Lisa Bongers: ik vond een B-parcours al heel wat

Lisa Bongers: ik vond een B-parcours al heel wat

St.-Frans is van oudsher de manege, bowlingbaan en partycentrum in Alverna, vlak bij Nijmegen. Tegenwoordig is het ook de plaats waar internationaal springamazone Lisa Bongers woont en werkt. Lang zag het er niet naar uit dat ‘internationaal’ ooit bereikbaar zou zijn: toen ze 15 was, vond ze een B-parcours al heel wat. Maar tegenwoordig gaat ze als een speer. Haar ambitie: “Verder komen dan waar ik nu ben.”

“Toen ik voor het eerst op wedstrijd ging bij de pony’s, had ik nog nooit een oxer gesprongen, dat durfde ik niet,” blikt de nu 22-jarige Lisa Bongers terug. Het materiaal thuis, toch in ruime mate voorhanden, durfde ze niet te springen met haar pony’s: “Maar op concours moest ik wel, op 70 cm, dat vond ik hoog, en dan zaten er nog reclameborden onder ook. Tja, als ik nou terugkijk, dan had ik nooit gedacht dat ik dit zou gaan doen….”

Lisa reed in haar ponytijd na haar Shetlander, een B- en een C-pony ook D-pony’s: “Een paar heb ik er gereden, maar achteraf gezien waren dat geen heel fijne pony’s. Ik heb nooit automaatjes gehad. Uiteindelijk heb ik wel Z bij de pony’s gesprongen maar niet heel veel. Ik denk dat ik eind 14 was toen ik naar de paarden ben gegaan, ben ik B gaan rijden. Ik zat op de mavo, wist niet goed wat ik wilde. Ja, paardrijden, dat vond ik leuk. Ik ben naar de Masterclass in Deurne gegaan, vooral omdat het maar een dag in de week was. Ik heb er leuke nieuwe mensen ontmoet, dat was mooi: Boy-Adrian van Gelderen, Jeanine Nieuwenhuis, Maxime van der Velde, en een paar vriendinnen waar ik nou nog steeds contact mee heb zoals Senna Stassen en Madelon Franke.”

Met de C-pony Miss Ghibly, eerder gereden door Daphne van der Schaar

Voor de opleiding in Deurne liep Lisa stage bij Wiljan en Joan Laarakkers in Ottersum: “Dat was daar voor halve dagen, waardoor ik ’s middags thuis kon rijden. Toen reed ik net B en L bij de paarden hè. Bij Wiljan heb ik heel veel mogen springen, hij begeleidde me, was het meest gedreven daarin. En mooi: op zijn paard Ravola heb ik mijn eerste M-parcours gereden. Eigenlijk is het nog maar een paar jaar geleden. Ik heb mijn diploma gehaald en toen zaten we van: moet je nog ergens anders heen om te leren? We hebben thuis alle mogelijkheden, eigenlijk zou het zonde zijn. En ik heb altijd springles van mijn vader, dat gaat goed, ik ben heel tevreden. Na Deurne ben ik L en M gaan rijden en vanaf toen werd het steeds een beetje hoger. Toen dacht: als ik toch eens ooit 1m40 zou kunnen rijden….”

Rob Bongers verkent met zijn dochter Lisa het parcours

Vader Rob is lang een stijlvolle springruiter met name op nationaal niveau geweest in de vereniging waarvoor ook bij voorbeeld stijlruiter Cor Loeffen reed. Rob is nu de steun en toeverlaat van Lisa: “Hij helpt mij met trainen, we overleggen veel, we maken samen de planning, en thuis met springen helpt ie mij. Hij is meer m’n coach, de eigenaar van de paarden omdat we die vooral ook zelf fokken…. eigenlijk alles. Of het goed gaat? Ja, eigenlijk wel, sommige mensen staan daarvan te kijken. Natuurlijk hebben we een enkele keer wat woorden maar dat heeft iedereen weleens toch?” Les heeft Lisa eigenlijk vooral op het gebied van dressuur: “Ja, van Stefano van Zuijlen, hij komt elke twee weken. Met m’n springpaarden rij ik bij hem in de les, per paard ongeveer een half uur, ik probeer ze zoveel mogelijk af te wisselen. Als ik een nieuwe op stal krijg, pak ik die ook meteen in de les bij hem. Ik merk echt wel dat ze er echt op vooruit gaan.”

In de loop van de afgelopen jaren ging het sportief steeds beter, met steeds meer succes. Als young rider kreeg Lisa een telefoontje van bondscoach Luc Steeghs: “Hij vroeg of ik naar China wilde om te rijden. Het overviel me wel een beetje want het was binnen twee weken al vertrekken, samen met Jarno van Erp en Thomas Arendsen Raeth. We reden daar op leenpaarden, de meeste kwamen wel uit Europa. Het was een dag uitproberen en dan de volgende dag de proef rijden. Dat pakte bij mij goed uit want ik won de Grote Prijs, zeg maar 1m35. Maar er was wel heel veel publiek, allemaal klappen en juichen, daar kunnen ze in Nederland nog wat van leren! En omdat ik dat gewonnen had, mocht ik een half jaar later de wereldbekerwedstrijd rijden in China, dat was vorig jaar in het voorjaar. ik weer terug, naar Tianjin, een uur vanaf Peking,  weer zonder paard, die stonden daar klaar. Maar dit was wel even iets hoger. Plus ik was helemaal alleen, er waren geen andere ruiters uit Nederland, geen coach. En ze kunnen daar niet zo goed Engels….De inloopproef lag op 1m40, dat ging heel goed. En toen kwam de wereldbekerproef zelf, die lag op 1m45. Bij het parcourslopen dacht ik nog: oei, komt het paard daar wel overheen? Maar het viel mee, met een foutje was ik toch nog 11e. De eigenaar van het paard was er zelf niet bij, die zat volgens mij in Europa of Amerika. In elk geval was het een super ervaring, ik ben enorm blij dat ik dat heb gedaan.”

Met Donbalian

Donbalian, een Carthino x Voltaire, is Lisa’s toppaard: “We hebben hem zelf gefokt, en ik heb hem helemaal zelf opgeleid. Toen hij vier jaar was, ben ik in het BB en de B begonnen. En nou is ie tien jaar en loopt ie 1m50. En ik hoop over een tijdje 1m60.” De prestaties van Lisa brachten haar al op mooie concoursplekken in de wereld behalve China. In Fontainebleau reed ze met het Young Riders-team de landenwedstrijd, de Gothenburg reed ze U25, in Mechelen, Lausanne, in La Baule aan de Franse kust is ze geweest en een paar weken geleden in Parijs: “Daar rijd ik dan de 2*-wedstrijden, waarbij de Grote Prijs op 1m45 of 1m50 ligt. Je moet natuurlijk een beetje het geluk hebben dat het concours je toelaat en dat de bondscoach het goed vindt. Ik ben nou twee keer in Parijs geweest, dat is ook een familie-uitje. Want mijn oom Jack heeft de drankenhandel van mijn opa overgenomen en mijn vader de manege, ze vinden het allebei mooi om zoiets mee te maken.”

Lisa met Elixer in Parijs

In Elixer, een Zacharov x Concorde, heeft Lisa haar tweede toppaard: “Die hebben we een jaar geleden gekocht. Af en toe kun je er eentje kopen. Als je alles moet kopen, dat is niet te doen. Daarom fokker we veel zelf. Elk jaar wel vijf veulentjes, en daar zit telkens wel een heel goede bij. Dat is lastig hoor. Soms denk je: deze blijft te klein, en dan groeit ie toch nog goed uit. Uit onze merrie Laantje hebben we bij voorbeeld Robin Hood R gefokt, het voormalige toppaard van Christina Liebherr. Of Bobolensky, de jonge Cornet Obolensky van Gianni Govoni. Donbalian komt uit Katebalia, een merrie van ons die nooit in de sport heeft gelopen maar die naast Donbalian nog twee 1m50-paarden heeft gebracht. Dat ze zelf gepresteerd hebben hoeft natuurlijk niet altijd. De merrie moet bloed hebben en een goed karakter, dan kun je een heel eind komen. En voorzichtig zijn, met veel temperament. En van mij mogen ze wat groter zijn, dat vind ik fijn, met veel vermogen. Eigenlijk grappig, want ik ben zelf met m’n 1m67 niet zo groot, ik heb niet zo’n lange benen. Iemand als Frank Schuttert kan ze toch wat beter bij elkaar houden, zeg maar, voor kortere mensen is dat toch anders.  Ik heb niet zoveel te zeggen met mijn benen, in elk geval anders.”

