer een 10 rittenkaart. Met tegenzin heb ik die lessen afgemaakt, eigenlijk alleen omdat er dan een pony zou komen.”

“Mijn vader zou mijn vader niet zijn als ie niet een heel goeie pony kocht, een Zalmeco x Arms Park, te klein gebleven, een E-pony. Met een heel mooi front, mooi over de benen, een jaar of 8 geloof ik. Ik ben ermee in de B begonnen en in een jaar tijd liep ie Z. Les kreeg ik van Natasja van Linden uit Maren-Kessel. En natuurlijk bij de ponyclub in Herpen. Die ponycarrière van mij ging als een trein. Door de pony maar ook door mijn karakter: ik was héél fanatiek de beste willen zijn. En ik weet het goed: mensen waren ook jaloers, hadden het over ‘dat verwende kind’ van Van de Goor. Ik had er echter veel voor over. Ik reed de pony, zat op school op de havo, deed ook vakkenvullen hier in het dorp als ik uit school kwam, kwam ’s avonds laat thuis, en dan nog de pony rijden, graag of niet. We hadden nog geen binnenbak, dus heel vaak was het aanmodderen. Maar dat zagen de mensen niet die me op zondag met een oranje strik zagen rondlopen.”

Met de Metall x Vincent

De overstap naar de paarden volgde: “Ik dacht dat ik wel goed en stoer genoeg was, de HAVO was afgerond, ik wilde in de paarden gaan. Mijn vader vond dat geen goed idee: dat kon altijd nog, ik moest eerst een studie gaan doen. Ik naar Den Bosch naar de PABO, dan maar lerares worden. Ik had niet het gevoel dat ik daar iets mee zou gaan doen maar dan had ons pap zijn zin. We hebben toen een beetje een compromis gemaakt: ik de studie en dan mocht ik daarnaast werken in de paarden. Hij zocht een adres waar ik echt zou ervaren hoe het was in de paardenwereld. Hij belde Nicolette van Lierop in Someren, daar stonden onze hengsten Rousseau en Rhodium: hij had een dochter die eigenwijs was, ze hoefde haar niet te sparen. De dag dat ik vrij van school was, kon ik naar Nicolette, om half 8 beginnen en dan tot 5 uur. Mijn vader had gezegd dat ik daar niks voor hoefde te krijgen, alleen een wijze les. Kwam ik daar met mijn autootje in alle vroegte, meteen aan het werk. Mocht ik de kruiwagens mest naar de mesthoop kruien, tot een uur of half 12, continu kruien, non-stop. En dan ’s middags toch het mooiere werk: binnen en buiten zetten, voeren, op – en afzadelen. Ik weet nog wel dat Nicolette toen een heel stel mooie leren hoofdstellen had, die kostten toen 75 gulden. Stiekem heb ik gehoopt dat ik er wel een zou krijgen voor al mijn werk maar ik heb het tot de laatste cent betaald. Achteraf gezien was dat heel goed, het was ook de doelstelling van mijn pro deo-werk: niks voor niks, zo zit de paardenwereld in elkaar. Ik had de PABO in ruim drie jaar klaar en ik ben in het onderwijs begonnen. Daarnaast ben ik blijven rijden, maar de droom om echt in de paarden te duiken: daar was ik iets van terug gekomen.”

Met de Duitse Rebecca Goodman, die de hengst Grey Flanell (Gribaldi x Clavecimbel) op de veiling in Oldenburg kocht

Hanneke reed voor thuis wat paarden: “Kocht ons pap een merrie met een goed papier, reed ik die naar het Z. Op een gegeven moment was ik het een beetje beu: mocht ik eigenlijk met een hoedje rijden, werd ie weer verkocht of werd ze gedekt, viel de droom weer in duigen. Een jaar of 22 was ik. Via via kwam ik toen op een adres waar ze een Métall x Vincent hadden, een hengst, en ze vroegen hem écht héél veel geld. Ik was er gek van, ik moest hem hebben. Ons pap zei: kind doe dat toch niet. Maar daarom moest ik hem dus zeker hebben. Al mijn spaarcenten gingen op aan dat ene paard. Dat kon, want ik deed van alles om aan geld te komen. Prei zetten bij een tuinder, vakkenvullen, in bloemenkassen helpen, afwassen in de horeca, van alles. Geld is macht, dacht ik, dat vond ik heel belangrijk. En al vrij snel ging het hogerop, reed ik ZZ-licht. En toen kwam de juiste klant voorbij. Geld bleef toch macht, dus dat moest gebeuren, hij ging vertrekken. Naar Spanje, via Jordi Domingo, die reed Prestige voor ons op de Olympische Spelen. De Metall x Vincent loopt vandaag de dag nog Grand Prix in Spanje. Ons pap toch trots: hij had niet verwacht dat ik dat paard weg zou doen. Ik ben verschillende paarden blijven rijden, en ik werkte fulltime in het onderwijs, op een school voor verstandelijk beperkte jongeren.”

