Gijs van de Mortel: we zijn veel te commercieel bezig met de fokkerij

Gijs van de Mortel: we zijn veel te commercieel bezig met de fokkerij

Een ‘buitenmanneke’, zo kijkt Gijs van de Mortel terug op zijn eigen jeugd in Helenaveen, gemeente Deurne. De springruiter heeft na een intensieve Franse periode tegenwoordig met zijn ouders het paardenbedrijf Du Buisson in het Limburgse Egchel waarbij het zadelmak maken en de fokkerij belangrijke activiteiten zijn. Het leverde ook een eigenzinnige kijk op: “We zijn met de fokkerij veel te commercieel bezig.”

In Helenaveen, midden in de Peel, hadden zijn ouders een kwekerij met rododendrons toen Gijs op 7-7-’78 geboren werd. Ponyrijden was niet meteen zijn grootste hobby: “Mijn zus ging ponyrijden bij de buren, zei ik: laat mij er ook eens een keer op. Ik had nog geen rondje gereden of ik lag er al langs, zo hard! Ik ging liever vissen. Mijn zus kreeg mijn vader zo gek dat hij een pony kocht, en toen moest ik er toch ook een hebben. We zijn naar Pietje Martens gereden in Ommel, kochten we Bruintje, een vosje, voor 1750 gulden. Hoe oud ie was, wisten we niet. Als ie beviel, konden we het geld komen brengen. Ik was een jaar of 10.”

Gijs werd lid van de ponyclub in IJsselstein: “Bruintje had zo’n dikke onderhals, aan de teugel rijden kon niet, echt een boerenpony’ke. Hij was wel superbraaf, hij sprong overal overheen. Maar toen moest je een winstpunt in de dressuur halen om te kunnen springen, ik heb er twee jaar over gedaan. Toen is mijn vader naar de commandant Lei Marcellis gegaan: kun jij niet zorgen dat mijn zoon een winstpunt haalt? In Sevenum heb ik toen mijn allereerste winstpunt gehaald, 121 punten, dat weet ik nog precies. En dezelfde dag mocht ik springen, meteen foutloos. Ik ben wel blijven dressuren, dat was de afspraak met Lei Marcellis.”

“Ach, wij moesten beginnen met helemaal niks. Werd er een d-pony gekocht uit de buurt, moesten we die zelf zadelmak maken, proberen omhoog te rijden, werd ie verkocht en dan kwam er weer wat anders. Bij Arnold van Mierlo in Someren hebben we toen een palomino-pony gekocht, een lastige, maar ik had er wel een klik mee. Onder begeleiding van Werner Geven ben ik van het B naar het M-springen gegaan. En crossen, dat was mooi, ik zat in de selectie voor het EK, training met Karin Galema. Ik was 12, heel jong, het zag er goed uit! Tot de pony rhinopneumonie kreeg die op de zenuwen sloeg, de pony raakte de controle over de bewegingen kwijt. Daar hield mijn ponycarrière op.”

Bij springruiter Reinier van der Maas leerde Gijs van de Mortel het vak: “Ik zat op de middelbare school in Horst, kwam ik bij hem in de buurt langs. Zei ik tegen mijn ouders: ik ga daar eens kijken. Van het een kwam het ander, ik heb er heel veel jaren meegeholpen. Mijn vader had in de tussentijd een paard gekocht, ik was einde 15, en ik zat in no time in het Z. Mijn zus was meer van de dressuur, dus sprong ik het paard van mijn zus ook nog erbij. Het begon me steeds meer te trekken. We hebben een veulentje gefokt, nog een paard erbij, en al snel werd het een uit de hand gelopen hobby. Mijn vader zou heel graag gereden hebben vroeger maar dat zat er toen niet in.”

“Na de middelbare school dacht ik: ik ga het hippisch centrum in Deurne doen. De voor-stage bij Henk van de Broek beviel hartstikke goed, maar de school zelf was een tegenvaller. Ik heb het drie maanden gedaan, met de kerst ben ik gestopt. Ik had geen klik met de mensen, het rijden strookte helemaal niet met mijn ideeën. Ik reed al ZZ, ik wilde verder, en ik zat tussen mensen die B of heel misschien L reden. Ik mocht van thuis stoppen, maar dan moest ik wel naar een andere school. Vanwege de boomkwekerij thuis heb ik de middelbare tuinbouwschool in Horst afgemaakt en ben ik halve dagen bij mijn ouders in het bedrijf gaan werken en halve dagen voor mezelf: eigen paarden en rijden voor andere mensen, de verzorging van de fokmerries, noem maar op.”

De kwekerij midden in de Peel werd in 1999 verkocht omdat er natuurgebied moest komen: “Toen moesten we wat anders. Mijn vader vroeg me: wat gaan we nou doen? Ik zei: ik ga verder in de paarden. Nou, zei hij, dan ga ik niet een nieuwe boomkwekerij starten. Hij wilde altijd al graag naar Frankrijk. Hij zei: we gaan er eens kijken, als je paarden wilt houden, moet je grond hebben. Wij naar Normandië. Ach, wij waren geen mensen van de vakantie, nooit ergens geweest. Eind 2000 hebben we daar een bedrijf gekocht, Haras du Buisson, met drie huizen, 65 stallen, alles omheind met hout, met automatische drinkbakken, op 92 hectare kleigrond. Heel rijke grond, met een klein beetje kunstmest konden de paarden er al niet meer op, zo blauw van de stikstof, zo’n rijk gras, dat heeft me ook een paard gekost. In november 2000 ben ik er alleen heen gegaan, ik was 20, met 30 paarden, waarvan 15 fokmerries en een stuk of 5 concourspaarden. We hadden in Helenaveen meer dan een miljoen planten, die moesten verkocht worden. Vader zei: je gaat maar vast vooruit. Mijn moeder zei dan: maar hij is nog zo jong. Zei m’n vader: als hij het nou niet leert, leert hij het nooit meer.”

Haras du Buisson in Normandië

Gijs zette een paardenbedrijf op in Frankrijk maar dat ging niet zonder slag of stoot. Tegenwoordig maken ze er tv-programma’s over. “Vooral het eerste jaar was best moeilijk. Van 15 fokmerries werden het 20, en al snel groeide het uit tot 100 paarden. Een oudere Fransman die er vroeger al werkte, hielp me. De dierenarts woonde heel ver weg, toen zei vader: we kopen een scanapparaat, kunnen we zelf scannen en insemineren, zorg dat je het onder de knie krijgt. Dat bespaarde ons een hoop kosten. Mijn ouders zijn twee jaar later gekomen. We hebben het probleem van de afzet van paarden in Frankrijk onderschat, dat is gewoon niet zoals hier. Wij zijn een handelsland, dat is daar echt anders. Erlangs had ik ook een houthandel opgestart. In Frankrijk werden alle weilanden afgemaakt met spoorbielzen, en hier moesten ze allemaal vervangen worden door beton, een spoorbiels was hier chemisch afval. Dat groeide in een jaar van 300 naar 20.000 bielzen per jaar, het liep als een tierelier. Plus leggers om ze te bevestigen, plus weipalen, zeker 6000 per jaar, plus paardendekens, en daar kwamen weer zoutblokken bij.  Alleen de afzet van die paarden, dat lukte niet.”