Vader Rob en moeder Nathalie Bongers hebben het knap druk met hun rijhal, het partycentrum, het restaurant en de bowlingbaan. Plus de eigen stal met zo’n zestig paarden, waarvan er tien voor de sport van Lisa zijn en tien in de opfok: “De paarden natuurlijk overdag, maar ’s avonds gaat het verder. We willen thuis vooral in de paarden verder, dat vinden we allemaal het leukste. Daarom wordt de rest of verhuurd of verkocht, anders wordt het echt te intensief. De hele dag op concours geweest, en dan thuiskomen en het partycentrum en zo doen, dat is voor mijn ouders bijna niet vol te houden. En het geeft mij de gelegenheid om me goed op de sport te richten. En om goede, jonge paarden op te leiden. Die zoeken we altijd, want als ze ouder zijn, zijn ze voor ons niet meer betaalbaar. Dan kan ik mezelf steeds meer in de picture te rijden op hoger niveau, zodat we de paarden ook kunnen verkopen. Laatst hebben we er zo een naar Qatar verkocht, die loopt daar nu met de jeugd mee. Want ik snap best dat het allemaal betaald moet worden.”

Met Donbalian in Parijs

 

 

Kees van den Oetelaar: nergens voor nodig, zoveel personeel

Kees van den Oetelaar: nergens voor nodig, zoveel personeel

‘Iemand die snel beslist en zich af en toe vergist, brengt meer geld in de kist dan de perfectionist die de aansluiting mist.’ Zo opent handelaar, paardeneigenaar, fokkerijliefhebber, stamboekeigenaar, veilingorganisator en familieman Kees van den Oetelaar in deel III zijn anekdotes en indrukken over stamboeken. Waar het om gaat? Verjonging en versobering!

Kees van den Oetelaar heeft zijn leven lang met fokkerij en stamboeken te maken gehad: “Het is belangrijk dat er openlijk over het functioneren van stamboeken gesproken wordt, dat gebeurt te weinig.” Toch begint hij weer met een van zijn vele anekdotes, met stamboeken en fokkerij als raakpunten: “Onze Rien had een keer een ei uit laten broeden van een struisvogel, en dat kuiken had ie geschonken aan een gehandicaptentehuis hier, om in de dierentuin te laten lopen. Na drie jaar belt dat tehuis op naar onze Rien: die struisvogel moet weg want die pikt op de mensen hun hoofd die in de rolstoel zitten. Belt Rien me op: kun jij die struisvogel halen? Ik met de trailer er naartoe, met een man of vijf hebben we de struisvogel erin gekregen. Heb ik Rien gebeld: wat doe ik er nou mee? Ik mocht hem hebben. Ik een bevriende paardenhandelaar in België gebeld: Nou heb ik wat voor jou! Wat dan? De Nederlands kampioen stamboek-haan bij de struisvogels. Maar we zitten wat met inteelt hier omdat ie al te veel gebruikt is en hij moet eigenlijk naar een ander land. Die wil ik aan jou verkopen, daar kun je een vermogen aan verdienen! Zegt ie: wat vraag je die dan? Ik zeg: 75.000 gulden. Dat vond ie te veel. Ik zeg: wat wil je dan geven? Hij zegt: ik bied één keer 200 gulden. Dan komt ie er nou aan, heb ik gezegd. Ik de struisvogel weggebracht, hij naar binnen in de trailer, moest hij hem vasthouden, ik de klep open. Begint die vogel daar over de straat te rennen, de hele buurt hielp mee om hem te vangen en uiteindelijk hebben we hem in een box gekregen. En toen zijn we de kroeg ingegaan en zijn we samen zo dronken geworden dat ik niet meer naar huis kon. Ik kon blijven slapen: of op de bank in de kamer of op de zonnebank in de badkamer. Ik op de zonnebank, lag ik daar, moest zijn vrouw naar de wc, die ging zitten. Toen zag ze mij liggen. Zo kwaad dat die werd. De volgende ochtend ben ik met hem samen naar de veiling gereden, die gaf nergens om.”

Kees van den Oetelaar is bij veel stamboeken thuis. Dat begon al vroeg: “Als jong menneke ging ik al met Jan Bouwman uit IJhorst naar Denemarken voor de handel. Op de terugweg in Elmshorn hebben we Arne Smit ontmoet, een Deense paardenhandelaar, Jan had daar paarden mee gehandeld en er moest nog wat mee afgehandeld worden. We kwamen terecht op een nakeuring van het Holsteiner stamboek. Jan Bouwman gaf niks om keuringen, de grootste onzin die er is, vond ie. Ik heb daar een tijdje staan te kijken, gevraagd wie die twee mensen waren. Die heetten Sipke Dokter en Harm Brunsting, zoveel wist ik ervan. Een paar jaar naderhand ben ik met Markus Supgang voor de eerste keer terug naar Holstein gegaan, hij was een commissionair, leerde ik kennen via Martien Burgers. Holstein was een prachtig gebied, met geweldige merries, indrukwekkende hengsten en een grote naam. Kwamen we bij een toonaangevende hengstenhouder in Holstein, moesten we eerst een half uur buiten in de kou wachten, en toen kregen we een korte rondleiding.  Oh ja, eerst begon hij nog te vertellen wat er daar allemaal van hem was. En op stal was alles wat er stond wereldkampioen, S geklasseerd, van het eerste tot het laatste paard. In elk geval waren ze zo goed dat ik ze zeker niet kon betalen. Halverwege had ik er al genoeg van, ik ben er nooit meer geweest.”

Kees van den Oetelaar met de 30-jarige Corrado

Via kennis Hermann Wieben bouwde Kees toch een goede band op met het Holsteiner Verband: “Het Holsteinse paard bleef altijd in mijn hoofd zitten. Door de jaren heen heb ik er altijd met Hermann Wieben rondgereden, altijd met dezelfde. Gingen we in de stallen ook even kijken naar beroemde hengsten als Caretino en Corrado, hengsten van het Verband. Sigrun Günther werkte daar toen ook al: geweldig aardig, ik heb me er altijd welkom gevoeld. Als we binnenkwamen, vroeg ze eerst of we goed gegeten en goed geslapen hadden. En broodjes en zo waren er altijd. Iemand die met hart en ziel het stamboek mee naar huis neemt. Holstein vond ik een heel interessant fokgebied met heel goede paarden, eigenlijk het beste wat ik toen kende. Ze hadden het zo goed voor elkaar daar, dat de fokkers met z’n allen de rijhal en de kantine betaald hebben, het geld was er binnen de tien dagen. Maar ja, door het slechte beleid, is het stamboek min of meer kapot gemaakt. Nou zijn ze zover dat ze 35 man personeel hebben, ze registreren 2200 of 2300 veulentjes, dat is met de helft gedaald, en ze moeten veilingen houden en keuringen om het personeel te kunnen betalen. Da’s de omgekeerde wereld.  Ik heb ooit tegen de fokkerijleider Dr. Thomas Nissen gezegd: in plaats van hengsten te kopen in het buitenland, zou je niet beter elk jaar een stuk of tien goede merries kopen in het buitenland? Toen ik die vraag stelde, keek hij er raar van op. Hij reageerde er niet eens op. Nee, het beste fokmateriaal hebben ze verkocht naar Nederland, België en Frankrijk.”