Vader Adriaan overleed vrij plotseling in 2008: “Toen ben ik wel in een gat gevallen. De kapitein op het schip was verdwenen, daar gingen we dan. Met mijn oom Marcel van de Goor hebben we de zeilen opnieuw in de wind moeten zetten.” Een jaar later kreeg Hanneke landelijke bekendheid als de speelse jongedame die een relatie kreeg met hengstenhouder Peter van den Boogaard. Het leven rolde zo door, tot augustus 2016: “Ik had een paard gekocht, was 8, had geen wedstrijdervaring, maar ongeveer Z-klaar. Ik thuis in een rustige galop, en toen is ie gestruikeld. Ik ervan af en hij bovenop mij. Dat was mis. Maarten Simonse, de dierenarts die bij ons was om de merries te scannen, belde meteen de ambulance. In het ziekenhuis in Uden bleek dat het echt goed mis was. Ik door zo’n tunnel heen, kwam ik daaruit: ik zie die dokter nog aan zijn bol krabben, zo van, oei, wat moeten we hiermee. Ik had 15 gebroken ribben, twee klaplongen, mijn schouder op meerdere plaatsen gebroken, en mijn hart was verschoven. Dat zat altijd op de goede plek maar dat is sindsdien afgelopen, haha.  Ik heb toch maar 12 dagen in het ziekenhuis gelegen. Elke dag kreeg ik therapie, en ze hadden gezegd: als ik de trap op kon lopen, mocht ik naar huis. Dat hadden ze niet tegen dovemansoren gezegd. Ik wilde toch blijven paardrijden. Ik thuis meteen weer erop, dat had ik geleerd, dat was het beste. Diezelfde dag dat ik thuis kwam heb ik op datzelfde paard een zadel geknoopt, en ik ben met veel pijn en moeite weer erop gestapt. Eén rondje heb ik gestapt, maar het zag zwart voor de ogen, ik heb er niks van gezien. Het voelde niet goed. Ik ben afgestapt, en op dat moment heb ik besloten om er nooit meer op te stappen.”

“En toen kreeg ik wel een heel ander leven. Ik weet nog wel dat mijn broer binnenkwam met zijn zoontje toen ik in het ziekenhuis lag. Dat ik dacht, wauw, die is rijk, dat wil ik ook. Ik had best wat medicatie, ik was net Herman Brood, zeg maar. Voor mij was dat niet zo onplezierig, maar voor de mensen om mij heen was het heftig. Misschien ben ik wel niet op een normale manier te remmen, misschien moest zoiets heftigs wel gebeuren daarvoor, anders was het nooit veranderd. Leonie Bos heeft mijn paard toen doorgetraind en verkocht. Ik heb alle spullen op internet gezet, zo snel mogelijk van alles afscheid genomen. En sindsdien ben ik Leonie Bos en Peter Wetzelaer wat gaan helpen, die toen al in onze accommodatie gehuurd zaten. Ik heb er altijd een paard bij gehad, zij reden hem dan. Weet je, het gaat in het leven niet om dure auto’s, groot bezit, en zo. Geld is macht is maar heel betrekkelijk, als je daar in een keer ligt. Als je gezond bent, ben je rijk, zeggen ze. Dat had ik nooit zo begrepen, tot ik zelf het eind van de tunnel gezien had, toen snapte ik dat. Hetzelfde met relaties. Heb ik best wat gehad, maar die kwamen altijd op het tweede plan. Als we hadden afgesproken om te gaan eten en ik had mijn paard nog niet getraind, dan werd het eten afgebeld. Tot ik een oude jeugdliefde tegen kwam, Roy Peters. We zijn opnieuw verliefd geworden en dat is nooit minder geworden. En samen hebben we nou een mooie dochter Janske van 7 maanden. We wonen in Herpen, 800 meter van het bedrijf waar mijn moeder nog woont. En ik werk nog steeds in het onderwijs, twee dagen per week. Weet je, eigenlijk ben ik heel dankbaar dat ik dit allemaal heb meegemaakt….”