“Toen we 9 jaar in Frankijk zaten, zei ik tegen mijn vader: of het dit nou is, ik weet het ook niet. Ik hoef alleen maar te werken, ik heb hier verder niks, geen relatie, niks, alleen maar werken. Komt bij toeval de buurvrouw langs, die had een kasteel, wilde 45 hectare terugkopen hebben die ze ooit verkocht had aan Haras du Buisson. We hebben gezegd: alles of niks. Daar ging nog een half jaar overheen, komt ze terug: ik wil alles kopen. Eind 2009 hebben we het bedrijf verkocht, voor bijna het dubbele voor wat we ooit gegeven hadden, dat was wel goed. Mijn vader deed het met pijn in het hart. Dit krijg je nooit meer, zei hij. Heb ik gezegd: Dat weet ik, maar altijd werken is ook niet alles. Ik wilde mijn paardenbedrijf rendabel maken. Dat lukt het een jaar wel, het andere jaar niet.  De houthandel maakte het vaak goed. We hebben iets in Nederland gezocht en een bedrijf in Egchel gekocht. We zijn met de beste fokmerries verder gegaan.”

“Maar in 2010 kwam ook de crisis, hebben we het echt heel zwaar gehad. Ik heb veel paarden moeten laten gaan voor geld….ik zou willen dat ik die paarden vandaag de dag had.  Gelukkig hadden we een spaarpot, anders had ik het niet overleefd. Komt Ben van Mierlo bij mij: Gijs, kun jij een paar paarden zadelmak maken? Dat sprak zich vrij snel rond, echt heel snel. Nou heb ik er zeker 100 per jaar. We hebben een rijhal van 20 x 40, 27 stallen, een woonhuis voor mijn ouders, en ik woon boven de inpandige garage. Ik voer nog altijd de naam Du Buisson, da’s toch promotie van je stal. Het zadelmak maken blijf ik gewoon doen, daarnaast fokken, dit jaar krijgen we 10 veulens. De beste stammen die ik had, hebben we nog steeds, de stammen waar structureel goede springpaarden uitkomen. De veulens bied ik vaak aan bij de veulenveiling Midden-Limburg. Minimaal elke week ga ik op concours, van BB t/m 1m40. Ik hoef niet per se 1m40 te rijden, ik rijd er liever een in het L die ik kan verkopen dan een in het 1m40 die er af en toe een uitlepelt. En nou heb ik wel een vriendin, Julia van Benten, we gaan samen het bedrijf voortzetten.”

Het bedrijf Du Buisson in Egchel

Iemand die zoveel paarden zadelmak maakt, heeft ook een mening over paarden: “Met de fokkerij gaan we de verkeerde kant op, we zijn veel te commercieel bezig. We maken de fokkerij heel smal, we letten te weinig op het karakter. Veel mensen snappen al niet de definitie van het woord bloed. Voor mij is dat de drang om te werken. Ik had vroeger een Naturel x Eclatant x Beiaard, maar bloed! Die kon je twee uur rijden. Maar het was geen bloedtype. Aan het eind van het liedje is 95% voor de amateur en semi-professioneel, die alleen kunnen rijden als ze een fijn rijdbaar paard hebben. We rennen allemaal naar Cornet, Kannan, Emerald of Comme Il Faut, die gaan voor veel geld weg. In Frankrijk in de draverswereld zijn hengsten gelimiteerd, ze willen hun bloedspreiding zo breed mogelijk houden. Dan komen ook de goede naar boven die je eerst niet in de gaten had. Dat moeten we hier ook doen. Een fokker met een veulen heeft dan iets exclusiefs. Zit je niet in de groep Verdi, dan neem je een andere Quidam of een Verdi-zoon. Nee, ze vliegen met z’n allen op die paar hengsten af. En klonen of ICSI? Dat is niet vooruit werken. Wat geweest is, is geweest. Let op, we zijn grandioos vooruit gegaan. Als ik kijk waar de mensen nu mee rijden….daar durfden we vroeger alleen maar van te dromen.”

De fokkerij van Gijs van den Mortel heeft al heel wat goede springpaarden opgeleverd: “Zeus du Buisson, die met Santiago Lambre voor Mexico loopt. Of Kodarco, die als 8-jarige al Spruce Meadows liep met Ali en de Derby van Hamburg met Jorg Naeve. Rudicon du Buisson en Renoir du Buisson, volle broers van Mr. Blue die alle twee 1m60 sprongen. Dakota du Buisson met Suus Kuyten (v. Dutch Capitol). En bij Rob van Bussel staat nu een heel goede 7-jarige, Chica du Buisson Z, een Galvaro x Mr. Blue. We verdienen de kost, betalen alle rekeningen. Maar ik blijf wel zoeken naar het optimale rendement, dat je er bovenuit groeit. Dan zou het wel mooi zijn als ik de absolute crack zou kunnen fokken….”

Gijs van de Mortel met onafscheidelijk petje, met Julia van Benten en de 6-jarige Dacota du Buisson Z, volle broer van Dakota du Buisson waar Suus Kuyten 1m50 geklasseerd is.

Lotte van den Herik: het hele revalidatieproces duurt nog wel een paar jaar

Lotte van den Herik: het hele revalidatieproces duurt nog wel een paar jaar

Haar moeder en haar oudere zus Nikki reden paard. En hoewel hockey de sport was van de Rotterdamse Lotte van den Herik, dacht ze op haar 11e: misschien moet ik dat ook maar eens gaan proberen. Nu op haar 19e staat de eerste Grand Prix-proef op de planning, ondanks dat vreselijke ongeluk dat haar twee jaar geleden overkwam….

Lotte van den Herik studeert en ze rijdt paard. Dat doen er meer. En toch is het verhaal van Lotte een geheel eigen verhaal. Om te beginnen met haar studie, forensisch laboratoriumonderzoek aan de hogeschool Avans in Breda: “Ik wil heel graag daarna pathologie gaan doen, zeg maar lijkenonderzoek, een beetje CSI-achtig. Als het met de paarden niet lukt, dan is de kans best groot dat ik dat ga doen. Maar ik doe er alles aan om in de paarden te kunnen gaan, ben er nu zeker vijf uur per dag mee bezig. Je moet het wel willen, niet naar een feestje gaan omdat ik de volgende dag wedstrijd heb. Mijn vrienden zeggen dan: kan ze weer niet mee. Elke dag ben ik om kwart over 6 op, hoor ik ze zeggen: mevrouw is weer moe hoor…in mijn klas zitten vooral studenten die het studentenleven willen leiden. Je komt er zo wel achter wie je beste vrienden zijn. Gelukkig heb ik ook vriendinnen met paarden, die snappen het wel.”

Op de Rotterdamse manege reden zus Nikki en moeder Stephanie op paarden van de manege: “Ik heb het een jaar bekeken en toen gedacht: misschien moet ik dat ook eens gaan proberen. Maar ja, als je echt wilt leren rijden, moet je toch een eigen paard hebben. Mijn opa Jorien van den Herik heeft toen een paard gekocht maar dat moest ik delen met een moeder die vooral de bossen in wilde en een zus die wilde springen. Met Tobijan ben ik dressuur gaan rijden en toen ik L1 reed, wist ik eigenlijk al dat ik naar een hoger niveau wilde. Ik vond het zó leuk, die wedstrijdspanning, het voorbereiden en alles, ik ben gestopt met hockey, hoewel ik dat best op een niveau deed. Ik dacht: ik ga de paarden in! En toen zei opa: als je het echt zo leuk vindt, krijg je een eigen paard.”