Sigrun Günther van het Holsteiner Verband

In Hannover gaat het ook al niet zo florissant: “Toen ik daar voeger kwam, genoot ik van de merries, de moederlijnen. En ik heb altijd kunnen genieten van geweldige hengsten als Almé, Gotthard, Grannus. Maar er is daar geen springbloed meer. Ze hebben het kapot gemaakt, kapot gefokt met hun dressuurhengsten. Waarom? Omdat je die op een veiling beter kunt verkopen zodat al het personeel betaald kan worden. We zijn nou twintig jaar verder en alle Duitse stamboeken hebben ruzie met elkaar. Ze moeten wel veilen om financieel niet in de problemen te komen. Met hun berg personeel. Wat mij opvalt: er zitten ook heel veel oudere mensen die er tot hun pensioen zitten. Die zijn niet modern en die gaan niet mee met de tijd. Ik merk het bij mezelf ook, ik kan minder onthouden. Als ik nou iets moet weten, dan bel ik Cameron Nijhof op of Willem Greve. Zij weten alle namen van alle jonge hengsten, namen van paarden, van ruiters, ik al niet meer. Met Jan Greve en Henk Nijhof was ik een keer op pad in Frankrijk. Toen we een paar dagen hadden rondgelopen en paarden gekeken, waren we kapot van het hangen en zitten. Terwijl jonge mensen daar niks mee lijden.”

Joris van den Oetelaar, Cameron Nijhof en Willem Greve

Verjonging en versobering, dat is de toekomst van de fokkerij volgens Kees van den Oetelaar: “Heel veel stamboeken maken te weinig gebruik van jonge mensen. Bij het KWPN ook. Ik weet zeker dat ik daar gelijk in heb. We moeten namelijk vooruit. Wat weten wij van moderniteit af? Met alle respect, maar wat heb je eraan om een ervaren man als Arie Hamoen te vragen als invaller voor Marjan Dorresteijn? Daar moeten jonge mensen voor in de plaats komen. Van omroeper, tot ringmeester, tot jurylid: de frisse wind moet er doorheen. Bij het KWPN hebben ze de bezem er goed doorgehaald maar ze moeten er nog een keer met de stofzuiger achteraan, er zijn te veel mensen die er gewoon te lang zitten. Laatst was ik op de vergadering van de WBFSH, de organisatie van alle stamboeken. Zwaar aan het verouderen is dat, in bestuur en mensen, die gezamenlijk veel te weinig klaarmaken. We kunnen als stamboeken onder elkaar veel meer doen. Rondom informatie, gezondheid van onze paarden, dat zou de fokkers miljoenen euro’s kunnen besparen. We moeten veel meer samenspannen. De stamboeken hebben wel de naam dat ze niks willen voor mekaar maar ze krijgen ook geen kans bij de WBFSH om zich te uiten.”

Jan Greve, Kees van den Oetelaar en Henk Nijhof

“Op die vergadering heb ik zitten te praten met Inge Workel van het Oldenburgse verband. Met open mond heb ik zitten te luisteren, hoe intelligent zo’n jonge meid is. Het is zo belangrijk om jonge mensen te promoten, het zou verstandig zijn voor alle stamboeken om veel jonge mensen erbij te betrekken. Op de keuring in Lier was ook Niels Bruynseels, die heeft de hele keuring gevolgd in België. Zo zijn er veel meer ruiters die interesse hebben in de fokkerij, maar ze worden er niet bij betrokken. Robbert Ehrens, Willem Greve, dat soort mensen. Het moet in elk geval beter voor de fokkers, voor minder kosten. Als ik zie hoe Zangersheide groeit met zo’n kleine groep mensen, da’s een lust om te zien. Dit jaar hebben ze tussen de 4 en 5000 dekkingen, ze zijn de helft gegroeid in twee jaar tijd. Het enige stamboek dat ik ken dat met een kleine groep mensen hard groeit, is het BWP. Ook een lust om te zien hoe groot de vrijwilligersgroep eromheen is. En ze lopen zich de benen onder de kont uit, geweldig! De fokkerij vergrijst, de fokker van vroeger is aan het uitsterven. Ik vind dat de rijderij wel vooruit gaat, maar niet het paardengevoel, het gevoel om met een paard te communiceren. De ruiters van tegenwoordig nemen meer tijd voor de telefoon dan voor het paard.”

Kees van den Oetelaar met dochter Lotte en Hermann Wieben op de keuring in Elmshorn

Zijn eigen Anglo-European Studbook AES begon in Engeland: “Daar zijn we begonnen, vooral door Henk Minderman. Van de Lageweg, Nijhof, Jespers en ik zijn aandeelhouder geworden. Het ging onderling niet slecht maar lang niet goed genoeg. Omdat we er te weinig aan deden met elkaar, onderling kwamen we nooit goed overeen om te moderniseren. Na 2012, toen duidelijk werd dat de AES-paarden goed presteerden, ben ik naar mijn neef Joris toegestapt, die al keuringen organiseerde voor het AES, gevraagd of het iets zou zijn om het samen te gaan doen. Met de anderen ben ik overeengekomen dat ik als aandeelhouder alleen overbleef. Met Joris achter me, anders had ik het niet gedaan en had ik het nooit gekund. Hij is veel jonger, veel moderner, veel meer op de hoogte van alles, en veel gebrander. We hebben toen een bijeenkomst met het personeel in Engeland gehad, hebben we ze allemaal ontslagen. Joris zei nog: dat kost te veel, maar ik heb hem gezegd: kan me niks schelen, als we ze houden, kost het ons nog veel meer. Daarna hebben we minder mensen aangenomen, maar allemaal jong en fris. Onervaren, maar intelligent. Zoals Hannah, die werkt voor vijf. En nou hebben we een topteam dat we zelf opgeleid hebben. En we doen zoveel mogelijk zelf. In 2019 gaan we zelf het DNA testen. Zodat we fokkers tegen lagere prijzen goed kunnen bedienen, daar is een stamboek voor. Voor de fokkers. Als je een goede hengst hebt, dan maakt het niet uit waar hij gekeurd is, het gaat over het paard en over het paspoort. Wij hebben het geluk dat we Jan Vink en de Van Mossel Groep achter ons hebben staan, daardoor kunnen we het papier goedkoop houden, onze wedstrijden met prijzengeld organiseren, geweldig. En daarbij houden we onze groep klein. Nergens voor nodig, zoveel personeel. En er blijft bij ons niks liggen! Mooi om dan te zien hoe het AES blijft groeien.”

 

 

Frida Berggren: een Zweedse in Nederland

Frida Berggren: een Zweedse in Nederland

Haar ouders hadden een heel andere toekomst in gedachten voor hun dochter Frida Berggren. En toch werd de Zweedse van beroep ruiter en handelaar. Met kinderen die ze met springruiter Henk van de Pol heeft, woont ze tegenwoordig in Eindhoven en heeft ze de paarden op stal in Veldhoven. Met de ambitie om nu eindelijk de paarden door te kunnen houden en wellicht weer voor Zweden uit te kunnen komen…..

Frida Berggren, net 40 nu, groeide op in Zuid-Zweden, zo’n twee uurtjes van Malmö. In de vakanties werkte ze extra in de manege, trainde ze voor Anders Norrman en op haar 15e kocht ze via Royne Zetterman haar eerste paard. Maar daarvóór liep het niet van een leien dakje: “Mijn ouders zijn geen paardenmensen, toen ik klein was ben ik stiekem met een vriendinnetje meegegaan naar een manege. Ging ik zogenaamd bij haar spelen, en dan leende ik alle spullen om pony te kunnen rijden. Ik heb wel een jaar op de manege gereden voordat mijn moeder het in de gaten had. Toen ik 12 was, kwam mijn eerste pony. We waren naar een pony gaan kijken, maar die kon niet springen, dat was niet zo’n talent. Ben ik thuis weer in de krant gaan zoeken naar toch een andere pony, maar na een paar weken hadden we nog geen andere pony gevonden. Toen belde de verkoopster: of we hem nou wilden. Mijn vader zei: wil je hem nou? Toen heb ik maar ja gezegd, anders had ik niks. Met die pony heb ik een jaar of twee gereden. Met een andere pony was het daarna ook niet zo’n succes, die hebben we moeten laten inslapen.”

