by Redactie | 07 January 2019, 15:30
Marielle Wiegmans is van een vrolijke, doortastende nuchterheid. En gedreven als weinig anderen. In 1996 was ze de jongste vrouwelijke bestuurder in een beursgenoteerd bedrijf. “Lekker boeie,” klinkt het nu. Vijf jaar geleden richtte ze Sportfonds Parapaard op, waarmee ze sindsdien razend druk is. De strategie om geld binnen te halen gaat nu veranderen want: “Die mannenborrel? Na een kwartier kwamen onze jonge meiden naar buiten, huilend. Doe ff normaal.”
Ze noemt zichzelf ‘een soort doorgewinterde plaat-voor-je-kop-Miep’, een mentaliteit die nodig is voor dit ‘vak’. Naast haar drukke baan in de financiële wereld en het sociale leven, is Parapaard ‘een uit de hand gelopen hobby’. Het is opmerkelijk en bewonderenswaardig hoezeer Marielle Wiegmans, vooraan 50, zich inzet voor de bevordering van het paardrijden voor gehandicapten: “Ik heb de ellende gezien, vond dat er wat moest gebeuren in de breedtesport. Paardrijden is voor gehandicapten namelijk een héél goede sport. Maar als je ouder bent van een gehandicapt kind, komt het niet als eerste in je op om je kind op een paard te zetten. Als dat wel gebeurt, zie je dat het ontspant aan alle kanten, je krijgt een grijns terug van oor tot oor. Met Parapaard willen we mensen bewust maken van wat paardrijden doet voor gehandicapte mensen.”
Marielle Wiegmans groeide op in Breukelen, reed pony bij manege Gunterstein en sprong Z: “Bloedfanatiek was ik, niks leukers dan paardrijden. Ik dacht: ik ga van paardrijden mijn werk maken maar dat vonden mijn ouders geen goed idee. Die hadden een watersportbedrijf, boten en ligplaatsen en zo, in elk geval totaal geen paardenmensen. Toen ik 18 werd, moest ik meteen mijn vrachtwagenrijbewijs halen zodat ik mezelf kon redden. Ik had ook niet het heilige talent om echt in de paarden aan de slag te gaan. Toen ben ik bij de Rabobank gaan werken, eerst in Maarssen en toen in Utrecht. Via de Rabobank ben ik op de optiebeurs in Amsterdam terecht gekomen. Bij AOT, Amsterdam Option Traders, mocht ik beginnen als klerk om daarna marketmaker te worden. Toen zag ik het licht, dat vond ik mooi. Ik ben jarenlang handelaar in opties geweest op de beursvloer, met zo’n hesje aan. Drie vrouwen waren er op de hele beurs. Dat was natuurlijk verschrikkelijk in die tijd, je werd natuurlijk uitgeprobeerd tot en met, op alle fronten. Maar….. langzaam word je toch ‘one of the guys’.”

Samen met haar partner Hans, die ze op de manege had leren kennen, kocht ze in 1986 een watersportbedrijf De Evenaar in Breukelen: “Ik heb het eerst gecombineerd met mijn werk maar toen er een plek in het MT vrijkwam bij AOT, moest ik daar wel fulltime gaan werken. In 1996 ben ik bij AOT in de raad van bestuur benoemd. In de tussentijd had ik geen tijd meer om paard te rijden, ik was ook teveel in het buitenland. Ik ben ermee gestopt met het idee: dat komt wel weer terug. Niet dus. Hans ging gewoon door met De Evenaar, en ik hielp alleen nog met de grote beurzen, meehelpen met de handel. Dat was ik van vroeger uit gewend, als jong meisje al. Ik mocht ponyrijden maar ’s ochtends stond ik wel bij het pompstation. Kon ik ook een beetje bijdragen, de waarde van geld leren kennen. Het verschil tussen rubberen en leren rijlaarzen moest ik zelf bijverdienen. Achteraf ben ik zo blij dat ze dat zo gedaan hebben. Ik was er super zuinig op m’n spullen, dat was natuurlijk goud!”
In 2004 stopte Mariëlle bij AOT en kwam ze in aanraking met de gehandicapten paardensport. Ze kwam erachter dat veel stichtingen die paardensport voor gehandicapten aanbieden veel geld te kort komen: “Met een groep mensen die een stichting vertegenwoordigen zijn we een profielplan gaan schrijven, gericht op de breedte van de sport en op het therapeutisch paardrijden. Ik heb zes stichtingen verdeeld door het land gevraagd: willen jullie in de denktank? We hebben een Raad van advies in het leven geroepen, waarvan o.a. Carl Verheijen lid is, de oud-schaatser, hij gaf de tip om ons aan te sluiten bij het Fonds Gehandicaptensport. Door deze aansluiting is er know how over de goede doelen wereld aanwezig en is ook de continuïteit van het fonds geborgd. Tevens beschikte we door deze aansluiting ook over het CBF keurmerk en de ANBI-status, waardoor de donateur een belastingvoordeel krijgt.”

“Maar ja, paardrijden is toch anders, omdat je met twee levende wezens te maken hebt, daar komt veel meer bij kijken. En nu zijn we als Parapaard de afdeling paard van het Fonds Gehandicaptensport. Alle aanvragen worden door het Fonds onafhankelijk beoordeeld of het aan criteria voldoet, anders kan het bestuur het vanuit allerlei voorkeuren gaan doen. De onafhankelijke beoordelingscommissie geeft een advies aan het bestuur van Parapaard. Soms vragen we een jaarrekening van de betreffende stichting op als we twijfelen aan de aanvraag. Zien we bij voorbeeld dat er een openstaande debiteurenpost is van 25k op zo’n klein budgetje. Of jaarrekeningen zijn helemaal niet recent. Maar het team van Parapaard, dat bestaat uit heel veel vrijwilligers, staat wel in weer en wind om geld op te halen! Dan zeggen we: we gaan eerst zorgen dat je jaarrekening op orde komt. Daarvoor proberen we een administratiekantoor in de buurt te vinden die de betreffende stichting hiermee gaat helpen. En als dat keurig op orde is, wordt alles makkelijker. We hebben inmiddels ook een compleet backoffice programma, een speciale toepassing van HorseManager. Joan van Gorkum verdient een lintje voor zijn bijdrage aan het goede doel, wat die doet, is ongelofelijk. Ik kwam hem een keer op een evenement tegen en toen hebben we gepraat over hoe we structureel maneges zouden kunnen helpen. Hij heeft een programma gemaakt, helemaal op maat, echt voor een habbekrats. We hebben eerst een pilot gedaan met vier maneges, dat is goed gegaan, en nu gaan weer drie maneges ondersteunen die het ook oppakken.”
Het bestuur van Parapaard heeft een eigen signatuur: “Ja, allemaal vrouwen met een eigen bedrijf, da’s heel apart. Vier vrouwen en Nike Boor, de directeur van het Fonds Gehandicaptensport. En daaromheen een enorm team van vrijwilligers die op evenementen staan. Plus de ondersteuning van Gijs van Butselaar. We hebben een super bestuur, iedereen loopt en rent en doet. Maar we moeten het met elkaar aan de praat houden. De bijdragen aan de gehandicaptensport zijn afhankelijk van giften. Ik kakel makkelijk, ga er wel op af, maar geloof me: bedelen is eigenlijk dramatisch, dat zullen mensen die sponsors werven zeker herkennen. Als ik ergens nieuw ben, zie je ze denken: he, die kennen we nog niet, interessant…. maar na een jaar is dat over, zeggen ze: oh jee, daar komt ze weer. Zitten die mensen lekker op de VIP, komt er weer iemand voor het goede doel. Ik herken het ook zo. Maar dan denk ik nee, kop omhoog, gaan, toch doen. Vooral jonge mensen vinden dat heel moeilijk. Daarom gaan we naar minder evenementen. Laatst in Vledder bij de Friese paardenveiling hebben we drie dekkingen mogen verloten, dat bracht in totaal € 3700,- op voor Parapaard, dat schiet op. We halen nu tussen de ton en anderhalve ton binnen, materieel en immaterieel. Met heel veel trouwe sponsors uit de paardenwereld, zoals Stoeterij Sterrehof, geweldig wat ze gedaan hebben, maar ook Anemone en een aantal paardensportbedrijven zoals Perlee Stables, en natuurlijk een aantal bedrijven uit de financiële wereld. En we verkopen onze Kareltjes, die in Kenia gemaakt worden door plattelandsvrouwen. Mooi van lelijkheid zijn ze, maar veel mensen kennen ze. Daar komt nu ook Karolientje bij. En een boekje en nieuwe figuren dadelijk, dat bieden we aan op evenementen en in de webshop, ook in de KNHS webshop.”