“Via de Vereniging Eigen Paard kwamen we terecht bij Horsedating. We hebben toen geen paard gevonden maar wel Frenk Jespers leren kennen. We hebben paarden gezocht op internet, dan ging hij mee om te kijken. Als beginner heb je daar gewoonweg niet alle kijk op. Het paard was Desperado, een Valdez x Rubinstein, ruim 4 jaar oud. Ik heb ‘m zelf opgeleid naar het Z. Toen wist ik het zeker: dit is wat ik wil. Internationaal rijden straks en jonge paarden opleiden. Ik had les van Barbara Koot en Bob Tenwolde, werd geselecteerd voor het talententeam Zuid-Holland, kreeg ook les van Mathie Boomaars. Ik was toen een jaar of 14.”

Om hogerop te kunnen komen, bleek Desperado op dat moment toch niet de juiste partner voor Lotte: “Ik wilde graag kaderwedstrijden rijden, daar zou ik met Desperado geen kans hebben. Maar ja, hij was wel mijn alles, had hem zelf opgeleid naar het Z. We hebben hem toch verkocht, aan iemand in Nederland waar hij het supergoed heeft. We hebben anderhalf jaar gezocht naar een opvolger, het is zo moeilijk om een paard te vinden dat goed genoeg is en dat niks mankeert. Ik had in Rotterdam toen naast school genoeg paarden te rijden voor andere mensen dus ik hoefde niet stil te zitten. Via Frenk zijn we bij Dominique Filion terecht gekomen, bij haar bij de Selevia Hoeve in Werkendam stond Darlinde in training, een Gribaldi x Contango-merrie. Ze had ZZ-Zwaar gelopen, ik ben met haar in het Z begonnen. Maar opa zei: moet je niet een paard hebben waar je meer van leert? Dat werd Winner, de San Remo x Gribaldi waarmee Kim van der Velden reed, die stond bij dressuur- en africhtingstal Jespers in Teteringen op stal. Ik heb er heel veel van geleerd. Ik had nog nooit een serie gesprongen, nog nooit een wissel. Als je dat met zo’n ervaren paard leert, kun je het ook toepassen op de merrie. Ik ben begonnen in het Z en ik mag met Winner nu Grand Prix starten.”

Lotte is bepaald niet iemand die anderen het werk laat doen: “Ik hoor natuurlijk ook wel: lekker makkelijk jij met je Grand Prix-paard, koop een goed paard, ga erop zitten en dan lukt het.  Maar zo werkt het absoluut niet. Je kan gewoon niet hoger komen met paardrijden als je geen goed paard hebt. En het is niet zo dat je altijd met een Grand Prix-paard hoog kunt rijden. Het paard doet het niet vanzelf. Ik doe best veel voor de paarden, die nu bij Frenk Jespers staan. Ik train ze zelf, ik poets ze een half uur voor het rijden en een half uur erna, ik mest de stallen uit, allemaal naast de studie. Je moet ook een band met je paard opbouwen, voor mijn gevoel gaat het paard dan ook veel meer voor je doen.”

Opa Van den Herik, bekend van Feyenoord, stelde de goede vragen en zorgde ervoor dat de goede paarden beschikbaar kwamen: “Mijn opa snapte het in het begin helemaal niet. Had ik 70% gereden, zei hij: waarom geen 100%, je hebt het toch goed gedaan? Haha, Frenk heeft hem superveel geleerd, hij leert steeds een beetje meer. Toen ik mijn punten had voor de Grand Prix, was hij er ook bij, was hij ook superblij, heel leuk om te zien. Hij begint het wel steeds beter te begrijpen. Mijn moeder heeft vroeger wel veel gereden, maar vooral springen. Eigenlijk vindt ze dressuur een beetje getut allemaal. Maar ze vindt paarden geweldig, en ze vindt het heel leuk dat ik er zoveel voor doe en er zo mee bezig ben. Ze heeft heel veel gesjouwd, heel wat autogereden voor mij. Al die ritjes naar Werkendam, of naar Frenk Jespers.”

Twee jaar geleden, bij het stappen op de merrie in de manege van de Selevia Hoeve, zorgde een klein schrikmoment voor een enorme domper op de sportplannen: “Ik deed de rits van mijn jas dicht en de merrie schrok van dat geluidje, ze schoot naar voren. Ik viel, precies op mijn stuitje. Ik ben afgevoerd naar het ziekenhuis in een ambulance, kon niet opstaan of niets. Ik was verlamd, ik kon helemaal niks meer vanaf mijn borst, ik kon eigenlijk alleen mijn armen bewegen. Maar ik was zo verdoofd, ik realiseerde het me niet, ik was van de wereld af. In het ziekenhuis zeiden ze: als je morgenvroeg zonder gevoel wakker wordt, hebben we een heel groot probleem. Er was niks gebroken, zeiden ze, maar ja, wat was het dan? Het kon zijn dat het ruggenmerg gekneusd was. ’s Ochtends werd ik wakker met een soort van gekke tinteling, en dat was goed, ik mocht de volgende dag weer naar huis.”

“Een week later ben ik met hulp van iedereen weer op het paard geklommen, vanuit de rolstoel. Ik heb een rondje gestapt, maar daarna heb ik drie maanden thuis gezeten. De merrie werd in de tussentijd getraind door Annika Roodhart, Dominique Filion was toen al naar Rusland verhuisd. Ik heb lang in een rolstoel gezeten, en later kon ik niet op een houten stoel zitten. Voor het havo-examen hebben we bij de commissie een speciale stoel aan moeten vragen. Na een hele tijd heb ik toen toch weer mijn eerste wedstrijd gereden, een kaderwedstrijd bij de junioren. Een half jaar later moest ik van mijn fiets afstappen omdat ik enorm aan het trillen was. Ik terug naar het ziekenhuis: bleek dat mijn rug op twee plaatsen gebroken was. Ik heb heel veel geluk gehad, eigenlijk is het een wonder wat ik allemaal kan doen. Bij je staartbeen zitten allemaal kleine zenuwtjes, ik was zo hard gevallen dat daar ook alle zenuwen waren geklapt. Omdat het ziekenhuis zei: je mag naar huis, kreeg mijn lichaam niet de tijd om alles te herstellen. Dat bleek de grootste fout. Het hele revalidatieproces duurt nog wel een paar jaar, ik ben nu bijna pijnvrij. Er zijn best dagen dat ik denk oei, best wel pijnlijk, maar je gaat er ook wel mee leven, en het vooruitzicht is goed. Ooit hoop ik elke dag pijnvrij kunnen leven. Als ik geen paard had gereden? Dan had ik ook niet zo’n leuk leven gehad!”