Vanaf haar eerste paard ging het langzaamaan beter: “Dat was een Ierse merrie, daar heb ik alles mee gereden. Een vriend van mijn ouders zei: jullie kopen steeds de verkeerde, ik ga met jullie mee. Maar mijn ouders waren niet bereid om veel geld te spenderen. Ik was 15, kreeg een paard van 12 jaar oud dat 1m20 liep, niet moeders mooiste was, heel groot, en hij liep altijd met de kop omhoog. Toen ik 17 was, had ik met hem prijs in het 1m50, maar als ik nou de films terugkijk, dan denk ik: hoe is het mogelijk…. ik had niet zo in de gaten dat een paard talent moest hebben, uiteindelijk waren we gewoon een goede combinatie. Plus daarbij kwam er een jonge Robin Z toen ik 17 was, net zadelmak, heel kijkerig, maar ik heb er uiteindelijk wel EK mee gereden. Ik kreeg elke week les, maar ik hielp om dat te kunnen betalen ook mee op stal en werkte in de manege, vooral in het weekend. Want ik moest m’n middelbare school wel afmaken, vergelijkbaar met hier het gymnasium, en de bedoeling van mijn ouders was natuurlijk dat ik verder zou gaan studeren.”

Toen ze 15 was met Royal Flight

Frida liet zich zo gemakkelijk niet sturen en ze vertrok op haar 19e voor een jaar naar Nederland en België: “Ik kreeg de tip om naar Henk van de Pol te gaan, daarna ben ik bij Ludo Philippaerts geweest, ook nog bij Stephex, plus drie maanden in Amerika, maar eigenlijk mocht ik maar één jaar naar Nederland. Na dat jaar zeiden mijn ouders: of je komt nou naar huis, of we betalen niks meer. En dat gebeurde ook. Mijn moeder heeft me daarna vijf jaar lang elk jaar aangemeld voor een studie op de universiteit, dierenarts worden was wel een optie. Maar de handel in paarden vond ik veel spannender, dat had ik wel geleerd. Het heeft echt lang geduurd voordat mijn moeder zich erbij neerlegde, maar nou komt ze vaak helpen met de kinderen. Ze was altijd bang voor paarden en ze is nog steeds geen held ermee, maar ze vindt het nou wel leuk.”

“Ik ben naar Nederland gekomen om meer internationaal te kunnen rijden, wilde graag in het Zweedse team komen. Bij de junioren was ik niet geselecteerd voor het EK, werd ik wel derde bij de Zweedse kampioenschappen. Na twee jaar in Nederland lukte het wel, op m’n 21e, heb ik voor Zweden EK gereden in Portugal bij de young riders. Toen ben ik wel voor een jaar terug naar Zweden gegaan, daar ben ik eigenlijk voor mezelf begonnen. Paarden zadelmak maken, opleiden, uitbrengen en zo. Maar de omstandigheden klopten niet. We hadden op een paar plekken wat paarden staan, ik vervoerde ze met een trailer, had geen hal. Terwijl je in Zweden toch echt acht maanden per jaar binnen moet kunnen rijden. Ik ben teruggegaan. Eerst heb ik een jaar bij Stephex in België internationaal gereden. Via hen heb ik ook mijn EK-paard kunnen verkopen naar Italië, en dat was eigenlijk mijn startkapitaal om hier voor mezelf te beginnen. Ik was er langzamerhand achter gekomen dat het rijden voor handelsstallen mij toch niet zo paste, ik wilde mijn eigen ding doen. Goed beschouwd leef ik van die verkoop nog steeds van omdat ik sindsdien steeds in nieuwe paarden heb kunnen investeren. En op m’n 23e ben ik met Henk samen gaan wonen, steeds in de buurt van Eindhoven.”

Frida op concours in Iran

Frida Berggren ging paarden verkopen: “De meeste naar Zweden, maar ook naar Japan, Amerika, eigenlijk naar overal. We hadden altijd een stuk of 30 paarden thuis voor de handel. Een druk bestaan was het, want Henk was niet veel thuis, ik runde de stal. Zorgde ervoor dat de stal voor elkaar was, dat de grooms er waren, zeg maar de dagelijkse taken die op een stal moeten gebeuren. De meeste mensen zullen nooit geweten hebben dat ik toen altijd mijn eigen bedrijf erbij heb gehouden: ik heb mijn paarden gekocht, hij de zijne. Toen hebben we nog even de FPH Stables gehad, dat stond voor Frida, Paul van Esch uit Hilvarenbeek en Henk. Met Dan 7T, afkomstig van Paul Schockemöhle, was Henk toen de meest winnende ruiter. Henk kon en kan moeilijke paarden naar prestaties rijden. Maar ja, hij krijgt ze meestal als het bijna te laat is.  Als ze niet meer weten wat ze met een paard aan moeten, dan bellen ze Henk. Beetje jammer dat ze hem niet inschakelen als de paarden een jaar of 7 of 8 zijn.”

“Ik heb altijd in jonge paarden geïnvesteerd, en ik heb –al zeg ik het zelf- heel veel goede jonge paarden gevonden die uitgegroeid zijn tot Grand Prix. Henk wilde vooral de sport doen, hij reed. Hij nam paarden als Zidane van mij over, maar op een gegeven moment heb ik gezegd: en nou ben ik aan de beurt. Met Abeltje en Flicka zat ik soms in het Zweedse team, heb ik een jaar lang intensief concours gereden, zelfs op de longlist voor de Olympische Spelen in Londen gestaan. In de tussentijd heb ik nog even geprobeerd om in Zweden iets op te bouwen. We hadden daar een tweede huis, een boerderij, maar met te weinig grond. Toen het bijna rond was, wilde de buurman de grond toch maar niet verkopen waarop ik een hal en stallen zou kunnen bouwen.  Om paardenhandel te doen, moet je toch hier zitten, ik heb besloten om toch weer terug te gaan, dat was voor Henk ook beter, hij is heel gek met zijn kinderen, een superlieve vader, daar kan ik niks van zeggen. Het was een zware periode in mijn leven waar het even zoeken was met de kinderen en alles om alleen en zonder familie om me heen het te redden. Maar het is helemaal goed gekomen, ik huur nou 18 boxen bij Carel en Lianne Adams in Veldhoven, van wie ik heel veel hulp krijg, de kinderen horen min of meer bij de familie. En ik heb net een huis gekocht in Eindhoven. Carel en Lianne hebben kinderen in dezelfde leeftijd als mijn zoon van 10 en dochter van 8, dat is ook wel fijn. En Henk woont dicht in de buurt, dat combineren we goed.”

