Deurne, springsport en fokkerij, dat zijn de kernwoorden om de meest in het oog springende activiteiten van Cor Loeffen uit Alverna te beschrijven. Een stijlruiter was hij, met paarden die vaak uit het koppelbazen-circuit voor hem gekocht werden. Een directe en consequente instructeur voor wie best veel leerlingen veel respect hadden.  En een kenner van de fokkerij, die geleerd heeft dat argumenten tellen. Zijn verhaal is te lang voor één aflevering, daarom hier deel 1, vooral over lang geleden.

Cor Loeffen groeide op in Alverna, een kerkdorp van Wijchen, in de buurt van Nijmegen tegen het Brabantse aan. Met een gezin met zes kinderen hadden zijn ouders een drukke onderneming zoals dat in de jaren ’50 en ’60 ging: een brandstoffenhandel, een meelhandel en een café. Vader Loeffen werkte met de paarden voor het transport en hij was commandant van de rijvereniging St.-Frans. “Toen ik een jaar of 12 was, gingen we met een tas om de schouder vader helpen om de olie rond te brengen, hij reed de oliewagen met 2000 liter, moesten we een bonnetje uitschrijven en als het effe kon laten betalen. Zo ging dat. Geleidelijk gingen de kolen en olie over naar gas en toen is mijn vader gestopt met die handel, hij begon een manege,” kijkt Cor terug.

Die manege werd de huidige manege St.-Frans. Omdat ook de stucadoorsfamilie Cornelissen een soortgelijk plan had en twee maneges vanuit de gemeente toen niet toegestaan waren, huurde uiteindelijk de familie Loeffen de nieuwgebouwde manege. ”Toen was ik een jaar of 14, ik reed al wel wat landelijk, op een laag niveau, altijd bij de paarden. Oh ja, ik heb één keer met een New Forest in 1968 op de UTV gereden, won ik de rubriek bestgaande rijpony. Ik was zo in trance aan het rondrijden, ze hebben me wel drie keer binnen moeten roepen voordat ik het in de gaten had.”

Met de New Forest pony en de cap van zijn vader

“Vader vond dat ik naar de opleiding in Deurne moest, ik was niet het grootste licht toen. Toen moest je nog een half jaar stage lopen voordat je daar naartoe mocht. Dat heb ik gedaan bij Jan de Haan in Wateringen, een wereldreis. Man, als we toen naar Arnhem gingen, was dat al ver. Nou moest ik van Nijmegen naar Den Haag met de trein. Nooit in de trein gezeten, wat een gezoek! We hadden eerder een paard gekocht bij Jan de Haan, die had toen al verteld dat ik stage mocht lopen. We hebben afgesproken dat als ik er twee maanden zou zijn, hij een attest zou schrijven dat ik er zes maanden was geweest. Zo ging dat. En ik combineerde dat met de handelsavondschool, en als ik dat allemaal zou halen, dan mocht ik naar Deurne.”

“Met hangen en wurgen heb ik het voor elkaar gekregen. In Wateringen zat ik de eerste maanden in een caravan, zoiets had ik nog nooit van binnen gezien, nog nooit! En een prachtige sfeer daar, de Haagse humor, nooit vulgair, even nadenken, en dan snap je ‘m. Instructeur was de heer Van Leeuwen, geruit jasje, pet op. De dames die ’s ochtends kwamen lessen, lagen helemaal in zwijm van die man. Het was een andere klantenkring dan wij gewend waren in Alverna, een ander milieu. Ik ben er uiteindelijk wel acht maanden gebleven. Wij hadden thuis een manege en dan sprong je over een hindernis en dat was het. Daar leerde ik naar een hindernis rijden. Tempo, ritme, passend rijden, daar hadden we nooit van gehoord. Wij waren gewend om viertal te rijden. Op commando. Als mijn vader zei ‘links’, dan dacht er niemand aan rechts.”

Verbeten aan de gang met een Volbloed

De opleiding in Deurne volgde: “Een hele omschakeling voor mij. Met les van Ernest van Loon, die vond dat ik als een cowboy reed. Toen ging je gewoon zitten, slofteugel eraan, die krul, dat was zalig. Achteraf gezien heb ik zoveel paarden zo verkeerd gereden. Bij Van Loon leerde ik voorwaarts neerwaarts rijden, dat was een hele nieuwe wereld. Ik was me niks bewust van enige opleiding, niks! Jan Schreuder, de inmiddels overleden echtgenoot van Marion Schreuder, gaf me dan thuis nog een extra uur dressuurles. Een kwelling, moest ik doorzitten. Al die tips, dat was voor mij abracadabra. De eerste paar keren kwam ik huilend naar huis, dacht ik: ik stop ermee. Mijn moeder troostte me dan, ze had niks met paarden, stond achter de bar. Maar mijn vader wilde dat, en in die tijd: als je vader dat wilde, dan gebeurde dat. Een echte liefhebber, een geweldige paardenman. Hij is overleden toen hij 50 was, mijn moeder toen ze 54 was. Wat dat betreft ben ik er genetisch gezien ver overheen gegaan.”