En nu? “Ik wil heel graag U25 gaan rijden, hopen dat ik in een kader kom, dat lijkt me wel heel gaaf. In juli ben ik jarig, dan word ik 20, het zou gaaf zijn als ik dan mijn eerste Grand Prix gereden heb. Maar ik ga niet te snel, ik ga het pas doen als ik het echt kan. Gelukkig helpt mijn trainster Kim van der Velden me altijd, echt trainen doen we zo’n twee keer in de week. Voor mij is het allemaal nieuw, ik moet al heel blij zijn dat ik dit bereikt heb.” Begin juni staat de andere volgende stap gepland: de verhuizing naar de eigen accommodatie in het West-Brabantse Schijf, waar VDH Stables straks beschikt over 18 boxen, een binnenbak van 20×60, opfokboxen, een woonhuis en natuurlijk grond voor de paarden: “Het is echt een droom om te gaan werken met de veulentjes, de jonge paarden, en ze dan op te leiden. Als een training goed gaat, dat gevoel is zo heerlijk. En als je dan ook nog een wedstrijd wint…..”

 

 

Jos Brinkman: we geven de hobby paardensport niet op

Jos Brinkman: we geven de hobby paardensport niet op

Praten met Jos Brinkman is een reis door een tijd van veranderingen, op allerlei gebieden. De man uit Twello die in Twente terecht kwam, draagt een schat aan hippische ervaring met zich mee. Van zijn hobby heeft hij in dubbel opzicht zijn werk gemaakt: als instructeur op het Zone.College en natuurlijk als parcoursbouwer, zijn grote passie.

Jos Brinkman werd eind jaren ’50 in Twello geboren in een gezin met 5 jongens en 3 meisjes, een gezin ook met naam en faam in de paardenwereld: hengstenhouderij Brinkman. Meer dan 140 jaar is het bedrijf steeds overgegaan van vader op zoon en ook Jos was een soort van voorbestemd om in de hengstenhouderij te gaan werken: “Alle vrije uren ging ik met m’n broer Willie mee die zich toentertijd over de  Shetlander-hengstjes ontfermde, we hadden er in de toptijd wel een stuk of 7. Mijn vader reed met twee, drie grote hengsten, met namen als Irco Polo, Halewijn, Minister of Mirco. En we hadden toen ook nog drie koudbloedhengsten op stal, de Belgische trekpaarden, dat weet ik nog heel goed. En vaak met pa mee naar de hengstenkeuringen, van de New Forest, de Shetlanders, het KWPN, eigenlijk alles.”

“Willie en ik zouden samen de hengstenhouderij overnemen maar toen kwam het hele KI-gebeuren, het was best de vraag of je daar met twee gezinnen van zou kunnen leven, eigenlijk best een heel groot vraagteken ja. Toen zat ik al in Almelo bij handelsstal Heerdink, de stal die bekend was als De Mooie Vrouw. Willie ging daar in de winterdag altijd al naar toe. En ik in de schoolvakanties. Je moet weten, in de winter kocht mijn vader een paar varkens en koeien om ook in de winterdag bezig te zijn. Zo ging dat toen in de jaren ‘70. Ik was een jaar of 15 of 16, zat op de mavo. Gerard Heerdink zei altijd: blijf maar hier, ga maar van school af. Maar ik heb de mavo afgemaakt.  Mijn ouders wilden graag dat ik doorstudeerde omdat ze niet geloofden dat ik met die mavo werk kon krijgen, maar daar had ik weinig zin in.”

“Toen ik mijn diploma had, was ik de maandag erna al aan het werk. Op een manege in Hattemerbroek bij Zwolle, gewoon het manegewerk. Ik was een jochie van 17, gaf heel veel les, en toen ben ik ook begonnen met de commandantencursus, wat toen de eerste fase van de instructeursopleiding was. En toen vroegen ze bij dierenarts dr. Mulder in Emst personeel. Zijn zoon Michiel Mulder reed eventing wedstrijden, ik verzorgde de paarden en hielp mee in de praktijk. Ik denk dat dr. Mulder de eerste dierenarts van het KWPN was. Hij was de eerste man van de zenuwsnede, wat toen vrij normaal was als er problemen waren met de hoefkatrol. Hij was ook de man van het eerste cornage-onderzoek. En hij begon met röntgenfoto’s, met een apparaat dat hij van het ziekenhuis gekocht had. Ik was er intern, heb het allemaal meegemaakt, een jaar of drie.”

Eind jaren ’70 verhuisde Jos Brinkman naar Twente om te gaan werken bij De Mooie Vrouw:  “Ik was er intern, daar werkten ook Paul Hendrix, Martin Hulshof en Willie van der Ham. Peter Geerink kwam er heel veel, kruimeltje noemden we die omdat hij zo klein was. Ik heb er veel mensen leren kennen, deed daar ook de handel. En een beetje rijden en in de weekenden op concours, ik was toen ZZ-springen, M-dressuur en M-samengesteld. En heel veel de boer op om paarden te zoeken, naar alle markten, Hedel, Zuidlaren, Elst. In deze tijd heb ik de ORUN-cursus verder gevolgd, het was de tijd van Lammert Haanstra, Wim Bonhof en Johan Hamminga. Er ging een hele wereld open voor ons, ik heb er heel veel geleerd in een leuke groep. Ik ben allround geslaagd, dat was in die tijd niet anders. Jammer dat het later gesplitst is, de allerslechtste zaak. Ik vind dat ook een dressuurinstructeur de basis van het springen moet weten, ook cavaletti lopen is goed voor een dressuurpaard, daar ben ik van overtuigd. Om maar iets te noemen. Ik heb toen heel veel lesgegeven, soms wel aan drie, vier of vijf verenigingen. En als gastinstructeur voor de lesweken, dat was toen een bekend iets hier in Twente. Ik mocht ook alles jureren. Het was geen dik loon maar ach, ik was vrijgezel.”

Dat veranderde toen Jos Gerda leerde kennen: “Op vrijdagavond gaf ik les aan de vereniging St.-Hubertus en van de Looleeruiters kwamen daar ‘s avonds altijd mensen naar de kantine, ook Gerda. Het was het ouderwetse verenigingsleven, enorm gezellig. Ik kwam erachter dat zij ook de instructeurscursus volgde. Gerda was een bekende springamazone in Twente, bekend van de NCRV springtrofee die toen op TV kwam. We zouden best willen trouwen als we ergens een vrijstaand huis konden vinden. Dat is nou 36 jaar geleden, in 1981, en we wonen nog op dezelfde plek, in Albergen. Met buitenbak, stallen, een heel mooie plek. Op 14 augustus hebben we feest gegeven, met 80 paarden en vijf koetsen zijn we getrouwd. We hebben zoon Tom en dochter Pia gekregen, en inmiddels ook drie kleinkinderen, prachtig. Tom heeft met de Engelse Emma zijn eigen springstal, Pia rijdt hobbymatig en woont samen met Bart Blaauwgeers die bij Team Nijhof werkt.”

Lune, de oudste van Pia

““Ik heb ongeveer 8 jaar bij De Mooie Vrouw gewerkt, toen stopte het bedrijf. Dat kwam best als een harde klap aan. Het was altijd hard werken voor weinig geld. Na De Mooie Vrouw ben ik gestopt met het werken in de paardensport, even later kon ik aan het werk als varkensdrijver. Verschrikkelijk om te doen. Na een paar maanden mocht ik daar ontvanger worden, met klanten praten, de binnenkomende varkens tellen. Ik heb het een jaar of 7 gedaan, elke morgen vanaf 4 uur, half 1 weer thuis, heel even slapen en dan rijles geven en parcours bouwen. Ik verdiende geld wat ik nog nooit verdiend had in de paardenwereld! Ik ben ook een tijdje tegelzetter geweest en ik ben een hele tijd chauffeur voor een verswarenbedrijf geweest, van vlees tot groente, van alles wat. De paardenbusiness was puur hobby, mijn passie. Op een gegeven moment moest ik daar op kantoor komen: het wordt voor ons toch moeilijk, we stoppen met die vrije dagen voor jouw concoursen, te veel geregel. Oké, dan stop ik, heb ik geantwoord. Hij zegt: hoe bedoel je? Voor mij was het simpel: we geven de hobby paardensport niet op.”