Amy is Frida’s dochter, Nanna de dochter van Karel en Lianne Adams

“Ik verkoop vrij veel paarden, ik kan ze ook vrij goed vinden. Zo’n 16 jaar heb ik best veel paarden naar Zweden verkocht, vaak in een gemiddelde prijsklasse. De Zweedse normen zijn hoog, het is een van de moeilijkste landen, het moet allemaal precies kloppen. Alles wordt daar verzekerd plus dat ze drie jaar garantie krijgen. Als ze een verborgen gebrek vinden, stappen ze naar de rechter, je moet heel erg opletten. Gelukkig heb ik het nooit aan de hand gehad. Ik heb veel vaste klanten, soms al tien jaar: mensen die me bellen, die niet eens komen kijken, die zeggen wat ze nodig hebben, ik ga ze zoeken en dan stuur ik ze op. Dat is mijn sterke punt. Meestal gaat het om een beter jong paard of juist om een paard tussen de 6 en 12 dat braaf is, fijn te rijden en correct, makkelijk springen, niet te lomp groot. Het zijn bijna altijd meisjes die erop rijden in Zweden, hè. Die markt is moeilijker geworden want ook kopers in opkomende landen als China zijn daarnaar op zoek. Die paarden zijn daardoor redelijk duur geworden. En daarbij train ik ook regelmatig mensen en ga ik ook vaak naar het buitenland om te trainen of concours te rijden zoals Iran, Jordanië, Egypte en zo. Ik heb begrepen dat ik de eerste vrouwelijke amazone was die in Iran werd uitgenodigd.”

Lesgeven in Jordanië

En nu staat een maand concours in Vejer de la Frontera voor de deur: “Dat is super om de jonge paarden op te leiden. Ja, dat kun je ook thuis doen, maar de vier weken dat ik daar ben, ben ik alleen met die zes paarden bezig, geen 200 telefoontjes per dag, video’s bekijken, rondrijden met klanten. Henk rijdt er ook, en de laatste week komt mijn moeder met de kinderen. Het komt thuis voor dat ik de hele week niet op een paard zit! Ik wil nou iets meer aan het zelf rijden toekomen, ik denk dat ik nou best wel goede paarden heb. En dan langer zelf doorhouden en opleiden, tot 1m50 niveau en dan verkopen, dat is leuker en dat brengt veel meer op. Ik heb ze nou steeds moeten verkopen als ze een jaar of 5 of 6 zijn en dan loopt iemand anders toch met het grotere geld weg. Maar ja, je moet wel overleven. En misschien kan ik dan voor het team gaan als ik de goede paarden krijg.  Ik weet het, je komt er zomaar niet tussen maar ik ben heel fanatiek als ik eraan begin. Het is me eerder gelukt….”

 

 

Anouk Vermeulen: stamboeken willen niks delen onder elkaar

Anouk Vermeulen: stamboeken willen niks delen onder elkaar

Hoe de toekomst er precies uit gaat zien, heeft ze nog niet voor ogen. In ieder geval zeker iets met dieren en het liefst iets met paardenfokkerij en africhting. Daarom studeert Anouk Vermeulen dier- en veehouderij aan de HAS in Den Bosch. Voor haar stage organiseert ze nu de hengstenkeuring van het AES op 8 februari, compleet met feestavond. Hoe ze daar kwam? Eigen initiatief, gebruik maken van je netwerk en een beetje geluk.

Anouk Vermeulen (21) is derdejaars en dat betekent dat ze al enkele stages achter de rug heeft: “De stage bij het AES is een van de twee periferie-stages, dan gaat het om onderzoek bij een bedrijf waar niet echt dieren gehouden worden, die stages zijn allebei 12 weken. In het eerste jaar heb ik al stage gelopen bij Robbert Ehrens in Weert en bij een geitenhouderij in Heythuysen. Dat was bij Frank, van Boer zoekt vrouw. En ik heb net een meewerkstage in Amerika gedaan, bij de Redfield Farms in New Jersey. Daar ben ik terecht gekomen via oud-studenten, die hadden heel goede recensies daarover. Ik ben er samen met een vriendin heen geweest, en hebben zes weken lang een geweldige tijd gehad. Rond de 120 springpaarden en hunters hadden ze daar, met Cassandra Kahle als hoofdamazone en Emile Spadone als eigenaar. Geweldige mensen, iedereen was zo aardig, het was meer een grote familie. Paarden rijden, paarden klaarzetten en mee op concours, dat was het werk. Heel anders dan in Nederland, het waren concoursen met meer dan tien wedstrijdringen en er gingen 30 paarden mee. We woonden in een groot huis waar alle medewerkers woonden, prima geregeld. Van de stagevergoeding zijn we daarna nog een paar weken in Amerika rond gaan reizen.”

Vanuit Amerika ‘regelde’ Anouk haar stage bij het AES: “Ik wist dat Robbert Ehrens jurylid is bij het AES. Heb ik hem ge-appt, of hij een stageplaats wist bij het AES omdat ik sowieso iets met fokkerij wilde doen. En het is dicht bij huis in Handel bij Gemert, waar thuis mijn paarden staan. Dat is zo gegroeid. Mijn ouders hebben een dierenpension, met vroeger als paard alleen twee Shetlanders, vooral als grasmaaier, zeg maar. Op manege De Stap ben ik als klein kind begonnen, later ben ik opzoek gegaan naar een verzorgpony, nog later kwam onze eerste eigen pony, die ik samen met mijn zus moest delen. Daarna kwam mijn tweede pony die we zelf ingereden hebben en waar ik M-dressuur en M-springen mee heb gedaan. Toen ik over ging naar de paarden hebben we een 4-jarige merrie gekocht, Gwendolien, net zadelmak, een Ustinov x Indoctro. De fokker, Martien van den Berg uit Boekel, heeft ons als familie een beetje aangestoken. We hebben aan de centrale keuring meegedaan en we mochten naar Ermelo! Toen kregen we steeds meer belangstelling voor de fokkerij. We hebben van hem nog een veulen gekocht, dat wilde hij graag toen hij op zijn ziekbed lag, niet lang daarna is hij overleden. Vanaf toen hebben we elk jaar een veulen gekocht. Mijn ouders hadden er niet echt verstand van, we leerden het samen.  Vooral ons pap heeft nu ook de hobby in de fokkerij gevonden. Het veulen dat we toen gekocht hebben, wordt nu vier, en doet het nu erg goed. Hij springt geen wolken lucht maar dat hoeft ook niet. Gwendolien staat nu bij Jari van den Biggelaar in Geffen, die gaat haar Z starten. Mooi voor een sportpredicaat. En ik leer er weer van, want ik heb zelf nooit hoger dan M gesprongen.”

Anouk met haar merrie Gwendolien (Ustinov x Indoctro)

In de tussentijd was Anouk geen voorbeeldige leerling op de havo in Gemert: “Ik was liever op stal dan dat ik met mijn huiswerk bezig was. Via de vavo heb ik vakken gedaan omdat ik gezakt was, kon ik thuis mooi meewerken in het pension en met de paarden. Dat was natuurlijk een relaxed leventje. Toen ik naar de HAS ging, was dat wel weer even wennen. Daarom heb ik het eerste nog maar een keer overgedaan. Toen leek dat heel erg, nou denk ik: het was een extra jaar om erover na te denken of ik de dierhouderij of paardenhouderij in wil. Maar ja, ik weet het nog steeds niet helemaal. In de paardenhouderij is het lastig om iets te vinden of te beginnen.”

Het app-je vanuit Amerika naar Robbert Ehrens bleek een goede zet: “Hij gaf het nummer van Joris, de directeur van het AES, en ik was nauwelijks terug uit Amerika of ik kon al bij hem langs voor een gesprek met hem en Mayke, met jetlag. Op 12 november ben ik er begonnen, we hebben samen een opdracht gemaakt en dat was het organiseren van de hengstenkeuring. Het AES bestaat nog maar vijf jaar in Nederland en dat betekent ook dat er gewerkt moet worden aan de naamsbekendheid. Ik heb veel literatuuronderzoek gedaan en best veel marketingzaken bekeken. Maar wat me vooral opvalt, is dat stamboeken niks willen delen onder elkaar. Naar elkaar toe zijn het vooral concurrenten, veel meer dan collega’s. Ik heb een enquête gedaan onder de fokkers met best veel reacties, bijna 170, met heel veel tips. Ik ben meegegaan naar de hengstenkeuring in Zuidbroek, naar de opwaardeerkeuringen in België plus naar de keuring bij Kees van den Oetelaar thuis. Zo heb ik snel een goed beeld gekregen. Ik heb gemerkt dat het AES nog best onbekend is, vooral bij de oudere fokkers. Veel mensen weten ook niet dat een goedgekeurde hengst verschillende statussen kan hebben. Ik vind het een mooi systeem dat we nu via fokkersverenigingen, social media en mond-tot-mond reclame bekender aan het maken zijn.”