Kees van den Oetelaar: we zaten samen met kippenvel

Kees van den Oetelaar: we zaten samen met kippenvel

Praten met Kees van den Oetelaar is praten over heel veel, maar zeker ook over de hengstenhouderij. Concorde en Verdi, allebei gekroond met de titel KWPN Paard van het Jaar, zijn de belangrijkste hengsten geweest in zijn leven. Concorde hebben we in deel I besproken, in dit deel 4 hebben we het vooral over Verdi.

“De oude Gerrit de Crom heeft mij het hengstenhoudersvirus meegegeven,” vertelt Kees van den Oetelaar. “Die man had een aparte uitstraling, een bepaalde gave om niet je emotie te tonen. Ik kon heel goed met hem omdat we alle twee dezelfde hobby hadden: Gerrit ging ook nooit naar huis. Ik kwam elke dag bij De Crom toen Concorde daar stond, en ik heb heel veel met Gerrit zitten te buurten. Ja, ik had wel hengsten, maar ik wilde nooit geen hengstenhouderij beginnen. Door hem ben ik omgeturnd.”

Gerrit de Crom

Het spreekt voor zich dat daar een anekdote aan verbonden is: “Leo Trommelen, de eigenaar van de hengst Ubis die ook bij De Crom stond, had ook een Anglo-Arab waarvan hij veulentjes moest bekijken en Gerrit en ik mochten mee. ’s Morgens om 8 uur waren we in Dongen, Leo gaf ons eerst een borrel, pakte toen een slof sigaretten en een paar flessen water voor onderweg en wij op pad, naar Zeeland. Gerrit was op voorhand al niet zo gek van de hengst en het eerste veulentje was al een naaimachientje in zijn lopen, een splinterig ding zonder beenwerk. Leo zei: deze draaft maar gewoon, Gerrit. Ach, zei Gerrit, het is de eerste nog maar. Maar hij bedoelde: een betere komt er niet. Dat snapte Leo niet. De tweede liep nog slechter. Zei Leo: deze heeft de beweging wel nodig. En Gerrit antwoordde dan: de grond was ook wel erg hard bij die boer in de wei. In elk geval, bij het derde minne veulentje kocht ik van die boer een combinatie stro voor thuis. Maar ik moest er een container uien bij kopen.”

“Wij weer onderweg, gestopt bij een terrasje, zegt Gerrit bij een glaasje drinken: we hebben er nou drie gezien, maar als ie niet beter fokt dan zo, dan zal ie zijn broek niet vaak omlaag hoeven te doen deze zomer. En ik maar denken wat ik toch met die container uien moest. Afval was het. In Lage Zwaluwe had een kennis van Leo vier slachtpaarden die ie graag wilde verkopen. Gerrit daar aan de koffie al snel duidelijk gemaakt dat slachtpaarden he-le-maal niks waard waren. Zegt de vrouw van die boer: maar die paarden gaan vertrekken hier! Ze moesten weg omdat die boer ook 30 koeien en een stier had, en de paarden gingen achter dat vee aan. Gerrit kocht natuurlijk de paarden en ik ruilde m’n container uien op een van de paarden met duizend gulden erbij omdat ik had verteld dat het heel goed koeienvoer was. Wij weer onderweg, zegt Leo: Kees, weet je wel zeker dat uien goed zijn voor koeien? Heb ik gezegd: dat weet ik niet zeker, maar ik weet wel zeker dat die stier vanaf nou de koeien staat te dekken met tranen in zijn ogen. Leo Trommelen heeft met zijn bulderende schaterlach kromgelegen van het lachen tot thuis in Dongen.”