Het doel van Parapaard is om structureel geld op te halen en deze tak van sport te borgen: “Het kan niet zo zijn dat je afhankelijk bent van een vrijwilligersorganisatie. Uiteindelijk moet ieder goed doel ernaar streven om te worden opgeheven als de doelstelling is bereikt. Paardensport gehandicapten is een van de weinige sporten die niet structureel worden ondersteund. Je hebt g-voetbal, g-hockey, g-zwemmen, g-wielrennen, g-tennis, allemaal geïntegreerd in de reguliere sport.”
Parapaard maakt paardrijden voor gehandicapten toegankelijk, ook als ze nog niet paardrijden: “Dat kan betekenen dat er meer maneges moeten komen. Zo zijn in het Noorden maar weinig maneges, in Limburg zijn er maar twee, da’s heel apart. In Brabant heel veel meer. Dat betekent druk bezig zijn met provincies om steun te zoeken. Er komt ook heel wat bij kijken om het naast je reguliere activiteiten als manege te doen. Speciale zadels, een lift, je hebt aparte paarden nodig, noem maar op. Daarom is het goed dat het project Uniek Sporten er is: alle gemeentes geven dan aan wat het aanbod is. Het principe is dat je binnen een straal van 30 kilometer de sport kunt doen die je wilt. Dan hebben we cijfers en kunnen we maneges benaderen. En maneges kunnen ook zelf aan de slag. Het is de bedoeling dat als jij als sporter een passende manege wilt vinden bij jou in de buurt, dat dat dan kan met een druk op de knop via www.unieksporten.nl.”
“Stoppen komt nog niet in me op. Er is nog veel werk aan de winkel. Het zou mooi zijn als we meer structureel geld zouden krijgen om de “pot” gevuld te krijgen/houden. Dertien jaar geleden zijn Hans en ik verhuisd naar Loenen aan de Vecht. Daar hebben we nu twee oudere Shetlandpony’s in de wei, eentje was mishandeld, de ander weggepest geloof ik. Dat houdt me ook nuchter. Met de honden en de eenden. Heerlijk om m’n ouwe vodden aan te hebben. Maar ja, daarna gaat het truttenpak weer aan en dan gaan we weer!”
Parapaard op Facebook
De website

Kareltje en Karolientje, de mascottes van Parapaard
by Redactie | 03 January 2019, 16:00
Hij is pas 27 maar heeft de internationale springwereld al versteld doen staan met geweldige optredens in Londen, zoals met zijn foutloze wereldbekerdebuut. Doron Kuipers wordt ook door de ingewijden in het springwereldje gezien als een groot talent. “Met alleen talent kom je er niet, het is gewoon keihard werken en jezelf blijven ontwikkelen,” vindt hij.
Het lijkt alsof het Doron allemaal aan komt waaien maar dat is schijn. Het gemak en de vanzelfsprekendheid waarmee hij de hoogste parcoursen rijdt, heeft ergens een begin, een begin waarin hij ook tegenslagen moest overwinnen: “Ja, bij de Junioren was het voor mij een tijd van overleven. Ik deed wel mee maar bij de top hoorde ik zeker niet. We hadden thuis niet de middelen om de goede paarden aan te schaffen voor dat niveau. Ik probeerde uit de paarden die ik had het beste te halen en dat ging heel goed maar ja, je was zo succesvol bij de pony’s geweest. Als het dan niet lukt zoals je gewenst had, daar baal je dan van. En toch heeft het me een boost gegeven om door te zetten.”
Doron’s ponytijd begon al heel vroeg in Rotterdam, waar de familie woonde: “Ik was een paar dagen oud, toen ging ik al mee naar de manege, mijn ouders en mijn drie oudere zussen hebben allemaal paardgereden. Mijn pony was Sisi, een C-pony, 25 of zo en kuikenmak, dat moet je ook wel hebben als je jong bent. Ik ben gewoon spelenderwijs begonnen. Bij Manege de Prinsenstad reden we met ons hele gezin maar op een gegeven moment hebben mijn ouders toch een rekensommetje gemaakt. We hadden zoveel pony’s op de manege staan dat het beter was om iets voor onszelf te hebben. Het leek ons beter om de paarden aan huis te hebben in plaats van alles weg te brengen, hoe gezellig het ook was.”

Doron met pony Sisi
Het gezin Kuipers vertrok naar Mijnsheerenland, zo’n 10 kilometer ten zuiden van Rotterdam, naar de plek die nu Stoeterij Het Heerenhuys heet. Doron zat in groep 6 en was druk met zijn pony’s. Met 20 stallen, een dressuurbaan en een springpiste, was-/poetsplaatsen, longeercirkel, stapmolen, weides en een kantine waren de faciliteiten aanwezig om de sport goed te kunnen bedrijven. Doron zou zich van hieruit met zijn pony’s verder ontwikkelen, met als resultaat deelname aan twee EK’s, met individueel zilver en teamgoud in 2005 in Pratoni del Vivaro nabij Rome met zijn topper Nadir Westland. In Saumur kwam de pech dat Nadir zich daar blesseerde, waardoor de kansen en naar bleek ook de resultaten niet optimaal waren. In de tussentijd kende zijn schoolcarrière een grillig verloop: “Ik begon op het VWO en ik eindigde op het VMBO, waar ik uiteindelijk twee jaar in één heb gedaan. Mijn ouders hadden wel in de gaten dat het niet helemaal werkte, maar ze hebben me wel gesteund om alles voor de paarden te geven. Zij hebben er ook voor gezorgd dat ik de goede pony’s kon rijden, daar ben ik ze eeuwig dankbaar voor. Ik wil het voor 100% doen, niks half en zij hebben mij de kans gegeven om me ook daarin te ontwikkelen.”
Bij de young riders ging het aanvankelijk ook niet optimaal: “Ik stond met een been in het team, werd het paard drie weken voor het EK verkocht. De eigenaar durfde het niet aan om hem aan te houden, er was te veel vraag naar. Ik was 18, in m’n eerste jaar bij de young riders, dat was moeilijk. Nu snap ik dat beter en weet je: waar de ene deur dicht gaat…..Je moet ermee leren omgaan. Nooit opgeven en doorgaan, er komen vanzelf nieuwe kansen. Daarna kwamen gelukkig wel de paarden op mijn pad die dat werk aan konden en toen kwamen ook de resultaten. Twee keer tweede op het NK, het EK in Oostenrijk gereden met Ups a Daisy op m’n 21e, in een team met Jody van Gerwen, Charlotte Verhagen, Wouter Vos en Sjaak Sleiderink. Even daarvoor, op m’n 18e, had ik besloten om in de paarden te gaan en heb ik in Deurne de Masterclass gedaan.”