Cor Loeffen in 1967 met de jonge Doruto Hackje

In de buurt van Nijmegen was het fenomeen koppelbazen in de jaren ’70 een bekend begrip: mensen die in Duitsland Nederlandse bouwvakkers verhuurden als een uitzendbureau. En misschien niet alles meldden bij de Belastingdienst. In elk geval ging het om veel geld, dat gemakkelijk omgezet werd in paarden: “Mijn eerste Z-paard was Flannigan, een Hannoveraanse merrie die we kochten bij Dick van Laar. Die had 1m50 gelopen in Duitsland, ik begon er in het L mee. Het was zo’n groepje mensen die bij ons reden, dan zagen ze ons rijden en zeiden ze: we kopen wel een paard, zoek er maar een uit. Zo ging dat. En wij prakkezeerden van alles om die voor ons lastige paarden toch te kunnen rijden. Een stang mocht niet, maar een D-trens in het midden aan elkaar lassen, och, dat zag niemand. Ik heb heel veel gereden zonder dat ik erover nadacht. Dat hebben denk ik zeker toen heel veel mensen gedaan. Onbewust bekwaam heet dat: dan doe je een paar dingen die er voor de buitenwereld goed uitzien.”

Met Dolanda werd Cor Loeffen NKB-kampioen klasse Z in Wanroy

Het zorgde ervoor dat Cor Loeffen gezien werd als een stijlruiter, met verschillende paarden. En steeds op zoek: “Ik reed toen ’s avonds in Erlecom in de manege, kwamen Francois Mathy en Nelson Pessoa naar een paard kijken van Harrie Wouter van den Oudeweijer. Ik dat paard voorgereden, hij sprong fenomenaal. Komt die koppelbaas, voor wie ik paarden reed, met z’n Porsche langs rijden, zegt ie tegen mij: waar zit je op? Ik uitgelegd dat het een paard van Wouters van de Oudeweijer was. Vroeg ie: is het een goed paard? Ja, geweldig! Roept ie: Wouters, kom eens even hier! Is het een goed paard?  Ja, maar ik ben bezig met mensen. Hij zegt: dat vraag ik niet. Wat heb je voor dat paard gevraagd? Zegt Wouters: 75.000 gulden. Dan is ie nou verkocht, zei hij. Ik snel uit de baan gereden, ik was blij dat ik er weer een goede bij had. Ik heb er Z mee gereden. Nadat ik gestopt was bij die man, is het paard weer naar Harrie Wouters gegaan, hij reed er twee maanden later zo de Grand Prix in Amsterdam mee binnen. Later is ie via Henk Nooren verkocht, het was The Shinto, de Ghill Manor XX x Compliment die de Olympische Spelen heeft gelopen voor Japan.”

Cor Loeffen met Surprise, de Amor-zoon waarmee Rob Ehrens later furore maakte

Langzamerhand kwam ook bij Cor Loeffen het besef dat afstamming wel degelijk een belangrijk aspect is: “Na de periode van de koppelbazen had ik een goede Orthos en toen ben ik met mijn schoonvader naar de fokker gegaan, of hij nog meer te koop had. Hij niet, maar zijn buurman wel, dat was de opa van Henk Dirksen van het stamboek. Een Orthos-merrie, ze zeiden dat ze uit een heel goede moederlijn kwam, drachtig van Maikel. Ik vroeg hem wat dat paard moest kosten maar het was zondag, ik moest maandag maar terugbellen. Het is de moeder van Cavalier geworden, de hengst die Franke Sloothaak zo succesvol gesprongen heeft. Toen bleek ook dat The Shinto uit de Molga-lijn kwam. En deze merrie uit de Sina-stam. Vanaf die dag ben ik bewuster naar merrielijnen gaan kijken. Ik had allerlei paarden gehad uit moederlijnen waar ik nooit enig besef van had gehad. Cavalier heb ik als veulentje verkocht aan Hans Horn. Hij kwam kijken naar een ander paard, maar die koop ging niet door. Ik vertelde over de merrie en toen zei hij: als ze geveulend heeft, moet je me toch even bellen. Ik hem gebeld, twee dagen later was ie er, ik vroeg hem 5000 gulden en toen was ie verkocht. Op de hengstenkeuring heb ik nog 1000 gulden fokkerspremie gebeurd. En ik kreeg een dekking van hem voor niks, dat was wel mooi. Ik heb er best wel een goede relatie aan overgehouden met Hans.”

Cavalier, in de sport San Patrignano Mister, won zeker 40 internationale proeven met Franke Sloothaak

Cor Loeffen maakte Deurne af waar Tjeerd Velstra inmiddels directeur was geworden en ging in 1975 om springpaarden te rijden in dienst bij een van de koppelbazen, op de plek waar nu de sponsor van Bart Bles zit: “Ik had een redelijk oog maar om een goede wedstrijdruiter te zijn, had ik een beter oog moeten hebben. Maar africhten kon ik wel goed. We begonnen toen al met het kopen van 4- of 5-jarige paarden en het opleiden daarvan, dat bleek interessant.” In 1976 stierf zijn vader: “Ik heb toen thuis snel aangegeven dat ik de manege niet over wilde nemen, dat is Rob Cornelissen gaan doen. Ik heb gesolliciteerd naar een baan als instructeur in Deurne en daar ben ik in 1977 begonnen, op m’n 23e. Nico Witte zat in de opleiding, Bert Romp, mensen die het later in de sport goed gedaan hebben. Ivo Campagne was net eerder weg. Ik moest er ook theorie geven, en dat ging me niet zo slecht af.”

 

De laatste diploma-uitreiking in Deurne in 2016

© Nieuws.Horse 2018 | powered by Olland.biz