Bliss is de jongste dochter van Pia, hier thuis in de stallen  bij opa en oma

Emma en Tom Brinkman met hun dochtertje Evie

“In diezelfde tijd bouwde ik Expo on Horse. Mijn broer Willie zat op de tribune en die hoorde dat ze bij het AOC – Oost nog iemand voor de praktijklessen zochten. De volgende dag heb ik gebeld: jij hebt mijn baan in handen zei ik tegen die mevrouw. Ik ben gaan praten, vier man tegenover me, had ik nog nooit meegemaakt. Twee dagen later kreeg ik bericht: of ik kon komen voor mijn tweede gesprek.  Ik werd tijdelijk aangenomen als instructeur/onderwijs-assistent. Ik ben begonnen zonder dat ik wist wat ik precies moest doen. Het was leren parcoursbouwen, stagebedrijven bezoeken, longeren, toiletteren, opscheren, spring- en dressuurlessen, leren lesgeven en zo. Met het nieuwe schooljaar dat volgde, kreeg ik een vaste baan. En nou werk ik er 25 uren in de week, da’s meer dan voldoende bij mijn hobby, ik kan het goed combineren. Zuidbroek valt voor een gedeelte in de kerstvakantie, bij Jumping De Achterhoek en bv Jumping Schröder helpen de studenten van mij mee.”

Leerlingen van het Zone.College, eerder AOC Oost

Voor Jos Brinkman is het vak van parcoursbouwer een passie als zzp’er, sinds 2008 voor 1m50-parcoursen en sinds 2016 zelfs met de internationale status voor de 5*-wedstrijden: “Ik ben begonnen bij Marinus Vos, mijn allergrootste leermeester. En ik heb later veel geleerd van mensen als Louis Konickx, Rob Jansen, Olaf Petersen, Linda Allen en Frank Rothenberger: van iedereen steek je wat op. Gelukkig ben ik vanaf het begin dat ik geslaagd was, best veel gevraagd. In de loop van de jaren is ook het parcoursbouwen veranderd. Alle afstanden zijn wel een meter verder dan toen ik begon. Vroeger bouwde je 24 meter, de laatste jaren toch makkelijk 25 meter voor 6 galopsprongen. Een paard galoppeert meer, overal staat nog 3m5 of 3m80, maar ik denk zeker 4 meter, vooral op een goede zandbodem. De paarden zijn veranderd, de bodems zijn veranderd. Het rijden is veranderd omdat ook de paarden veranderd zijn. De afstanden zijn afhankelijk van zoveel factoren: bodem, grootte piste, kleuren, materialen, waar rij ik naar toe, wat is de achtergrond, noem maar op, het heeft met zoveel dingetjes te maken. Ik probeer creatief te zijn, nooit hetzelfde, veel variatie.”

De combinatie met het onderwijs is voor Brinkman ideaal: “Ik hoop dat ik dat kan blijven behouden. We doen het als school heel goed, maar er zijn minder kinderen, dat beginnen we nou langzaam te merken in het middelbaar onderwijs. Het parcoursbouwen hoop ik zonder meer nog een paar jaar te doen. Ik bouw zo’n 40 weekenden per jaar met plezier, met heel veel liefde en passie, dit jaar voor de 27e keer Zuidbroek, voor de 28e keer Ambt-Delden. Dat kan alleen als je veel varieert. Of ik nog op de hengstenhouderij kom? Zeker! Ik heb lang geholpen als ringmeester bij de paasshow, Koen en Marco hebben de hengstenhouderij van hun ouders overgenomen, ook dat is enorm veranderd. Maar wij komen nog altijd graag in Twello bij de Familie!”

 

 

Robbert Ehrens: we nemen de tijd om een paard op te leiden

Robbert Ehrens: we nemen de tijd om een paard op te leiden

Robbert Ehrens is de zoon van. De openhartige, goedlachse Robbert is de eerste om toe te geven dat dat in het verleden best voor wat druk heeft gezorgd. In de opleiding werd er geen bedje voor hem gespreid: als je een jaar lang uitgebeld wordt, moet je hart voor je sport hebben. En tegenwoordig, na een aantal omzwervingen, runt Robbert samen met vader Rob en moeder Vilja het prachtige hippische complex in Weert, waar hij geboren is.

Om met de opleiding te beginnen: je zou kunnen denken dat de ervaren sportpony’s en beste instructeurs worden ingezet om ‘de zoon van’ direct in de wereld van de springsport in te wijden. Maar daar dachten Rob en Vilja Ehrens anders over. Robbert, inmiddels 33, is ze er dankbaar voor. “Toen mijn vader zijn bedrijf in Nuth had, in de stallen bij Bemelmans, ben ik begonnen met ponyrijden in de manege. Ik kreeg gewoon een of twee keer in de week les van Harrie Bemelmans, de vader van Jo. Mijn vader was toen heel druk met wedstrijden rijden, vaak weg. En hij heeft mij de tijd gegeven om gewoon in de manege te leren, de basisdingen, op een heel speelse manier. Met onderlinge wedstrijdjes, spooktochten, dat soort dingen. Op Gekkie, een pony van de manege. Dat heb ik toch wel tot mijn 10e zo gedaan. Ze hebben me thuis nooit gepusht om te rijden.”

Na Nuth volgde de periode De IJzeren Man in Weert: “Toen kreeg ik mijn eerste eigen pony, een c-pony, zo’n jong ding zonder ervaring. Bij de ponyclub PC Weert, gewoon in de les. De eerste keer dat ik met de pony naar de les ging, lag ik er gelijk vanaf. Ik kwam de bak binnen, hij bokte en ik lag op de grond.” Robbert kan er smakelijk en aanstekelijk om lachen als hij erop terugkijkt. “En toen? Zand afgeklopt en er rustig weer op gaan zitten. Ik ben niet zo onder de indruk van dat soort dingen. Zeker toen was ik niet direct zo wedstrijdgericht, meer van lang leve de lol.”

Met de c-pony Rocky

Daarna volgde de D-pony Dajo, waarmee Robbert Limburgs kampioen in het B werd. “Toen was ik meer wedstrijden aan het rijden. In het L ging het goed, maar in het M leek het of de pony een soort van centimeter in zijn hoofd had: ik ben een jaar lang uitgebeld geweest. Mijn vader zei dan: probeer het maar weer. Hij was elk weekend op concours. Mijn moeder is overal met mij heen gecrosst, samen met haar vader, opa Piet Scheeren. Achteraf gezien denk ik dan: leren verliezen, dat moet je ook gehad hebben. Hoe ik het kon volhouden? Dat kon ik toen eigenlijk wel langs me af laten glijden. Ik geef het niet snel op. Ik weet het, een jaar lang, da’s lang…. maar we hebben het overleefd!”