Doron Kuipers met El Capone, een van de paarden die hij voor Stal Everse rijdt
In 2010 ontstond een samenwerking met Mario Everse die zes jaar heeft geduurd: “Via een goede vriend ging ik een paard van hem proberen op zijn terrein. Zei Mario: misschien heb ik er ook nog wel een. Ik heb toen drie paarden daar geprobeerd en die zijn bij mij op stal gekomen, hij gunde me dat.” Eén van de paarden waarmee Doron aan de gang mocht, was Zinius: “Mario had ‘een project’ voor me, zei hij, die is nu nummer 1 op de wereldranglijst. Ik heb het er met Harrie nog weleens over. Zinius had niet bij een betere ruiter terecht kunnen komen. Toen kregen we zo’n slechte winter dat ik met zeven paarden naar Mario ben gegaan. IK ben er gebleven voor halve dagen, in totaal zes jaar. In Mijnsheerenland moet de vergunning voor de binnenbak nog rondkomen. Door de jaren heen leer je daarmee om te gaan, je moet wel: als je iets niet hebt, weet je ook niet wat je mist. En nu heb ik binnen 10 minuten drie locaties waar ik altijd binnen terecht kan: bij Tim Coomans, Siebe Kramer en Stephanie Bezemer.”
Zo kwam ook Charley (Calido I x Askari) van Herman Verhagen op zijn weg: “Charlotte Verhagen reed hem in Roosendaal in het 1m20, hij was net terug van Don Willemsen. Het ging eigenlijk helemaal niet en op het voorterrein zei Charlotte: hij past me niet. Toen heb ik gezegd: dan geef je ‘m toch met mij mee? Drie dagen later belt ze: meende je dat nou serieus? Ja, waarom niet, heb ik gezegd, ik wil het wel proberen. En een paar dagen later stond ie bij mij op stal, nu twee jaar geleden. Een sensibel paard dat in het begin wat teveel naar voren schoot. Hij was altijd heel voorzichtig, was kwaad op zichzelf als ie een fout maakte. Ik ben ‘m zo gaan trainen dat hij beter met zijn lijf kon omgaan, met steeds meer vertrouwen. Als je nu naar hem kijkt, is het één van de beste paarden die er zijn, als je het mij vraagt. Op zijn eigen manier ja, maar negen van de tien keer loopt ie 0. Charley was het enige paard in Londen dat èn in de wereldbeker èn in de Grote Prijs foutloos was. Hij zal wel een keer verkocht worden maar zolang hij er is, geniet ik ervan en probeer ik zover mogelijk te komen. Misschien volgend jaar het EK, in Rotterdam, waar ik geboren ben, dat zou mooi zijn. De volgende wedstrijd wordt Amsterdam, hoop ik, daar ga ik eigenlijk na Londen wel van uit…”
Doron rijdt zijn parcoursen met een soort van natuurlijke vanzelfsprekendheid: “Moeilijk om over jezelf zoiets te zeggen. Ik heb altijd les gehad van Gert-Jan Mooy, die heeft me alles geleerd. Natuurlijk, door de jaren heen ga je steeds verder, heb je les van meerdere mensen, maar aan hem heb ik het meeste te danken. Hij heeft me begeleid om heel erg op mijn gevoel te rijden maar wel met een mentaliteit van keihard werken. Het komt niet vanzelf aanwaaien. Mezelf blijven ontwikkelen vind ik belangrijk: heel veel trainen, heel veel oefenen. En heel goed de ogen openhouden, naar anderen luisteren, dat soort dingen. Ik ben heel leergierig. Als een paard iets moeilijker is, wil ik er zo mee bezig zijn dat we er samen een weg in vinden. Ik denk dat dat heel eigen is geworden. Ik moet wel een klik met een paard hebben, hoe moeilijk ze ook zijn. Dan krijg je samen het beste eruit. Als ik geen klik heb, kan ik niet tot resultaat komen.”

Doron in Londen met Freestyle, eigenaresse Aniek Diks en groom Maaike Euverman
Twee jaar geleden begon Doron helemaal zelfstandig zijn springstal: “Ik haat het om dingen half te doen, ik kreeg te veel aanvragen. Het was niet meer te combineren met halve dagen werken bij Mario Everse. Ik rijd nog steeds paarden voor hem. En ik heb het geluk dat ik van mensen als Herman Verhagen een paar paarden heb staan. Of van Aniek Diks, met wie ik ook een paar paarden samen heb. Toevallig waren ze allebei in Londen om te kijken, dat was extra speciaal. Dit was nog maar de eerste wereldbeker, voor mij maar ook voor Charley, dat was wel stoer. En mijn ouders en een van mijn zussen waren er ook, die schreeuwden nog het hardst toen ik foutloos was. Mijn moeder en mijn zus helpen me in mijn bedrijf met de administratie, dan hoef ik me daar niet druk over te maken. We hebben een heel fijn hecht gezin waarin we er altijd voor elkaar zijn, dat hebben we meegekregen. En ik voel me ook gelukkig met mijn vriend Lennart Bos, die zijn eigen werk op De Watertoren heeft. Ieder zijn eigen spul, hard werken, en toch tijd maken voor elkaar. Wat mijn droom is? Met de wereldtop meedraaien, met een stal vol goede paarden, jezelf goed op de kaart zetten, maar vooral gelukkig zijn in dat wat je doet!”

Doron met partner Lennart Bos
by Redactie | 28 December 2018, 18:43
Praten met Kees van den Oetelaar is luisteren naar verhalen. Want de handelaar, paardeneigenaar, fokkerijliefhebber, stamboekeigenaar, veilingorganisator en familieman heeft veel te vertellen. Over Concorde en Verdi, de meest bepalende hengsten in zijn leven, over zijn band met Henk Nijhof, over zijn kijk op springpaarden, over de ontwikkelingen in de fokkerij. Kees van den Oetelaar durft zich uit te spreken en blijft zichzelf. Hij rijdt de wereld over in zijn Mercedes met 960.000 kilometer op de teller. Of hij een pak heeft? “Twee colbertjasjes, maar die heb ik nooit aan.” Nu deel 1 van zijn verhaal, vooral over de handel en Concorde.
School heeft Kees van den Oetelaar nauwelijks gehad. Maar voor Engels, Duits of Italiaans draait hij zijn hand niet om. En een rekenmachine komt er niet aan te pas, ook al gaat het om grote bedragen. In de praktijk leerde hij alles wat nodig is, leergierig als hij is. Met een enorme belangstelling voor de verhalen van mensen met ervaring, met voorop zijn vader Dorus: “Van mijn vader heb ik heel veel geleerd. Natuurlijk ben ik er een aantal keren van afgeweken, maar dat is me elke keer slecht bevallen. Nou heb ik m’n eigen mening en mijn eigen smaak, en dat bevalt me goed, en daar zou ik het maar op houden. Ik heb altijd heel goed geluisterd naar oudere mensen van wie ik iets kon leren. School was niks voor mij. Ik heb 52 dagen op de LTS gezeten na de lagere school. Ik denk dat ik er 15 dagen van geweest ben. Als ons vader me naar school bracht, was ik eerder op de Bossche markt dan hij.”
De handel, dat is de passie van Kees van den Oetelaar, van kinds af aan. Zijn eerste pony kocht hij toen hij een menneke van een jaar of 9 was: “En ’s ochtends om 6 uur voordat ik naar school ging, ging ik de boeren hier in de buurt langs. Of ik een varken kon kopen, of kippen, een schaap, een veulen, alles wat er te koop was.” Dat daar in die begintijd af en toe technieken aan te pas kwamen die de verkoop gemakkelijker maakten, geeft hij met een twinkeling in de ogen grif toe: “Maar de handel was anders toen. Sneller, en meer direct. Een hand erop betekende ook verkocht, gegarandeerd. Tegenwoordig is de handel compleet anders, niet meer te vergelijken met dertig of veertig jaar geleden. Nou is het allemaal met allerlei voorbehouden, keuringen, zekerheden, bekende prijzen. Dat was vroeger allemaal niet, maar dat betekende ook dat het een stuk gevaarlijker was. Verkocht was verkocht, en als het dan fout zat, was het ook voor jou.”