Dennis Musterd, fokker van Verdi TN

Het verhaal van de hengst Verdi begint eigenlijk bij de fokkers, Dennis en Petra Musterd in Made: “Ik kocht elk jaar een stuk of vijftien of twintig veulens bij ze. Hij koos de beste merries uit in Holstein, Frankrijk en zo, en daar gebruikte hij internationale springhengsten op, zoals Quidam, For Pleasure of Darco. Hij heeft ooit 70 merries met Quickstar gedekt. Nee, ik ben nooit adviseur geweest, dat deed ie zelf. En hij heeft toch een stuk of veertig internationale paarden gefokt. Toen kon hij zijn veulens duur verkopen. Een sterk ondergewaardeerde fokker. Verdi was een paar uur oud toen we hem kochten. Voor 20.000 gulden, ook al hadden we de euro al. Omdat ie van Quidam de Revel was uit een heel goede Landgraf-merrie, en het was een heel mooi veulen, dat kon je aan het kleine veulentje toch al wel zien. De uitstraling, de rug, de benen, ach, als je veel veulentjes koopt, krijg je daar vanzelf veel ervaring in. Plus dat de moeder een mooie, lange merrie was. Toen is het veulen naar Nijhof gegaan, gewoon in de loopstal tussen de andere paarden. Van Quidam heette die, en Johnson heette eigenlijk Verdi. Die ging naar Oldenburg naar de keuring en toen moest de naam met een J beginnen vanwege Jazz, daarom werd het Johnson. Net voor het eindexamen hebben we ‘m Verdi genoemd en dat is zo gebleven.”

“Met vrij-springen bij Nijhof heeft Verdi als jong paard altijd goed gesprongen, met veel vermogen en een goede techniek. We gingen vrij gerust naar de eerste bezichtiging in Ermelo, en toen door naar Den Bosch. Ik weet nog goed: dat was het eerste jaar dat er op de vip-tribune niet meer gerookt mocht worden. Alfonso Romo, de Mexicaan, trok zich daar niks van aan, had een sigaar in zijn mond, en toen kwamen alsnog de asbakken op tafel. Hij vroeg: wil je dat paard verkopen? Hij wilde veel geld geven, zei Romo. Toch maar niet gedaan. Verdi werd aangewezen voor het verrichtingsonderzoek, en eigenlijk hadden we gekozen voor het najaarsonderzoek, omdat hij nog zo jeugdig was. Op een keer in het voorjaar belt Henk jr me op: ik ben in Ermelo onze hengst wegbrengen. Ik heb gezegd: als jij denkt dat we dat moeten doen, dan moeten we dat doen. Verdi eindigde laag in het verrichtingsonderzoek, omdat hij problemen had met zijn grote galop. Mensen hadden er niet zo’n hoge pet van op en hij is met de hakken over de sloot goedgekeurd. Eigenlijk was het met Concorde niet anders. Een beestje met een normale galop is in de test veel makkelijker dan eentje met een Grand Prix-galop.  Voor die paarden is dat op die leeftijd moeilijk om vol te houden. En als we het daarover hebben: Corrado, Baloubet, Pilot, Polydor, Grannus, For Pleasure, Quickstar: ze hebben allemaal een slecht onderzoek gelopen. Maar het zijn wel de beste verervers van de wereld. Misschien kun je met die paarden helemaal geen test doen.”

Eric van der Vleuten met Verdi TN als 7-jarige

Toch dekte Verdi direct behoorlijk veel merries: “Mooi bloed natuurlijk, en in de folder van Nijhof stond Verdi als coming star, dat hielp ook. Hij kreeg een goed veulenrapport en toen kwam de vraag wie er als ruiter op moest. Ik heb toen voorgesteld om er Maikel van der Vleuten mee te laten rijden. Hij was 17 jaar oud en kwam net van de pony’s af. Hij reed een Nieuw-Zeelandse volbloed van mij van 22 jaar, Jabbadabbadoe, en ik zag hoeveel aanleg hij had voor paardrijden. We zijn samen met Maikel en Eric bij Nijhof Verdi wezen proberen. En toen kwam de eerste hengstencompetitie, in Hengelo. Ik was ‘m op het voorterrein aan het bekijken en begon ineens te denken: waar ben ik in ’s hemelsnaam aan begonnen, om zo’n jong menneke op zo’n jonge, grote hengst te zetten, ik vond het ineens best gevaarlijk. 17 jaar oud en dan op een hengst van 4 jaar oud, wie verzint dat nou. Hij ging de ring in, niet normaal hoe goed dat ging. Hij moet zich toen wel gevoeld hebben als een vlieg op een olifant. En Maikel realiseerde zich helemaal niet hoe gevaarlijk het eigenlijk was wat we aan het doen waren. Zo fantastisch mooi hoe dat ging in de ring, volgens mij won ie toen de competitie, ik denk daarna elke wedstrijd. Verdi had zo’n fijn karakter, het was een genot om naar te kijken hoe hij samen met zo’n jonge ruiter zich ontwikkelde.”