“Ik heb de pony toch weer aan de gang gekregen maar ik werd best snel groot en toen kreeg ik van De IJzeren Man mijn eerste paard. Jolien, een Equador-merrie, daar kreeg ik vertrouwen van want die wilde naar de overkant. Het was het enige paard dat ik reed langs mijn schooltijd. Mijn ouders wilden dat ik eerst mijn school afmaakte, op het Bisschoppelijk College. Waar we nu de stal hebben, zat ik vroeger in de klas. School? Ach, als het me interesseerde ging het me best makkelijk af. Maar ik was niet een grote student, vanuit de klas kon ik zo naar de stal kijken waar mijn vader zat, dat was veel interessanter.”

Met de d-pony Dajo en het grote voorbeeld Rob Ehrens

De Masterclass volgde in Deurne. Robbert was inmiddels in het Z beland en reed me bij de junioren: “Vanaf toen is het allemaal wat professioneler geworden, toen heeft het allemaal wat meer vorm gekregen. Kijk, ik ben van nature niet het allergrootste talent. Door veel doen heb ik het me eigen moet maken. Ik ben ook lang heel erg onzeker geweest, misschien ook wel vanwege de druk van mijn achternaam. Dan voel je toch dat mensen staan te kijken. Dat is best wel een periode geweest dat dat moeilijk was. Als er in het parcours een moeilijkheid was, maakte ik me daar zo druk om dat het juist fout ging.”

Vanuit Weert is het niet al te ver naar het Belgische Meeuwen, waar Jos Heininckx toen een grote stoeterij was begonnen: “Daar ben ik toen halve dagen gaan werken. Ik kon kilometers maken, heel veel paarden rijden, op concours. Luwanda of the Low Lands, mijn eerste juniorenpaard, was van hem, en vanaf die tijd is het steeds beter gaan rollen. In de Masterclass heb ik veel geleerd, vooral op het gebied van instructie, van Marion Schreuder en Cor Loeffen. Uiteindelijk heb ik bij de junioren en young riders fijn mee kunnen rijden. Helaas geen EK’s, want er waren er altijd wel een paar die sterker waren. Maar het was wel een heel mooie tijd waarin ik heel veel ervaring heb opgedaan. Mijn vader heeft me altijd wel wat geholpen, maar toch vooral mijn eigen ding laten doen. In Weert hebben Patrick van der Meer en Ronald Lammerink me altijd goed geholpen in de dressuur. En Yves Houtackers in het springen. Mijn moeder zorgde er op de achtergrond altijd voor dat wij goed konden functioneren, zij is niet zo van de voorgrond, ze wil ook dat het thuis voor elkaar is.”

Het huidige bedrijf Springstal Rob Ehrens in Weert

Het gezin Ehrens verhuisde naar Velp bij Arnhem, naar het complex De Hoge Oorsprong van Theo Jansen: “Ik was een jaar of 20. Dat werd ook een heel mooie tijd, een jaar of vijf, waarin ik veel jonge paarden kon opleiden. En ik reed Marcus Quintus, een jonge Carvallo, internationaal 1m50, in 2* en 3* Grote Prijzen. Dat was een moeilijk paard, het heeft allemaal een tijdje geduurd maar toen was ook elke keer raak met heel mooie klasseringen. Begeleid door Dick Groenewoud en Sven Harmsen, beter kon niet. Hij werd verkocht naar Amerika, en ik kwam in een gat te zitten, er kwam niks nieuws achteraan. Dat was ook niet de motivatie van het bedrijf.”

En toen ontstond het idee bij Robbert om voor zichzelf te beginnen: “Ik wilde weten of dat mogelijk was voor mij. Ik heb 7 boxen gehuurd bij Joy Lammers in Hamont. Natuurlijk had het een aanloop nodig maar op den duur had ik er 18 nodig, ook voor de mensen die er hun paard hadden staan voor de begeleiding, dat is iets wat ik heel graag doe.” Via een lesklant kwam Robbert daarna terecht bij Sjors Burg in Hoogeloon: “Ik heb er een jaar of twee gezeten. Sjors had nogal zijn eigen mening, op den duur werkte dat toch niet, vooral ook omdat ik graag mensen begeleidde die dan daar moesten komen. Het was beter om uit elkaar te gaan.” De mooi nieuwe accommodatie van Hay Verdellen in Sevenum werd het volgende onderkomen: “Mooi centraal, met goede faciliteiten. Maar nog steeds gehuurd….Ik heb er voor Matthieu Moors Hisa gereden, een beetje een verreden paard die in het begin het bit niet aan durfde te nemen. Het paard had tijd nodig. 1m30 leek in het begin de max maar uiteindelijk heb ik wel in Odense de landenwedstrijd mee gereden en in Grote Prijzen er vooraan bij gezeten. Ze is toen verkocht naar Amerika.”

Met Hisa tijdens Jumping Indoor Maastricht

“Mijn vader kreeg op een bijeenkomst in het MECC de vraag waarom de bondscoach geen eigen spul in Limburg had. In Weert zijn we toen aan de gang gegaan: daar ben ik geboren en mijn vader heeft er sportief zijn beste tijd gehad, het voelde het beste. In overleg met de gemeente zijn we hier op deze plek uitgekomen, met de hele familie bij elkaar. Ik ben blij dat ik op een aantal plekken gehuurd heb gezeten, ik heb vooral geleerd wat ik kon en wat ik niet kon.”

“En nou ben ik ongelofelijk trots op wat we neergezet hebben. Een sportstal, met handel en veel begeleiding. Het uitbrengen van de paarden doe ik, eigen paarden en paarden van eigenaren, en dan een keer verkopen. Handel is niet ons belangrijkste ding maar doordat we veel begeleiding doen, ontstaat vanzelf wel wat handel. Het is zeker niet zo dat het hier heel snel erin en eruit gaat, onze kracht is juist dat we de tijd nemen om een paard op te leiden.

Neem onze Clearway, die is nu acht, daar ben ik drie jaar geleden mee begonnen. Extreem bang op het voorterrein, heel kijkerig, en heel veel fouten door eigen spanning. En hij gaf me toch het gevoel dat het erin zat. Het was een project van zoeken, doen, en die puzzel begint nou op z’n plek te vallen. We hebben voor het eerst 1.40/1.50 gelopen, heeft ie top gedaan. Van een extreem moeilijk paard is het nou een heel makkelijk paard geworden. En daar heb ik net zoveel plezier in als in internationaal rijden. Dat is een wereldje: om een beetje de aansluiting te krijgen moet je er wel drie of vier op hoog niveau hebben.”

Met Classe, de Clearway x Contender x Cor de la Bryere

Tegenwoordig is Robbert ook betrokken als jurylid bij het Anglo Europan Studbook: “Ik heb altijd heel veel interesse gehad in fokkerij. Thuis hadden we een stapel met hengstenboeken, daar zat ik altijd in te bladeren. Voor een stage heb ik meegelopen met Toon de Crom uit Weert, met een schouwhengstje een week op pad. Daar heb ik heel veel aan gehad, nog steeds eigenlijk. Van hoe hij ernaar keek, dingen die hij vertelde, een soort van wijsheden die altijd toepasbaar zijn. De eerste keer bij het AES was vier jaar geleden, daar leer je ongelofelijk van. Je staat met andere juryleden, je ziet heel veel paarden. Het is toch een kwestie van heel veel doen en zien. En nieuwe mensen leren kennen.”