Kees van den Oetelaar (r) bij het begin van zijn handelscarrière
“Vroeger gebeurde nog weleens iets waarvan je later zegt: had ik dat toen nou zo moeten doen. Ik was denk ik een jaar of 12, wilde ik een keer twee kalfjes kopen bij boeren in de omgeving, twee broers. Ik naar binnen, was de ene boer weg en de andere boer lag ziek in bed. Ik naar de slaapkamer en gezegd dat ik zijn kalfjes wilde kopen. Een tweeling, waarvan het ene kalfje een stuk kleiner was dan het andere. Hij had ze nog niet gezien maar hij vroeg 350 gulden, ik bood 200. Dat vond hij wat weinig, dat kon alleen als ze te klein waren. Ik ben naar de stal gelopen, heb het kleinste kalfje in mijn armen gepakt en ben ermee de slaapkamer ingelopen. Ja, die was inderdaad wat klein, vond ie. Dan was 200 gulden genoeg. Maar hij wilde het andere kalfje ook zien. Ik de kamer uit met dat kalfje, een eind verder gelopen, en toen met hetzelfde kalfje weer naar binnen naar de slaapkamer. Tja, die was ook erg klein, dan was twee keer 200 gulden eigenlijk wel genoeg. Dat soort dingen gebeurde toen, maar ja, ik praat over een jaar of veertig geleden.”

Kees van den Oetelaar als jonge, stijlvolle springruiter
Even later ontmoette Kees de Italiaanse handelaar die nu na 30 jaar nog steeds zijn klant en goede vriend is: “Ik verkocht via hem elke week wel 25 paarden naar Italië in die tijd. Daar waren we allebei goed mee. Hoe oud was ik? Het kan goed veertig jaar geleden zijn. Hij sprak geen Nederlands, ik geen Italiaans. En andere talen kenden we toen ook niet. Nou had ik na een tijdje wel het dialect geleerd, dat ging aardig goed. En ik kon er wel gebruik van maken toen. Komen we bij een Nederlander om een paard te kopen, zitten we daar aan tafel met ons drieën. Op een gegeven moment ging het natuurlijk over de prijs. Die man zegt tegen mij: ik vraag 1000 gulden voor dat paard. Zeg ik tegen die Italiaan: hij vraagt 1500. Zei die: bied maar 1200. Vroeg die Nederlander wat hij zei. Zei ik: hij biedt 800. Ik was nog geen twintig, dat ik dat toen zo gedurfd heb, dat zou al lang niet meer kunnen.”
Van weer een tijdje later was het contact met Paul Schockemöhle, bij wie hij honderden paarden in één koop kocht, jong en oud door elkaar: “Ik heb ze allemaal op stal bekeken. Hij moest natuurlijk ook uitselecteren met een paar duizend fokmerries. Paul vroeg of ik ze niet moest zien springen. Ben je gek, heb ik gezegd, dan sta ik hier over een paar weken nog. Het kostte wel een paar weken om ze vervoerd te krijgen, om de paar dagen gingen we een vracht halen. Ik heb ze allemaal verkocht. Hoe dat gaat? Je weet wel: onderweg heel veel bellen, die en die klant kan een paar paarden verkopen, die kan er wel een gebruiken, zo ging dat.”
“Uiteindelijk heeft die zending een aantal sportpaarden op hoog niveau opgeleverd, zoals Casper van Emanuele Gaudiano. Het ligt er natuurlijk aan waar ze terecht komen. En ik ken genoeg merries uit die koop die zelf ook weer goede paarden hebben gebracht. Schockemöhle is een fokker, met een enorme liefhebberij voor fokkerij, die heel veel geld verdiend heeft in zijn leven. Het is ook niet gemakkelijk met zoveel paarden. Doe het dan maar eens goed, ik weet goed wat het is, de pijn die je als fokker kunt hebben. Van de zomer heb ik een paar hengsten die ik zelf gefokt heb naar Eric Laenen in België gebracht. Elke keer als ik daar kwam en we lieten ze springen, dan vielen ze me tegen. Ik had ze kunnen verkopen maar ik heb het niet gedaan. Omdat ik geloof in mijn eigen paarden, dat het goed komt. De verkoop zou me pijn hebben gedaan. Dat is weer van een heel ander kaliber dan bij voorbeeld de familie Wolters in Groningen, net zo gepassioneerd als fokker met elf fokmerries en met elk jaar wel een paar paarden die uitgroeien tot Grand Prix-paard. Bij die mensen koop ik ook graag veulens, elk jaar wel een paar.”

Met Henk Nijhof een champagne op de aankoop van een hengst in Frankrijk
Belangrijk in de handel voor Kees van den Oetelaar is altijd zijn band met Henk Nijhof geweest: “We hebben heel Europa afgereisd samen, heel veel naar Frankrijk vooral, en we vertrouwen elkaar blindelings. We hebben geen verplichtingen aan elkaar, helemaal niks. Natuurlijk, er is weleens wat, dat is overal, maar dat is binnen twee seconden opgelost en dan wordt er niet meer over gesproken. Vooral met hengsten zitten we heel vaak op dezelfde lijn, we doen het niet slecht samen. Vorig jaar waren we op de BWP-hengstenkeuring, zie ik daar Poker de Mariposa in de baan, een Nabab de Reve x Berlin x For Pleasure. Met een internationaal springende moeder en als grootmoeder Flora de Mariposa, misschien wel de beste merrie ooit als het om springen gaat. Met Penelope Leprevost liep ze. Ik kocht hem daar meteen van de fokker, De Brabander. Kom ik later Henk tegen, zegt die: kom Kees, vlug, we gaan de man van die Nabab opzoeken, dan kopen we die hengst. Dat is net gebeurd, heb ik hem gezegd. En we hebben meteen ieder de helft gedaan. Afgelopen maart was dat. Hij blijft nou nog even bij Nijhof op het dekstation, daar wordt ie ook opgeleid.”
Die band zien we veel eerder al terug in de hengst Concorde: “Dat is eigenlijk het begin van alles geweest. Ik was samen met Henk Nijhof in 1984 al bij Van Diest geweest, de fokker. Maar die wilde toen niet verkopen. Twee jaar later belt Coppens me op, dat hij een tweejarige had gekocht, een Voltaire x Marco Polo. Ik dacht, dat moet die van Van Diest zijn. Heb ik aan de telefoon ongezien de helft gekocht voor 8000 gulden. Later heb ik de andere helft ook gekocht en doorverkocht aan Henk Nijhof en de gebroeders Bosch. Een fenomeen was het. Achteraf gezien hebben er te veel ruiters op gereden. Henk Diks, Roelof Bril, Henk van de Pol, Eric van der Vleuten, Piet Raijmakers en Jos Lansink. Henk van de Pol viel er nog van af in de hengstencompetitie in Oosteind, die kon hem niet uitzitten toen. Het had daarna niet veel gescheeld of hij was verkocht. De vader van Jean-Claude Vangeenberghe wilde hem perse hebben maar wij wilden dan het sperma voor Nederland. Vangeenberghe zei toen: jullie willen de koe verkopen en de melk zelf houden. Toen is het niet doorgegaan. En even later legde het NOP hem vast goed voor de Nederlandse sport.”