“Verdi heeft zo’n goede opleiding gehad, daar hoefden wij ons niet druk over te maken. Eric heeft zoveel ervaring met jonge paarden africhten. Hij heeft Verdi heel veel tijd gegeven, landelijk mee laten lopen, gewoon tussen de andere paarden door. Maar ook Ermelo, Lanaken, alles. Hij wist altijd precies wat hij moest doen, dat is altijd zo geweest. Als het parcours op 1m60 stond, sprong hij 1m61. Toen ie 7 was, stond er een heel grote paardenmens achter me, met een grote stal concourspaarden. En die zei: als deze ooit dikke proeven gaat lopen, dan weet ik het ook niet meer. Buiten in Roggel was dat. Toen heb ik de ober geroepen: ik wil een blaadje bier bestellen, want ik heb vandaag zoveel geleerd! Twee dagen later ben ik bij die man thuis geweest, dacht ik: je hebt hier een hele lading slechte paarden staan, ik wil je hele spul inclusief huis en stallen nog niet ruilen op Verdi. Eric heeft Verdi toen NK 7-jarige gewonnen, die heeft hem een tijdje overgenomen omdat hij wel veel eigen initiatief begon te tonen. Ik wist dat ie naar Londen ging met Verdi maar niet dat hij daar zijn eerste dikke internationale proef zou gaan lopen, ik zag hem op televisie binnenkomen, ik wist niet wat ik zag! Alleen thuis zitten is dan niet zo makkelijk. In het voorjaar heeft Maikel hem weer overgenomen, hij werd tweede in de Grand Prix van Lummen. En op z’n 9e liep ie het EK in Madrid. Toen was het nog zo dat we belden of hij al geland was, dat soort dingen. En blij dat ze samen weer heelhuids thuis waren.”

Verdi loopt graag zijn ereronde alleen, zoals hier in Rome

“Toen ie 10 was, werd er zoveel geld voor geboden, dat het eigenlijk niet meer te doen was om hem te houden. Vanuit verschillende landen. Toen hadden we Spartacus en Verdi: bood iemand voor allebei zo ongeveer het Totilas-bedrag. Mensen belden mij altijd, omdat ze dachten dat ik met geld wel overstag zou gaan. En iemand zei; altijd doen, je hoeft nooit meer te werken! En dan? Grotere auto kopen, of een groter huis? Ik ben bij zoveel mensen in een groot huis geweest, dan dacht ik: hier zou ik nog niet begraven willen liggen. En harder straffen als niet meer mogen werken, kunnen ze me niet. Ik heb Jeannette Nijhof gebeld: ik moet jou bellen want we kunnen zo’n astronomisch bedrag krijgen, dat ik dat wel moet melden. Ik kreeg van haar de wind van voren: daar moest ik niet meer over praten, hij ging niet weg. Maar ze bleven me bellen. Toen ben ik op een middag naar Eric van der Vleuten gegaan, op papier een streep neergezet, met aan de ene kant ‘weg’ en aan de andere kant ‘blijven’. Eric zette het kruisje bij ‘blijven’. Dan koop maar een deel, heb ik gezegd, dan stuur ik de mensen naar jou als ze erom vragen, ik wilde van het gezeur af zijn. Het is een van de mooiste dingen die ik ooit gedaan heb. Nooit meer gezeur gehad en altijd genoten van Maikel en Verdi, met het gevoel dat ze op hun eigen paard zaten.”

“Met Eric ben ik samen naar de Olympische Spelen in Londen gegaan. Hij mocht niet mee naar binnen, had geen accreditatie. Samen uit, samen thuis, we hebben het toch kunnen regelen. Het was fantastisch hoe hij daar zijn rondje liep, we zaten samen met kippenvel. Toen eerst naar de kroeg waar de Nederlanders waren, heel gezellig gehad, abnormaal. En toen naar het hotel. Daar hebben we samen met een whisky-cola en een bacardi-cola op een klein terrasje gezeten tot diep in de nacht, zitten te zeveren over ons eigen paard, hoe goed die wel niet was. Het is altijd een aparte band geweest met Eric en Maikel. Eén keer per jaar, tussen kerst en nieuwjaar, dan zeggen we tegen elkaar wat minder leuk was en wat wel leuk was, we zetten er een streep onder, en dan gaan we weer verder.”

Verdi TN KWPN Paard van het Jaar