En nu? “Ik heb echt heel veel plezier in het les geven èn in het opleiden, wat ik echt van mijn vader geleerd heb, en dat is ook mijn drive. Ons bedrijf is nog steeds in aanbouw, het grootste gedeelte is klaar, we hebben het goed voor elkaar. Gelukkig loopt het goed, ook met lesgeven. En het gaat goed met ons drieën. In dit wereldje is het moeilijk om te zeggen wat je wilt, het is ook afhankelijk van wat je hebt. Paarden voor de topsport is in dit stadium gewoonweg te duur. Maar af en toe eentje verkopen, dat is helemaal niet erg. Ik heb geen tijd om leerlingen vast te begeleiden, dan moet je zelf stoppen met paardrijden, en dat doe ik nog te graag. Volgens mij wil mijn vader daar wel wat meer naartoe naast zijn bondscoachschap, hij vindt dat ook leuk. En als ik dan terugkijk: dan heb ik natuurlijk ongelofelijk veel gehad aan mijn vader. Met basiswerk, de boel voor elkaar hebben, de boel onder controle hebben ook, regelmaat en ritme.”

Jeroen Duenk: geef je paard de kans om voor je te willen werken

Jeroen Duenk: geef je paard de kans om voor je te willen werken

“De vraag is altijd: kan ie het niet of wil ie het niet? Het tweede komt niet zo vaak voor…..” Jeroen Duenk aan het woord, de man die zeldzaam gepassioneerd over zijn vak kan vertellen. Zijn eigen ervaring was daarbij doorslaggevend: “Dat was belangrijk, zo realiseerde ik me hoeveel last een paard ergens van kan hebben en hoeveel stress je daarvan op kunt bouwen.”

Het was zo rond 2012 dat Jeroen Duenk uit Aalten – toen begin 40- steeds meer last kreeg van zijn lichaam. Hij had een zittend beroep, zat op een grote grondverzetmachine in de wegenbouw: “Ik kreeg last van een tennisarm, van mijn bekken, mijn rug. Eigenlijk alles wat ik nu bij paarden tegenkom. Als iemand je continu vraagt om iets te doen wat je eigenlijk niet kunt, dan kun je een ander persoon worden. In mijn geval: dan krijg je ook een kort lontje. Dat kan ik nu pas over mezelf zeggen. In die tijd wilde ik eigenlijk een humane opleiding doen, een half jaar in Zuid-Afrika een opleiding volgen. Maar dat was lang weg, dat kon ik niet combineren met mijn werk, en het was duur. Tot mijn vrouw Chantal zei: ik heb een opleiding gezien voor massage bij paarden, is dat niet iets voor jou?”

Jeroen had altijd al paardgereden, zo ongeveer vanaf z’n 10e: “Paarden van de buurman, van een andere buurman, over alle vaste boomstammen springen, door greppeltjes, overal gingen we overheen en doorheen, je zag geen gevaar. Er werd natuurlijk niet naar een tandarts gekeken, of naar de kwaliteit van een zadel, je ging gewoon. Toen ik een jaar of 16/17 was, ben ik gestopt. Toen Chantal en ik gingen samenwonen, hebben we samen ons eerste eigen paard gekocht. Ik mee naar verenigingslessen, naar de smid, en zo. Maar natuurlijk nooit gedacht aan iets als therapie bij paarden. Als je toen had gezegd: daar moet een osteopaat bij komen, had ik gezegd: waarom dan?”

Jeroen meldde zich bij de cursus van het Nederlands Hippisch Instituut: “Ik ging erheen omdat het me interessant leek om zoiets erbij te doen, als een hobby. Maar die eerste dag al, die les van Frans Poel, die begon te praten hoe het in elkaar zat. Waanzinnig interessant vond ik het, direct vanaf het begin. Ik heb Johan van Sommeren en Frans Poel de oren van de kop gevraagd. En ik ben af en toe eens een paard gaan behandelen. Langzamerhand kreeg ik steeds meer commentaar van eigenaren: Wat heb je gedaan? Ons paard is veel vrolijker! En ik heb heel veel boeken gelezen. Maar ik had ook een 50-urige werkweek van half 6 tot ’s avonds een uur of half 6 voordat ik thuis was. En daarna oefenen met paarden. En toen ben ik verder gaan zoeken, ben een HBO-opleiding tot osteopaat gaan doen. Dat waren drie heel drukke jaren, mijn vrouw heeft toen weinig aan me gehad. In combinatie met de osteopathie werd het steeds drukker, een berg uren maken, dat was niet meer te doen. In 2015 ben ik voor mezelf begonnen.”

“Ik had zelf ervaren hoe het is om te moeten bewegen met pijn. Vergelijk dat maar eens met een paard. Als een ruiter steeds iets vraagt wat het paard eigenlijk niet kan, dan ontstaat stress. Je ziet een paard dan letterlijk veranderen. Een paard moet voor je wíllen werken, en als dat niet is, presteer je ook niet. Je moet het samen willen doen. Maar het ontbreekt vaak aan kennis van het paard. Ik krijg ook veel reacties in de trend van: ja maar de instructrice wil dat we zo rijden. Tja, dat kan voor het bewegingsmechaniek catastrofaal zijn. En als die aanwijzing niet beloond wordt door een jury, zegt de eigenaar: wie heeft er nou gelijk? Want die wil snel winstpunten scoren. Dat stukje mocht meer benadrukt worden in de opleiding voor juryleden en instructeurs. Eigenlijk moesten we allemaal op één lijn zitten.”

Het bewegingsmechaniek, de biomechanica, is het specialisme van Jeroen Duenk: “Fascinerend vind ik dat, en dan vooral hoe alles met elkaar samenhangt. Om te zien wat er gebeurt als een paard zijn achterbeen naar voren zet, waar het bekken dan naartoe draait, wat een wervel dan doet, welke spieren worden aangespannen, hoe ver dat doorwerkt, tot aan de kaak aan toe. Vaak is het zo dat je via de biomechanica bij een signaal van irritatie op een heel ander punt uit kunt komen dan waar hij aangeeft pijn te hebben. Als het paard last heeft van zijn lever of maag, heeft ie in de voorhand minder beweging. Dat lijkt dan in de schouder te zitten, dan ga je zoeken waar dat vandaan komt. Maar als je een paard behandelt dat stress heeft, ga je weer heel anders zoeken.”

De gedrevenheid van Jeroen Duenk om uit te leggen hoe hij naar het functioneren van het paard kijkt, is indrukwekkend. Vooral ook als hij over emoties gaat praten: “In je therapie kun je een paard emotioneel ook enorm helpen. Je kunt ze hun verhaal laten doen. Als je een paard in handen krijgt en je laat de organen een beetje spreken….darmen, lever, nieren, kun je best goed behandelen. Het binnenste van een paard spreekt heel veel mee. Als je dan in een uurtje een paard ziet veranderen, van heel felle ogen naar rust, dan geeft dat een enorme voldoening. Vergelijk dat met mensen: als je stress hebt, trek je steeds meer je schouders op, gaat je ademhaling omhoog, verminder je je buikademhaling, verminder je ook je ruimte in je buikholte. Dan duurt het niet lang of je krijgt buikpijn. Hoe dieper je ademhaalt, hoe minder je last hebt.”