Concorde vierde onder Jos Lansink grote triomfen
Concorde werd in 2002 de jongste preferente hengst ooit, in 2004 werd hij uitgeroepen tot KWPN Paard van het Jaar. Toen had hij al gedenkwaardige optredens op zijn naam, zoals de overwinning in Aken in de Grote Prijs van Nordrhein Westfalen. “Eric van der Vleuten behaalde een van de mooiste overwinningen met Concorde. In de Veemarkthallen in Utrecht, daar werd voor het eerst een rubriek hengstenspringen georganiseerd, ik denk in 1991 of 1992. Elf deden er mee, en alleen Libero H had een foutje. Eric Wauters zat op de tribune en die zei: jee, wat is hier aan de hand, zo imponerend was het. Eric won toen door een fantastische wending voor een van die pilaren langs. In februari was het, in april had Concorde zijn boek al vol, zo was dat toen, ik geloof met 300 merries. Maar toch, als we toen hadden geweten wat we nu weten, hadden we dat nooit zo gedaan met al die ruiters. Eric was de ideale ruiter voor het paard, hoe goed de anderen er ook mee gereden hebben. Eric had die speciale band met Concorde. Hoe meer je erover nadenkt en hoe verder je komt, des te meer besef je dat dat het allerbelangrijkste is. Veranderen van ruiter: dat kan een ramp zijn, daar heb ik nu een gruwelijke hekel aan, ook als dat ten goede is. Maar goed, Concorde heeft me zoveel geleerd, op alle gebied. We kwamen overal. Ik ging met Jos mee op internationale wedstrijden, heel veel geleerd en ja, ook veel handel kunnen doen. Overal heen met mijn oude Mercedes, toen al, ja. Daar kan ik net zo goed een paard mee kopen als met een Rolls Royce.”
Binnenkort deel II van het verhaal van Kees van den Oetelaar.
by Redactie | 26 December 2018, 10:54
Haar ouders, Jan Kemps en Mark Jespers, dat zijn tot nu toe de meest bepalende mensen in het leven van Renske Kroeze. In chronologische volgorde. Nuchter is ze, helder in haar formuleringen. En ze wordt algemeen beschouwd als een groot talent. Dat leverde al een uitzending naar het wereldkampioenschap in het Amerikaanse Tryon op. Het moment is nu gekomen om de Beemdhoeve van Jan Kemps in Helvoirt te verlaten. “Of het tranen heeft gebracht? Ja, absoluut…..”
Renske Kroeze, 29 nu, groeide op in Bathmen, waar haar ouders nog wonen. Haar moeder is er dierenarts, haar vader technisch directeur bij een machinefabriek: “Mijn ouders hadden altijd paarden, het was logisch dat ik ook een pony’tje kreeg, voor de hobby. Later werd dat al snel een paard, op m’n 11e, omdat ik nogal lang ben. Ik was bij de ponyclub en de rijvereniging, reed soms weleens twee of drie clublessen na elkaar. In ’t Ruiterkamp, waar ook Bathmen te Paard wordt gehouden. Twee grote binnenhallen hebben ze daar, en ze organiseren ook een SGW-wedstrijd. Het is echt nooit de bedoeling geweest om het fulltime te gaan doen. Het werd me van alle kanten afgeraden: de paardenwereld heeft een verkeerde klank, het is hard werken en weinig verdienen.”
“Mijn ouders waren ook SGW-ruiters, met één merrie hebben we alle drie gecrosst. Eerst mijn moeder maar die durfde niet meer, toen mijn vader maar die vond hardlopen op een gegeven moment leuker, en toen mocht ik. Met springles van Wouter Raamsman, en dressuuurles van zijn partner Loes Cevaal. In Bathmen had je in het najaar heel wat crosswedstrijdjes waar ik graag aan meedeed. Op een gegeven moment moest ik in Ermelo bij zo’n dag komen. Ik had nooit crossles gehad, ja, mijn vader nam me weleens mee naar zo’n terreintje. En crossen ging ook vaak goed, dus waarom zou je. Bij de waterinsprong, dan had ik het gevoel dat ik er bijna af viel. Moest ik de teugels langer laten en meer achterover blijven zitten, dat was een hele verbetering. Mijn beste cross-paard in die tijd was een nakomeling van de familiemerrie, we hebben haar vorig jaar in laten slapen. Zo vergevingsgezind was ze, als ik daar achteraf op terugkijk.”

Renske Kroeze met haar moeder
Renske ging studeren aan de Universiteit Twente in Enschede, en ze ging op kamers wonen: “Ik had een tamelijk druk studentenleven, zeg maar, wat ik ook belangrijk vond. Enkele reis was echt twee uur, kwam mijn moeder me ophalen en dan kon ik rijden. Eigenlijk bleef ik maar een dag in de week in Enschede, de rest bleef ik thuis, kon ik rijden. Nou had ik in de studie Bedrijfskunde heel weinig contacturen, het meeste kon ik thuis doen, of onderweg. Na mijn bachelor kreeg ik die les bij Alice Naber. Ze zocht een working student, zei ze. Ik dacht: goh, zou ik daar goed genoeg voor zijn? Maar toen kwam het: hoe ging ik het thuis vertellen….Eigenlijk ben ik nooit met veel plezier naar school gegaan, ik liep niet heel warm voor mijn studie. Ik heb ze verteld dat ik graag een jaartje wilde stoppen maar ik heb ook beloofd dat ik daarna mijn masters af zou maken. En dat heb ik gedaan. Bij Alice kon ik de hele dag met de paarden werken, de hele dag met paarden bezig. Ik heb een heel leuk jaar gehad. En daarna heb ik geprobeerd om de studie te combineren met de paarden.”

Renske Kroeze in de cross in Tryon
Inmiddels was Renske Kroeze young riders eventing kampioen, twee sterren kampioen zelfs, en dat smaakte naar meer: “Na mijn studie ben ik voor mijn toenmalige vriendje naar Brabant verhuisd. Net klaar, geen werk natuurlijk, en toen belde Jan Kemps me van de Beemdhoeve in Helvoirt. Een ruiter bij hem was geblesseerd: joh, kun jij niet een paar weken komen rijden? Dat is nu bijna zes jaar geleden. Ik was al zzp-er geworden, wilde drie dagen in de week wel voor hem gaan rijden. Dat heb ik een paar weken gedaan en toen hebben we de afspraak gemaakt dat we dat gingen doorzetten. Ik had leuke paarden: springpaarden en eventingpaarden. Ja, in Jan’s ogen waren dat springpaarden maar ik vond dat toch al snel eveningpaarden. Toen stopte de andere ruiter ermee, eigenlijk is het heel natuurlijk gelopen dat ik daar fulltime ingerold ben.”
Renske ging zelfs wonen op de Beemdhoeve: “Het ging uit met het toenmalige vriendje en toen mocht ik boven de stal gaan wonen. Dan wordt het al heel snel meer dan gewoon werk, voel je je verantwoordelijk voor de hele stal. Ik heb mezelf altijd voorgehouden: ik ben niet ruiter geworden om geld te gaan verdienen, maar echt omdat het mijn passie is, omdat ik het leuk vind om paarden op te leiden en naar een hoger niveau te rijden. Dat kan alleen als ik dat voor de volle 100% kan doen. Ik heb gemerkt dat ik er echt heel veel voldoening uithaal als ik merk dat de paarden beter worden. Met een goede smid, een goede dierenarts, dat het allemaal klopt. Dan is het leuk om er keihard voor te werken.”

Renske Kroeze in de dressuur in Tryon
De manier waarop Renkse over Jan Kemps en zijn vrouw praat, is vertederend: “Jan heeft geen haast met zijn paarden, meestal worden ze verkocht als ze 1m20 of 1m30 lopen. Hij heeft ze niet om ze te fokken en als driejarige te verkopen. Hij komt heel vaak kijken, die liefhebberij die hij in de sport heeft, is wel mijn geluk geweest. Mijn internationale paard Jane Z is ook van Jan, die heeft hij voor mij aangehouden. Hij is zo betrokken, staat elke ochtend om half 7 te voeren, hij is altijd in de weer, ongelofelijk. Ik mocht met Jan en zijn vrouw mee-eten toen ik mijn arm gebroken had, ze deden super hun best om te zorgen dat ik het naar de zin had. Een heel unieke setting. Okay, in sommige gevallen werkt het ook niet. Er was ook weleens een collega die vertrok omdat het niet werkte. Jan zit er niet bovenop, hij wil graag mensen die intrinsiek gemotiveerd zijn, die geen baas of orders nodig hebben. Dan is het niet erg om lange dagen te maken, veel te werken, en het slechte weer voor lief te nemen. Ik heb optimaal de kans gekregen bij hem.”
Maar het leven gaat door en Renske ontmoette springruiter Mark Jespers, zoon van hengstenhouders Adrie en Anne Jespers: “Tijdens Indoor Oosteind was dat. Dat betekende al snel ’s avonds naar Prinsenbeek, een keer een paard rijden, zo gaat dat, en inmiddels heb ik daar ook een stel paarden. Ik ben zzp’er, kan mijn eigen tijd indelen. Gelukkig is Jan ook flexibel, en kon ik het afwisselen. Met Mark is het ook superfijn dat iemand langs de kant meekijkt, al is het maar voor een beetje bevestiging. Ik moet zeggen: dat heb ik ook wel een beetje nodig. Inmiddels heb ik trouwens ook les van bondscoach Bettina Hoy met m’n eventingpaarden, voornamelijk op dressuurmatig vlak. Heel fijn en inspirerend. En springen doe ik bij Leon Kuypers: hij heeft een systeem, is heel duidelijk: in het ritme blijven rijden, goed in balans bij de sprong komen, de eigen houding daarop aanpassen. Heel simpel eigenlijk, we hebben weinig woorden nodig. Mark hoeft ook maar een paar dingen te zeggen.”