Anouk assisteert de juryleden Robbert Ehrens, Robin Beekink en Koen Olaerts

Op 8 februari is de hengstenkeuring van het AES, het Anglo-European Studbook:”Dat is ook meteen mijn laatste dag hier, ondertussen maak ik mijn onderzoeksverslag. Het draaiboek voor de hengstenkeuring dat ik gemaakt heb, is onderdeel daarvan, plus de hengstenkeuring zelf natuurlijk als product. Op 8 februari worden de hengsten eerst aan de hand op de straat getoond, daarna gaan de jonge hengsten los in de kooi. De hengsten die zadelmak zijn kunnen een zadeltest afleggen, de springhengsten moeten enkele sprongen onder het zadel laten zien en de dressuurhengsten laten enkele figuren onder het zadel zien. Na de enquête was een van de vele tips dat fokkers het leuk vinden om contact met elkaar te hebben. Daarom organiseer ik na afloop van de keuring op 8 februari ook een leuke feestavond. Gelukkig is het allemaal te overzien en zijn de mensen in de organisatie heel gemakkelijk. Problemen worden altijd en snel opgelost, en iedereen is bereid met me mee te denken.”

En dan verder: “Volgend jaar in vierde jaar ga ik afstuderen, maar daar heb ik nog geen precieze plannen voor. Je kunt bijvoorbeeld kiezen zelf een bedrijf oprichten of om bij een bedrijf af te studeren. De HAS in Den Bosch is een fijne opleiding die best veel opties openlaat. In de tussentijd zit ik ook in het bestuur van HAS Hippique, een club van zo’n 165 paard-gerichte studenten. We organiseren lezingen, uitstapjes naar bedrijven en zo. Ik doe er vooral de social media, de organisatie van de uitstapjes en de sponsoring. Dat is niet gemakkelijk, terwijl je als bedrijf toch al mee kunt doen voor € 50,- per jaar. Dan worden de stageplekken en vacatures gedeeld via het HAS Hippique-netwerk en komt je naam op de sponsorpagina. En het duurste pakket is € 150, per jaar, dan krijg je Facebook-aandacht, jaarlijks een ‘in the picture’-bericht plus vermelding van je logo op het sponsorbord op school. Het zou wel gaaf zijn als mensen zich via dit verhaaltje melden!”

 

Kees van den Oetelaar: zobaka boem!

Kees van den Oetelaar: zobaka boem!

Praten met Kees van den Oetelaar is luisteren naar verhalen. Want de handelaar, paardeneigenaar, fokkerijliefhebber, stamboekeigenaar, veilingorganisator en familieman heeft veel te vertellen. In deel 1 ging het vooral over de handel, over Concorde en over zijn band met de familie Nijhof. In deel 2 hebben we het vooral over de veilingen, waar ook de nodige verhalen aan verbonden zijn…..

De veiling is natuurlijk een aspect van de handel, de passie van Kees van den Oetelaar. Hij noemt het zelf een ‘veilingvirus’: “En dat is al vroeg begonnen. Toen ik eigenlijk nog op school moest zitten, mocht ik al mee met Frans Liebrechts uit Den Bosch. Naar Ierland om jachtpaarden te zoeken voor meneer Bolsius, van de kaarsenfabriek hier in Schijndel. Kwamen we terecht bij de Goresbridge Sales, zo heette het geloof ik, daar werden zo’n 800 paarden geveild een keer per jaar. Zoiets als de Zuidlaarder markt, maar dan alles veilen. Ik was zo onder de indruk, ik vond het zo mooi, maar ik was denk ik 16 en ik sprak geen woord Engels. Drie of vier dagen aan een stuk paarden veilen. Dat is altijd in mijn kop blijven spelen. Maar paardenveilingen bestonden toen niet in Nederland, hè.”

De tweemaandelijkse Olympic Sale in Uden is een van de voorlopers van de tegenwoordige veilingen geweest. Dat begon ergens anders: “Een van de beste fokkers van trekpaarden, Brooijmans uit Zeeland, kenden we goed van de markt, hij bracht voor ons moeder altijd klei-aardappelen mee naar de markt in Utrecht. Met Albert uit St.-Michielsgestel, die bij mij 40 jaar chauffeur is geweest, ben ik een keer paarden gaan zoeken in Zeeland. Ik had geen rijbewijs hè, te jong. Naar Brooijmans, om van daaruit rond te kijken. Komen we in Terneuzen bij George van der Meijden, die had een paardenspul. Van der Meijden was een belasting-expert, die heeft later voor de paardenwereld veel betekend. Komen we bij de boer erlangs om paarden te kijken, komt Martin van den Tillart uit Veghel om de hoek gelopen, leraar in Deurne, die organiseerde die paarden met Van der Meijden. En er was een ruiter aan het werk, Rudy Leone uit Amerika, een broer van Mark Leone. Waren ze paarden aan het proberen voor een veiling in Tampa in Florida, dat zal ergens eind jaren ’70 geweest zijn. Over twee maanden zou Leone weer terugkomen, dan moesten er weer nieuwe paarden zijn. Heb ik tegen Martin van den Tillart gezegd: ik wil paarden daar in de veiling. We hadden een stuk of vijf of zes paarden geselecteerd, twee daarvan mochten naar Tampa. Een paar maanden naderhand kwam George van der Meijden mij de winst brengen, dat was goed. En toen zijn we in Uden met de veiling begonnen.”

Kees in de kroeg in de tijd van de veilingen van Tampa

De Olympic Sale in Uden in de jaren ’80 kende een organisatiecomité. Naast Kees van den Oetelaar waren dat Martin van den Tillart, Piet van Grunsven van de manege, hoefsmid Gert Wijdeven en melkveehouder Cor van Boxtel: “We hebben het wel een aantal jaren gedaan, dat ging heel goed. Zo druk, alles kwam erop af, was elke keer een feest. Maar wel een hoop werk. Om de twee maanden een veiling, met vaak paarden van andere eigenaren. Maar op een gegeven moment was het toch te moeilijk om elke twee maanden nieuwe interessante paarden te vinden. En er kwam nog wat bij. We hadden wel elke twee maanden veiling, maar we hadden ook elke week vergadering. En dat liep elke week he-le-maal uit de hand. Zo gezellig. Maar Cor van Boxtel was ’s ochtends te laat thuis voor het melken, Tillart te laat in Deurne, kun je je dat voorstellen? Dat hou je niet vol. Ik was nooit te laat want ik was zelf baas.”

“En toen belde er een man op, of het interessant was om een volbloed-Arabierenveiling te houden. Wij zouden erover nadenken maar ik dacht, dat kan ik makkelijk zelf. Russische volbloed-Arabieren kun je vanuit Nederland heel goed naar andere landen verkopen, zoals Amerika. Dat deed toen alleen Robbie den Hartog. Ik met Hans Dings naar Rusland gevlogen. In Moskou hebben we een auto gehuurd, met Igor als chauffeur en Vladimir als tolk. Wij naar het hotel, maar dat was net de nacht dat er een aanslag werd gepleegd op Gorbatsjov. Hebben we drie dagen in dat hotel moeten zitten, niemand mocht erin of eruit. Op een gegeven moment komt Igor ’s ochtends binnen, roept hij ‘Zobaka boem’ of zoiets. We begrepen er niks van maar toen Vladimir kwam was het duidelijk: hij had een zobaka, een hond, voor op de auto gehad, Igor was helemaal van de wijs. Toen zijn we met de trein naar Briansk gegaan om Orlof dravers en Arabieren te kunnen kopen. Buiten was het 35 graden onder nul, en in de trein was de thermostaat van de kachel kapot, daar was het 60 graden heet. Meer dan een dag hebben we in de trein gezeten. Komen we daar aan, was het feest, met veel wodka en brood, iets anders lustte ik niet.  Het enige woord dat ik kende was ‘zobaka’ en ik had een hoop drank op, ik zei overal zobaka. Komt er een man naar me toe met de tolk: hij kon regelen dat ik afgerichte politiehonden kon kopen. Heb ik daar 31 afgerichte politiehonden gekocht. En 150 paarden, maar die zijn nooit aangekomen. De honden wel. Oh ja, op het feest in Briansk zaten we in de sauna, zeg ik tegen Hans Dings voor de grap: ik heb ook nog vier vrouwen gekocht, daar werd Hans ter plekke helemaal zenuwachtig van, zoals hij zenuwachtig kan zijn. Die dacht: hij is er gek genoeg voor.”