Renske Kroeze met bondscoach Bettina Hoy
De nabije toekomst ligt voor Renske toch in Prinsenbeek: “Tja, het is wel dat ik straks mijn werkzaamheden daarheen ga verplaatsen. Jan weet het inmiddels. Hij heeft zijn best gedaan voor mij en hij weet ook dat dat andersom zo is. Ik heb helemaal niet het idee gehad dat ik voor een baas werk. Maar ik wil met Mark verder gaan werken aan ons gezamenlijke bedrijf, gelukkig ook met paarden van Jan. Het moment is natuurlijk nooit goed, er is altijd iets te verzinnen waarom ik het niet zou doen. Of het tranen heeft opgeleverd? Ja, absoluut…..Helvoirt is een belangrijk deel van mijn leven geworden, met een super leuke groep. Door de drukte ben ik niet meer zo betrokken bij alle sociale activiteiten maar het blijf toch mijn cluppie. Ik ga niet aan de andere kant van de wereld wonen maar het wordt toch iets anders.”

Renske met Mark Jespers en vader Kroeze in Tryon
Ontwikkeling en zelfreflectie passen bij Renske Kroezen: “Ik maak altijd filmpjes als ik zo aan het rijden ben. Dat vind ik moeilijk om terug te kijken, omdat ik erg kritisch ben op mezelf. Als mensen dan zeggen: lekker rondje, dan denk ik: helemaal geen lekker rondje, kan ook niet, het beestje is pas vier. En verder weet ik gewoon te weinig van de hengstenhouderij en de fokkerij. Ik rijd weleens drie maanden op een paard en dan weet ik nog niet wat het is. Maar dat mag niemand weten, haha. Ik heb het idee dat ik dingen niet heel goed kan onthouden als ik ze niet heel erg nodig heb. Maar ik wil me er graag in ontwikkelen. Ik vind het moeilijk om een driejarige, kaal, geen bespiering, dikke haren, om daar doorheen te kijken, hoe dat paard in elkaar zit, of dat toekomst heeft. Ik kan wel zien of ie een goede sprong maakt, maar er is natuurlijk meer. Daar is wel een stukje winst te behalen. Ik zou er iets meer tijd aan moeten besteden, en er een beetje moeite voor moeten doen. Het is ook zo’n geplan elke keer, met in totaal 15 of 16 paarden om te rijden. Doe ik allemaal zelf. In Helvoirt heb ik wel iemand die me helpt, Anne-Rose Cramer, die is nog preciezer dan ik, andere mensen worden daar soms helemaal dol van, maar ik kan het altijd met een gerust hart aan haar overlaten. En als ze ergens over twijfelt, dan zegt ze het meteen. Ze was ook mee naar Tryon, een super kracht.”
Dan is het natuurlijk de vraag wat haar ouders van Renke’s leven zeggen: “Die zijn lekker bezig met veulentjes fokken: je krijgt ze als ze drie zijn, zeggen ze. Nu gaan ze er zakelijker naar kijken. Met opmerkingen als: als je echt denkt dat je een goede hebt, moet je ‘m niet verkopen. Met me meegaan naar de wedstrijden vinden ze het mooiste wat er is: ze hebben er zelfs een speciale caravan voor gekocht. En: het is altijd goed. Als ik maar mijn best heb gedaan. Het resultaat is dat wat het dan is.”

Jan Kemps en Annne-Rose Cramer sluiten de vrachtwagen met Jane: op weg naar Tryon!
by Redactie | 24 December 2018, 10:33
Met haar vader als onafscheidelijke trouwste supporter beweegt Esther Manders uit het Brabantse Haaren zich in de paardenwereld. Als stijlvolle amazone van springpaarden, als opleider en als handelaar. Met vooral eigen paarden van haar Assembly’s Stables: “Als je paarden van anderen duurder kunt maken, kun je dat ook met je eigen paarden, zei mijn vader.”
In Haaren aan de N65, de doorgaande weg van Den Bosch naar Tilburg, heeft Esther Manders (43) haar sportstal met springpaarden. Er staan zo’n 17 paarden, inclusief de merries en de jonge paarden, vooral uit eigen fokkerij. Haar bedrijf Assembly’s Stables is langzaamaan gegroeid, met dank aan haar ouders: “De naam Assembly komt van het bedrijf dat mijn vader en moeder hadden, een bedrijf voor de productie van kabels voor connectors, computers en zo. Mijn ouders hebben natuurlijk wel meegeholpen, onder andere door vanuit Vught hierheen te verhuizen, een oude boerderij met koeien- en varkensstallen waar we langzamerhand van alles verbouwd hebben. Ze hebben me echt de mogelijkheid gegeven om dit mee op te bouwen, ze hebben altijd achter mijn ideeën gestaan. En gelukkig hebben ze me ook financieel ondersteund, anders was het niet gelukt om dit bedrijf te hebben. Toen ik in de paarden ging, heb ik er gebruik van kunnen maken.”
Esther Manders verdiende haar eerste vakantiegeld met de pony’s: “Het is natuurlijk vroeger bij de pony’s begonnen, m’n broer en ik kregen samen een bonte B-pony om bij de ponyclub in Vught te kunnen rijden. Op een gegeven moment kwam er een grotere pony maar die kon niet springen. Dat vond ik een uitdaging. Zadelmak maken en lastige pony’s rijden, dat vond ik leuk, ook als iemand van de club dat vroeg. In de vakanties kocht ons pap voor mij een jong pony’tje, niet te duur, dat kon ik dan zadelmak maken en verkopen, dat was mijn vakantiebaantje.” Na de HAVO en een MBO-opleiding was er maar één weg vooruit: de paarden in. “Ik heb toen cursussen paardenhouderij aan de HAS gedaan en in Ermelo mijn instructeursdiploma gehaald. Mijn interesse lag toch bij het opleiden en verkopen van jonge paarden. Toen maakte ik ook nog regelmatig voor andere mensen paarden zadelmak en hielp ik om ze te verkopen. We kochten ook zelf wel een keer een jong paard om later te kunnen verkopen. Langzamerhand heb ik de eigen paarden wat langer kunnen houden en zo hebben we het langzaam opgebouwd.”

Met Assembly’s Andiamo in Lier
Het eerste eigen paard was Janien, een Creool-merrie, gekocht bij fokker Bram Roosen: “Ik kwam daar om te proberen de merrie te kopen, die was net zadelmak. Ik was toen 19 maar ik leek 15, heeft hij ondertussen mijn vader gebeld om te checken of ik dat paard wel mocht kopen. Het is allemaal doorgegaan, ik heb de merrie altijd gehouden, nooit verkocht. Ik heb haar tot het Z gereden, een merrie niet met alles erin, maar wel heel voorzichtig. En ik ben ermee gaan fokken. Daar komt ook Twinkling Star A.S. uit, de Kashmir van het Schuttershof die ik 1m45 heb gereden. Ik denk dat we de eersten waren in Nederland die met die hengst dekten. Omdat die merrie zo voorzichtig was en niet alles erin had, terwijl Kashmir een grote hengst is met heel veel vermogen. Ik ben altijd wel Belgisch en ook wel Frans geörienteerd geweest. Via kennissen kwamen we bij Kashmir uit, hengstenhouder Willy van Impe kwam halverwege mijn vader tegemoet gereden met het verse sperma, zo ging dat. Uit de Creool-merrie heb ik ook een Nabab de Reve, die is nu 8, loopt 1m35, en ook al een keer 1m40. En een 7-jarige Nabab, die liep 1m35 en hebben we verkocht naar België.”

Double Trouble A.S. werd kampioen tijdens de AES Hengstenkeuring
De fokkerij verloopt bij de Assembly’s Stables ook via Jeannette Trefle, een Quatoubet du Rouet x Iris Landai, geboren in 1997 en genoemd naar de Franse merrielijn. “Met Jeannette heb ik zelf 1m45 gesprongen, ze heeft voor de sport al een Quickstar gebracht die 1m60 heeft gelopen en een Skippy gebracht die 1m50 heeft gesprongen. De Quickstar is via stal Hendrix en Willy van der Ham verkocht naar Amerika, waar een amazone hem op dat niveau gereden heeft. En de Skippy is door Alberto Zorzi internationaal gereden. We kochten Jannette toen ze vier was, tegen de Franse grens aan in België. Een grote merrie, een beetje slap ook maar wel met heel veel vermogen en kwaliteit en dat geeft ze ook door. En ze komt uit de Selle Francais-lijn 93/1201, ook de moederlijn van Cor de la Bryere. Daar fokken we mee, ze is 21, en nu drachtig van Ultimo van ter Moude, een Capitol I x Major de la Cour, die met Todd Minekus 1.60 heeft gelopen.”
“Op dit moment hebben we uit die twee lijnen heel veel paarden uit eigen fokkerij staan. Ik rijd maar een paar paarden voor andere mensen. Een jonge Caretino Gold heb ik samen met mijn neef Michael den Otter uit Goirle, een merrie die ik zelf gefokt heb, de laatste uit de Creool-merrie die in 2015 is overleden. En een Quidam de Revel-merrie heb ik samen met Gijs en Sylvie Looymans. Ze loopt nu 1m30 als 7-jarige, en daar gaan we embryo’s uit spoelen. Een paard met heel veel kwaliteit maar eentje die iets meer tijd nodig heeft. Volgens mij zijn paarden lichamelijk en in de kop op hun zevende pas goed genoeg om echt mee door te werken. Ze hoeven dan nog geen 1m40 te lopen. We hebben ook nog een Toulon-merrie samen, die gaan we met Double Trouble A.S. dekken, onze Nabab de Reve uit Jeannette, die is nu 4. Hij gaat nu de hengstencompetitie lopen in België. Double Trouble A.S. is goedgekeurd bij het AES, een toegankelijk stamboek, sportgericht, met kennis van zaken en met echte paardenmensen. Twee jaar geleden werd hij kampioen van de hengstenkeuring, de afgelopen week is hij approved geworden, daar ben ik trots op. Mooi als zulke mensen je paard zo goed waarderen.”

Richard en Esther
Esther Manders woont met haar vriend Richard in het ouderlijke huis in Haaren. Die was meer van het voetballen maar steekt inmiddels flink de handen uit de mouwen op de stal en ondersteunt Esther in het bedrijf. Vader Gerard woont in een mantelzorgwoning naast het bedrijf: “Mijn vader kreeg tien jaar geleden een baal hooi op zijn rug, hij zou ’s morgens de paarden verzorgen, wij waren in België op concours. Hij heeft er een dwarslaesie aan overgehouden, een half jaar in het ziekenhuis gelegen. In eerste instantie zou hij niet meer kunnen lopen, dat was heel heftig. Toen hebben we ook de mantelzorgwoning erbij gebouwd. Binnen een week of zo hebben ze ‘m toch nog een keer geopereerd omdat hij een tinteling kreeg in zijn bovenbeen. Daarna heeft hij gelukkig wat gevoel teruggekregen. Hij heeft heel hard gewerkt en met heel veel doorzettingsvermogen heeft hij zichzelf weer leren lopen, met zo’n turnbrug. Die hadden we van vrienden geleend, de familie Van Herpen uit Geffen, voor wie ik nu een jonge Tinka’s Boy rijd. Nu kan hij zich voortbewegen met de rollator en stokken, en hij kan autorijden met een aangepaste auto. Hij is altijd positief, heeft een super goede instelling, heeft zich er niet bij neergelegd. En nog steeds is hij altijd aan het meehelpen, altijd bezig. Daar ben ik heel trots op. Het was een heel zware tijd, ook omdat mijn moeder in 2010 overleed, ze hebben samen nog een half jaar in de aanleunwoning gewoond. En hij is mijn trouwste supporter, het maakt niet uit waar we naar toe moeten, hij is er altijd bij.”

Gerard Manders
Vader Gerard heeft zelf een Contendro-merrie: “Uit de stam van Tinus van der Bruggen, heeft ie gekocht op een veiling, ook die merrie willen we met Double Trouble A.S. dekken. Het afgelopen jaar hadden we er een Andiamo-veulen uit, die is in Asten verkocht aan Paul Hendrix, hopelijk krijgt ie daar ook de kans voor een goede opleiding.” Het woord ‘verkocht’ wordt niet dagelijks gebruikt bij de familie Manders: “Verkoop ik veel? Niet heel veel, zeker niet iedere maand of zo. We proberen elk jaar een paar paarden te verkopen, goed opgeleid, dat mensen er een eerlijk paard aan hebben, waar mensen mee verder kunnen. Of als amateur, of op hoger niveau voor professionals. Ze moeten in elk geval goed na te rijden zijn. Dat zijn vooral eigen paarden. Mijn vader zei altijd: als je paarden van anderen duurder kunt maken, kun je dat ook met je eigen paarden. Maar het is een lange weg om paarden op te leiden, ook een dure weg. Daarom moet je wel op tijd selecteren en goed opleiden. En ik ben best een beetje eigenwijs, volg mijn eigen weg, dan kun je beter vooral je eigen paarden hebben.”
“Ik heb ook fouten gemaakt, en die zal ik vast ook blijven maken, maar daar leer je het meeste van. Ons pap heeft me daar altijd in gesteund, mijn moeder ook trouwens. Ik ben snel bang dat ik het niet goed genoeg doe. Moeder zei altijd: gewoon doen! Daardoor is mijn zelfvertrouwen wel gegroeid ja. Nu heb ik heel fijne mensen om me heen, mensen die me steunen. Zoals ook Dave en Lisanne van Venrooij van Höveler paardenvoer, of Anoeska van Osch o.a. met Niagara-Equissage, een pulse-apparaat dat ik heel veel gebruik bij de paarden. En de families Looymans en Van Herpen, vrienden van ons, het is heel fijn dat we dat met ons allen kunnen beleven. Inmiddels hebben we voor een relatief kleine stal toch al een mooie lijst aan referenties opgebouwd, van paarden die goed gepresteerd hebben. Ik hoop dat we het zo nog een tijd vol kunnen houden!”

by Redactie | 18 December 2018, 17:02
Ruiters zijn erg positief over de parcoursen van Hein van Driel. De beginnende parcoursbouwer kennen we sinds jaar en dag als springruiter in de hogere regionen van de basissport. “Ik denk niet dat er ruiters zijn die meer paarden op concours gereden hebben,” kijkt hij terug. Samen met broer Marcel en vriendin Solveig Kesküla, vader Gerard en echtgenote Ronelle runt Hein (52) zijn bedrijf sinds vele jaren aan de Muggenhoek in Heeswijk-Dinther.
“In 1977 zijn we hier gaan wonen, toen mijn vader vier jaar het bedrijf voerde. Van tevoren hadden we hier een manegebedrijf en woonden we in het dorp. Maar eigenlijk zijn we begonnen op de plek waar springruiter Harrie Wiering woonde, waar nu De Molenkoning zit. Daar was mijn vader Gerard in 1969 bedrijfsleider op het bedrijf dat toen van de heer Van Duren was. Toen het uit elkaar ging, is hij vanuit zijn geboortedorp Heeswijk les gaan geven. Gerard was toen best een regionale grootheid, eigenlijk vooral in samengestelde wedstrijd zoals dat toen ging. Hij heeft Indoor Brabant nog gewonnen. Nou ja, dat was bij De Leijer in Veghel, dat noemden ze in het kringetje Indoor Brabant…”
Na de middelbare school vertrok Hein voor een klein jaar als ruiter naar Paul Schockemöhle: “Achter Albert Voorn aan, ik zat toen in de junioren-équipe met mensen als Leon Sommerdijk, Peter Bulthuis, Henk van de Pol, Marcel Dufour en Carolein Lankester. Ik had me voor Deurne aangemeld maar dat ging toen niet meer door. Daarna heeft Ger Poels me bij Bert Goossens in beeld gebracht, de oprichter van Goossens Meubelen, daar heb ik vier jaar gereden.” De militaire dienst had daar even een plaats in maar ook de vrijstelling om voor zijn zieke moeder te kunnen zorgen die midden jaren ’80 overleed. Na de periode bij de stal van Goossens ging Hein voor zichzelf verder, hij reed paarden voor handelaar Peter Smits en ging met zijn broer Marcel steeds meer in het ouderlijke bedrijf.