Kees kocht deze Naturel-merrie (volle zus NRPS-hengst Naoud) bij Toon Beekmans in Gemonde, via Egbert Schep (foto) werd ze geveild in Den Bosch, verkocht naar Italië, daar kampioen bij de 5-jarige springpaarden.

“Even later was ik in Friesland schapen aan het halen, zegt m’n zus Carolien aan de telefoon: er is hier een man uit Rusland met een vrachtwagen honden! Tegen onze Wim gezegd: maak een paar boxen leeg en doe ze daarin. En geef die chauffeur zo veel te drinken als hij kan. Toen ik thuiskwam, lag ie onder de tafel. Ik naar de honden gekeken: waren het Berner Senners! Ik aan die man gevraagd naar de afgerichte politiehonden, zegt ie: die zijn in Polen uit de wagen gevallen. Ik heb hem 3800 gulden afgerekend. Een heb ik verkocht aan een pensionklant voor 400 gulden, de rest heeft Hans Dings verkocht aan een hondenhandelaar voor 250 gulden. Niet per stuk, nee, voor alles.” Maar het verhaal ging verder: “Efkes later kocht ik bij dokter Moors in Acht acht Arabieren, hengstveulens, Nederlands gefokt. Die heb ik met die hondenpapieren erbij verkocht ik naar Italië. Als een grap, maar het ging wel. Een week of vier naderhand belt de Italiaan me op: er belde een vrouwtje uit Napels, die had een veulen gekocht en die zei dat er hondenpapieren bij zaten! Na een paar dagen hadden alle kopers gebeld. Natuurlijk hebben we dat wel opgelost.”

Behalve op de eigen Molenheide vonden ook in België veilingen plaats: “Ik heb er twee met Axel Verlooy en Koen Olaerts georganiseerd, veulenveilingen in de winter. In die tijd is Koen Olaerts ook veilingmeester geworden. Op de Panhof hebben we het hem ’s avonds aan de bar geleerd, in de kroeg. De veulenveiling hielden we in de Azelhof in Lier, op het concours van Axel Verlooy. Axel zei twee weken van tevoren: alles is klaar, Kees, alle vip-tafels zijn verkocht. Maar er had zich nog niemand aangemeld met een veulen, twee weken van tevoren. Axel, Koen en ik hebben toen twee weken overal rondgereden, in Holstein, Hannover, Nederland, België, gewoon omdat we van alles wat wilden hebben. De eerste twee dagen hadden we al 25 veulens gekocht. En we hadden ze allemaal verkocht voordat de veiling begon, deelden we de winst met de kopers als er hoger geboden werd. Maar het mooiste vond ik dat ik daar Lord Z teruggekocht heb. Lord Z verkocht ik als internationaal sportpaard aan de dochter van een Russische tsarenfamilie, die hadden hem volgens mij bij John Whitaker staan. En zij had interesse in een veulen van Argentinus dat wij in de veiling hadden. Ik heb Lord Z die avond teruggekocht, in de goede tijd van Küchengirl, daarna dekte hij zomaar 600 merries.”

Op de Goresbridge Sales gekocht en doorverkocht naar Harrie de Leijer in Amerika

“Veilingen trekken me toch altijd. Hoe Schockemöhle, Van Olst, Hendrix dat doen, dat vind ik heel mooi. Daarom ben ik vorig jaar ook met Dennis en Jurgen Swennen in zee gegaan. Paardenjongens die daar heel hun hart in hebben zitten. Nou hebben we op 31 januari weer een veiling, in Bocholt. Heel anders dan vroeger, want nou moet je veel meer informatie geven, ze zijn röntgenologisch goedgekeurd, je moet garanties geven. Vroeger hadden we in Uden wel mee-bieders, maar dat doen we hier al lang niet meer.  In de veiling in Bocholt komt 90% van de paarden recht van de fokker af. Er zitten heel goede paarden bij, waar je later zeker iets van terug hoort in de sport. Top gefokt, super springen, allemaal goedgekeurd.”

De veiling is een vervolg op de driedaagse afgelopen september: “Toen zijn we een paar dingen vergeten. Na de veiling zijn mensen naar ons toe gekomen: dat en dat paard dat verkocht is, is via mij verkocht. Op één paard heb ik drie keer commissie afgerekend. We hebben die mensen netjes afgewerkt en we doen dat zo nooit meer. Als iemand geadviseerd wil worden, moet ie dat met de adviseur zelf regelen. Dat moeten we in de reglementen zetten. En we hebben niet goed genoeg op de kosten gelet. Met de paarden hebben we geen problemen gehad, wel met afrekenen. We hebben nou nog paarden die niet betaald zijn, vooral naar het buitenland. Wel met grote flessen champagne zwaaien maar als er betaald moet worden, dan wordt het anders….in april gaan we een extra veiling houden, daar hoor je binnenkort meer van. En in september direct na Lanaken komt er weer een.”

 

Roos Hermans: een kantoorbaan is niks voor mij

Roos Hermans: een kantoorbaan is niks voor mij

Roos Hermans heeft een beroep waarvoor eigenlijk geen naam bestaat. Animal attendent? Flying groom? In elk geval verzorgt ze het transport van paarden naar andere landen, waar ze ze persoonlijk aflevert. Dat betekent hard werken: “24/7 aan het werk is natuurlijk wel wat veel maar mijn telefoon staat wel 24/7 aan voor het werk. Maar dat kan ook niet anders in dit beroep.”

Het lijkt allemaal heel romantisch, dat werk van Roos Hermans. Maar je moet er veel voor opzij willen zetten omdat de paardenverzorging altijd doorgaat. Plus dat ze werkt voor het groeiende bedrijf Horse ET in Ravenstein waar het sowieso ‘alle hens aan dek’ is. Hoe kom je nou aan zo’n baan? In Oss stond in 1993 de wieg van Roos, op een boerderij waar ze opgroeide in een gezin met drie kinderen: “Van m’n opa kreeg ik natuurlijk meteen een pony, daar groeide je mee op. Zijn melkveebedrijf heeft mijn vader nooit doorgezet, iedereen in de familie is de agrarische kant opgegaan maar mijn vader’s hart lag daar niet, hij is interim-manager. Ik ben de oudste, mijn broer en zus studeren nog, mijn moeder werkt bij een dierenarts. Het was bij ons normaal dat iedereen altijd aan het werk was thuis. De paarden en alle kleinvee zijn altijd een hobby gebleven, zeg maar een uit de hand gelopen hobby.”

Sportief stelde de paardencarrière van Roos niet zoveel voor: “Eigenlijk ben ik weinig op concours geweest. Ik dressuurde en dat duurt toch even voordat je met een paard op concours kunt. Maar ja, ging ik drie keer op concours, dan had m’n vader ‘m alweer verkocht. De hobby moest wel betaalbaar blijven. Ik was handig genoeg in het rijden, dat was wel een voordeel. Zo ben ik ook in Deurne terecht gekomen. Eerst een jaartje een opleiding voor pedagogisch medewerker maar dat was eigenlijk niks voor mij. En toen Deurne maar dat was toch niet voor mij weggelegd. Toen ik daar zat, waren er heel veel leerlingen die er weinig van wisten. We hadden ook wel leuke vakken, maar 80% deed ik dagelijks al. Paarden binnenzetten en voeren, correct een paard opzadelen, dat leerden wij van huis uit. Leuk voor als je op een manege wilt gaan werken, die huis-tuin-en-keuken dingen. Maar die Penny’s konden goed met elkaar overleggen welke kleur Anky-dekje ze die dag zouden gebruiken, pfff, niks voor mij.”

Roos wist niet goed wat ze wilde maar ze moest toch iets: “Eerst heb ik op verschillende stallen wat gewerkt. Tot iemand me belde dat ze bij de Equine Elite veiling in Weert iemand nodig hadden voor de verzorging van de paarden. Dat vond niet iedereen even gemakkelijk maar ik kon er goed mee omgaan. Maar op een gegeven moment brak de afstand van Oss naar Weert me toch op, anderhalf uur heen en anderhalf uur terug, dat schoot niet op. Dat had ook te maken met de verdiensten natuurlijk. En toen belde Marjolijn van Horse E.T. Ik kende haar al zeker tien jaar, vanaf toen ik in mijn schoolperiode voor Nikay van Duren een paar paarden reed bij stal Swanenberg waar zij toen ook stond met haar zoon Rob Wiering. Roos, zei ze, ik heb te veel paarden staan en ik heb iemand nodig naar wie ik niet om hoef te kijken. Kun je asjeblieft even komen helpen tot ze weg zijn. En toen kwam ik, en nou ga ik niet meer weg. Alles stond vol en er bleven maar paarden komen.”

Paarden per vliegtuig transporteren betekent paarden stallen, dan vervoeren naar het vliegveld, dan de vlucht, dan landen en afleveren. Horse E.T. verzorgt het allemaal, met de nadruk op vluchten naar het Midden-Oosten. De eerste vlucht was voor Roos direct een flinke uitdaging: ”De eerste keer hadden we 52 paarden op een vlucht, dat was mijn vuurdoop. Je kunt beter in het diepe gegooid worden, dan zie je snel hoe het werkt. Alles eromheen was nieuw voor me. Van buitenaf kun je denken? Hoe moeilijk kan het zijn? Je zet een paard op een vrachtwagen en twee dagen later is ie in een ander land ver weg. Maar het was doorwerken, heel snel, en voordat ik het wist, was ik alweer terug. We waren met z’n vieren toen, met mensen om me heen die het vak al lang kennen.”

“Je leert snel op alle fronten: welke paarden kunnen wel of niet bij elkaar, welke stallen vooraan, welke stallen achteraan. Ze kunnen heel braaf zijn aan de hand, maar in een box van een vliegtuig kunnen ze ook een varken zijn. Ik heb er eentje met claustrofobie gehad, dat was nog voordat we de lucht ingingen. Dan moet je snel schakelen: hoe ga je dat oplossen. Je zorgt dat ze wat verdoving krijgen, je geeft ze ietsje meer plek. Dat kun je allemaal van tevoren niet zeggen, het is handelen op dat moment. De ene keer lukt het meteen, een andere keer probeer je tien dingen uit. Je moet kunnen schakelen, wij zijn immers degenen die de paarden veilig van a naar b transporteren.”

“Een cargo-vlucht is totaal anders dan een passagiersvliegtuig, waar je gaat zitten en van a naar b gaat. Met de paarden heb je geen stewardess die je eten komt brengen. Als je met meer grooms bent, maak je het met elkaar gezellig, je zit toch een uur of zes opgesloten. Er is wel eten en drinken aan boord maar je bent je eigen stewardess. Bij aankomst gaan de paarden eruit, en zelf ga je zo lang mogelijk mee met de paarden. Dan ga je zelf door de douane en dan weer terug naar de paarden op het cargo-gedeelte van het vliegveld. En daar overhandig je ze aan de nieuw eigenaar of de groom, of ze gaan door naar een quarantainestal. Dat doen we bij Horse E.T. allemaal zelf, we besteden niks uit. Daarom is het ook belangrijk dat we de paarden thuis zelf op stal hebben, we kennen ze. Ik kan de klanten vertellen hoe de reis was, dat we ‘m van tevoren nog even gelongeerd hebben, dat ie goed gedronken heeft op de vlucht. Dat is de manier waarop we werken en dat wordt gewaardeerd.”

Als transporteur heb je ook te maken met cultuur- en karakterverschillen: “Je moet daar creatief in zijn, je hebt vaak met een ander slag volk te maken. Sta je daar midden in de nacht en is er iets niet in orde, of collega-transporteurs die de papieren niet in orde hebben, waardoor ze dreigen het uitladen te blokkeren. Dat betekent dan heel veel praten, met uiteindelijk een compromis. Die van ons waren al vrij, twee uur later kwamen die andere paarden eraf. Moet je je voorstellen dat het 32 graden is en vol in de zon. Voor die mensen maakt het niet uit wat de cargo is, autobanden of paarden. Het zijn altijd leken, die niks met paarden hebben. Ze vinden het mooi, dat wel, ze willen altijd mee op de foto. Maar ze weten niet het verschil tussen de voor- en achterkant. En dan heb je nog eigenaren, mensen die opeens niet willen dat hun paard met een ander paard in een box staat. Of mensen die per se hun eigen paard als eerste willen ontvangen. Maar ja, je wilt een merrie met veulen niet met andere paarden tegelijkertijd lossen. Maar eigenaren hebben daar vaak geen boodschap aan. Het is belangrijk dat je er zelf bij bent om de goede beslissingen te kunnen nemen. Ik heb bij andere bedrijven weleens gezien dat een paard losbrak, de eigen groom was al weg, de eigenaren moesten zelf lossen. Ik stond bij de dierenarts, kwam er een langs galopperen. Dan help je mekaar wel, natuurlijk.”

Werken in deze business betekent onregelmatig en onvoorspelbaar: “Elke week ben ik wel weg, soms twee, soms zelfs drie keer in de week. Ik weet nu niet waar ik over een maand ben. Vrienden zeggen weleens: nou joh, een beetje in een vliegtuig zitten, beetje paarden verzorgen en dan met je luie reet aan het zwembad zitten. De werkelijkheid is echt anders. Ze vergeten dat je ’s nachts om 1 uur vertrekt, heel de dag en nacht aan de sjouw bent, een paar uur slaapt en dan het vliegtuig terug naar huis pakt.  Je komt ’s avonds laat binnen op Schiphol, komt diep in de nacht thuis, en de volgende ochtend staan de paarden er weer. Drie uur ’s nachts of twee uur ’s middags, dat kun je in ons werk nooit van tevoren zeggen. Heel soms probeer ik een dag te blijven om nog wat sightseeing te doen, zoals laatst in Taiwan waar ik twee dagen gebleven ben. Daar moest ik die kleding van de foto aan, in de quarantainestal. Klanten hebben me toen meegenomen om het land te bekijken, een nationaal park, een keer daar het concoursterrein bekeken, wezen eten, heel leuk. Je hebt het dan toch een keer meegemaakt.”

Roos doet het werk nu ruim anderhalf jaar: “En ik hoop het nog heel lang te kunnen doen. Het is een levensstijl, maar ik haal er heel veel voldoening uit. Een kantoorbaan is niks voor mij. En ik heb het geluk dat Marjolijn en ik perfect samenwerken. En straks? Vliegen is hartstikke leuk maar je wilt meer, het is ook het werk erachter. We groeien hard, dan is het leuk om zelf meer te managen, zodat Marjolijn ook andere dingen kan doen dan de hele dag regelen. Verkering? Nee, dat past niet, heel eerlijk, hoe ga je dat doen, hoe leg je dat uit……”