Hein van Driel met Carbid Z (Cicero x Concorde)
Hein van Driel was een fanatieke wedstrijdruiter met heel wat overwinningen in het Z en later, toen die klasse werd ingevoerd, in het ZZ. Hij werd zelfs de eerste NCB-kampioen in de klasse ZZ: “Maar nationaal was toen toch echt een stap. Als je vroeger 1.40m reed, dan was je iets, anders reed je hier in de kring. Tegenwoordig is dat heel erg in elkaar overgevloeid en heb ik ook heel veel op dat niveau gereden. Hogerop? Dat had ik achteraf bekeken wel gewild, maar ik heb me er niet fanatiek genoeg op gericht. We hadden veertig paarden thuis en een dag of vier of vijf op concours was te moeilijk als je zelf veel moet doen. Het is zo gelopen. Er zijn generatiegenoten van mij die wel die stap gemaakt hebben, en er zijn ruiters bij die zijn blijven hangen op het landelijke basisniveau, daar hoor ik ook bij. Ik heb nergens spijt van hoor, maar een hoger niveau had ik wel willen halen. Je succes in de paardensport wordt voor een groot gedeelte bepaald door de kwaliteit van de paarden en er hoort ook een dosis geluk bij. Ik heb het te weinig afgedwongen omdat ik het bedrijf niet alleen kon laten.”
Het bedrijf thuis veranderde net in die periode: “Marcel en ik hebben geleidelijk aan de bedrijfsvoering veranderd. We hebben het manegebedrijf langzaamaan afgebouwd, het zadelmak maken van paarden kwam ervoor in de plaats. En natuurlijk het wedstrijdrijden voor de opleiding van springpaarden. We hebben samen wel heel veel jonge paarden zadelmak gemaakt. En we hebben heel veel wedstrijden gereden. Nu nog: we hebben best veel paarden van klanten staan, die volgen een opleidingstraject, daarvoor alleen al ga je op concours. Volgende week rijd ik voor de eerste keer een fokproduct van Frans van den Broek in het 1.40m, ik denk een paard met potentie voor meer. Ik heb altijd paarden voor hem gereden. Na die wedstrijd gaan we bekijken wat er daarna moet gebeuren. Misschien een 1 of 2 sterrenwedstrijden, maar dat is wel een heel gedoe met 1 paard. En het wordt wel heel heel belangrijk gemaakt maar het stelt eigenlijk weinig voor, behalve misschien de handelsomgeving.”

Hein van Driel met echtgenote Ronelle en dochter Dona
Als expert in het opleiden van springpaarden vindt Hein van Driel al lang iets van de parcoursen die hij te rijden krijgt: “Ik heb veel lesgegeven en dan vond ik het ook altijd leuk om met hindernissen te spelen, daar had ik best wel feeling voor, vond ik zelf. Parcoursbouwen heeft altijd mijn interesse gehad. Op wedstrijden heb ik me best vaak geërgerd aan de parcoursen, vooral omdat ze niet pasten in de opleiding. Je kunt met één wedstrijd veel kapot maken bij paarden. Ik heb vaak gezegd: dat zou ik anders doen. Dat kwam ter sprake bij Louis Konickx, heb ik gezegd: jullie moeten regels gaan maken waaraan parcoursbouwers zich moeten houden, over meetbare dingen, bij voorbeeld indoor een aanrijlijn van minimaal 15 meter uit de kant, dat het paard een beetje de tijd krijgt om zich te focussen. Of geen gebroken lijn naar een dubbel toe, zeker niet voor een 4- of 5-jarige. Ik werd gebeld door de KNHS dat er een parcoursbouwerscursus startte, ze hadden gehoord dat ik interesse had. Ik heb het gevolgd, samen met Jan Albers en Ard van den Eertwegh.”
Langzamerhand wordt Hein van Driel meer gevraagd als parcoursbouwer: “Dat moet een beetje naam krijgen. Ik probeer in elk geval zo te bouwen dat het te doen is voor iedereen, daar komt het op neer. In een twee fasen, wat tegenwoordig bijna overal uitgeschreven is, maak ik een duidelijk verschil tussen de eerste en tweede fase, dat mensen die een beetje barrage-achtig willen rijden, dat ook kunnen. Hoewel, in de Peelbergen realiseerde ik me dat ik daar misschien wat minder speed-achtig kon bouwen omdat daar veel mensen toch voor een mooie video rijden. Dat is tegenwoordig toch een item, een mooie video. Of dat iets met sport te maken heeft? Ach, het einddoel van de sport ligt dan op een heel ander niveau, een parcours daar is een tussenstationnetje, die geven niks om die wedstrijd. Van de 120 doen er 20 mee om de prijs, 100 rijden een scholingsrondje. De laatste keer dat ik er bouwde, was er geen enkele rubriek onder de 100 deelnemers, dat is zoals het is. Gezellig? Hier op de bank vanavond, dat is gezellig.”

Hein van Driel heeft zijn eigen kijk op de opleiding van springpaarden: “Een parcoursbouwer moet zeker rekening houden met de leeftijd van paarden. Laatst reed ik op een wedstrijd, zei ik iets over het parcours, zegt de jury: ach, er zijn toch genoeg foutlozen. Heb ik gezegd: kijk ze even na, dat zijn alleen maar ervaren combinaties, voor de jonge paarden was dit catastrofaal, veel te moeilijk. Ook in het Z moet je op een eendaagse wedstrijd ervan uitgaan dat je jonge, onervaren paarden erbij hebt. Waar je wel rekening mee hebt te houden is de breedte van de sport. Die is zo verbeterd, er zijn zo ontzettend veel goede ruiters en amazones. Vroeger had je bij ons in de buurt een stuk of twintig Z-ruiters. Tegenwoordig zijn er zoveel ruiters en amazones die het hoogste niveau aan kunnen als ze de paarden hebben, er wordt echt goed gereden. Plus dat de kwaliteit van de paarden hard vooruit is gegaan. Vroeger viel iemand echt op als ie mooi reed, nu is dat precies andersom. Harmonisch en stilistisch is nou de norm.”
Hein kan het bouwen nog steeds goed combineren met het bedrijf, zijn eigen sport en die van zijn dochters Estée en Donna: “Ze rijden pony en dat kan ik mooi combineren met parcoursbouwen. Met het bedrijf hebben we het nog steeds heel erg druk. We fokken zelf ook, we krijgen paarden aangeboden om ze op te leiden, het gaat goed. Eigenlijk heb ik niet zo’n strak toekomstplan. Gewoon doorgaan, ik zou in feite ook niet echt anders willen. Ik heb nog tijd: mijn oma is 102 geworden, dat zit wel in de familie aan die kant: zomaar achter in de 90. Mijn vader Gerard is bijna 80 maar die is gelukkig super vitaal, je schat hem heel veel jaren jonger. En zonder hem zou het allemaal nog niet kunnen.”

Stal Van Driel in Heeswijk-Dinther
Pagina 16 van 22«...10...1415161718...»