“Als je een paard in de dressuur heel erg in de oprichting zou trekken, dan drukt ie zich zo vast onder in de halswervels, dan ontstaat artrose in de onderste halswervels C6 en C7. Daarmee hangt alles samen: ademhaling, darmproblemen, maagproblemen. Iets minder oprichting, het neusje iets eruit, dat geeft zoveel ruimte in de halswervelkolom. Als ie blokkeert in zijn kaken, dan blokkeert ie eigenlijk in zijn hele lichaam. Soms weten we als ruiter niet helemaal wat we doen. We zouden meer na moeten denken en ons realiseren wat het betekent voor je paard. Er zijn ruiters die vaak paarden krijgen waar een ander niet meer op durft. Vaak paarden waar totaal niet naar is geluisterd, die alleen als gebruiksvoorwerp zijn gebruikt. Emotioneel gebroken. Die ruiters nemen de tijd om vertrouwen terug te winnen, om het paard weer zover in balans te krijgen dat hij voor je wíl werken. Die samenwerking tussen ruiter, therapeut en paard is prachtig, en pas dan kom je uit op topprestaties van wereldklasse.”

“De kennis van paardrijden, de oude stempel, verstand hebben van je paard, van je voer, je ziet toch dat dat langzaam minder wordt in Nederland. Weet je, aandacht voor goed van achteren naar voren rijden is al een heel belangrijk iets. Op concours kijk ik vaak de andere kant op. Er zijn best veel mensen die gewoon geen verstand van een paard hebben en niet weten hoe het werkt. Daardoor ontstaat de discussie. Tussen topsport en recreatie zit een heel groot grijs gebied maar ik weet zeker dat je best dressuur kunt rijden op een heel eerlijke manier. Met een langere aanloopperiode misschien waardoor het resultaat niet direct heel meetbaar is in de vorm van winstpunten. Ik maak best vaak mee dat mensen afhaken als het gaat om wedstrijden rijden. Dan kijk ik de eigenaar in de ogen en vraag: vind je het nog wel leuk? Soms springen de tranen in de ogen. Joh, leg de lat niet zo hoog, ga eerlijk paardrijden. En geef je paard de kans om voor je te willen werken.”

“Alleen… dat zwart-witte in Nederland. Als je die discussies ziet op Facebook… we hebben TV, internet, alles. We willen het voorbeen steeds verder naar voren, de hindernissen steeds hoger. Maar een paard is geen gebruiksvoorwerp. Veel paarden hebben het vertrouwen in de mens een beetje verloren, die paarden krijg ik best vaak. En dan gaat het weer eerst om het mentale vlak. Als je paarden geestelijk op je hand kunt krijgen, dan kun je daarna gaan werken aan het lichamelijke, dat is bij mensen niet anders. Lichaam en geest werken altijd samen. Dan groeit ie in zijn mentale vlak, bouwt spieren op, en wordt alleen maar sterker. En dat ga je zien in de prestaties. Mijn eigen lichamelijke klachten zijn nou ook weg: ik vraag veel meer van mijn lichaam dan toen en ik heb nergens last meer van.”

Ook dat is onderwerp van de osteopaat: “In feite een gevarieerd vakgebied, en niet alleen een botje dat je probeert te mobiliseren. De weke delen, de emotionele delen van een paard horen er ook bij. Emoties kun je zien. Stel je hebt een paard, tien jaar lang gehad, heeft alles voor je gedaan. Opeens komt er een vrachtwagen op het erf, de klep gaat dicht, weg van zijn vaste stalmaatjes, van de eigenaar die hem een aai over zijn bol gaf, ander voer, ander zadel. Dat kan wel een half jaar duren. Ga maar na. Wanneer heb je buikpijn? Als iemand overleden is, bij groot verdriet, noem maar op. Dat heb je bij paarden ook. Als je merkt dat de darmen heel strak staan, dan kun je ze behandelen zodat ze wat zachter worden. Daardoor kan het paard weer dieper ademen. Zucht een keer goed en je hebt een last van je schouders af. Paarden….ze kunnen nog net niet praten. Voor mij voelt het alsof ie zijn verhaal heeft kunnen vertellen.”

Inmiddels geeft Jeroen zelf les aan het Nederlands Hippisch Instituut: “Ik heb daar een fantastische tijd gehad, en nou mag ik er zelf bijscholing geven. Vaak aan massagetherapeuten die al eerder ergens een opleiding hebben gedaan. Het gaat dan over de rol van de ruiter, over technieken om problemen op te lossen. Ik probeer goed uit te leggen wat voor een invloed de ademhaling heeft op de bewegingsvrijheid, dus de spieren, en op het emotionele vlak. Natuurlijk zijn de spiertjes erg belangrijk, maar bij de NHI neem ik de studenten mee in mijn passie op een veel dieper level, zodat zij leren om veel intenser te kunnen behandelen als alleen een spier te masseren. Zo’n dag is altijd te kort, ik moet me echt richten op de stof die we aan de orde hebben. Want als ik eenmaal begin te vertellen….”


Het Nederlands Hippisch Instituut organiseert cursussen, leergangen, opleidingen, workshops, clinics, en symposia. Sinds de oprichting in 1996 heeft het NHI een grote expertise opgebouwd in de organisatie ervan. Het NHI onderscheidt zich door de bijdrage van specialisten binnen hun vakgebied. Hierdoor wordt kwaliteitsvolle kennis gewaarborgd en overgedragen.

Klik hier voor meer info

 

Cor Loeffen deel 2: we hebben een hoop roepers in onze wereld

Cor Loeffen deel 2: we hebben een hoop roepers in onze wereld

Deurne, springsport en fokkerij, dat zijn de kernwoorden om de meest in het oog springende activiteiten van Cor Loeffen uit Alverna te beschrijven. Een stijlruiter was hij, met paarden die vaak uit het koppelbazen-circuit voor hem gekocht werden. Een directe en consequente instructeur voor wie best veel leerlingen veel respect hadden.  En een kenner van de fokkerij, die geleerd heeft dat argumenten tellen. Hier deel 2 van zijn verhaal.

Cor Loeffen heeft in de loop van de jaren naam gemaakt als Deurne-instructeur. Hij is er gebleven tot de school een paar jaar geleden de deuren sloot: “Ik verwachtte veel van mijn leerlingen, dat botste ook nog wel eens met de verschillende directeuren maar dat is altijd goed opgelost omdat het resultaat bij de leerlingen goed was. Ik was heel direct en consequent, dat wordt wel eens verward met streng. Ja, er waren mensen die bang waren, maar op dat moment besef je dat eigenlijk niet zo. Eerlijk gezegd was ik daar als kind ook mee geconfronteerd en toen vond ik ook dat dat niet zo moest.”

Cor Loeffen, de instructeur zoals de oudere garde van Deurne zich hem zal herinneren

“In Deurne had ik altijd zes of zeven leerlingen tegelijk in de les. Ik moest blijven herhalen, maar op een gegeven moment was ik wel zover dat ik vroeg of iemand iets aan de oren mankeerde, of dat de batterij van het apparaat op was of zo. Ik kan me nog steeds opwinden als iemand er niks mee doet. Als de leerling ervoor openstaat en voelt dat het leidt tot een verbetering: dan kunnen ze stappen maken en dan staan ze ook open voor de instructie.  En dan heb je nog het volgende punt: je moet iets van de leerlingen vragen wat ze uit kunnen voeren. Inschatten wat bij de een wel kan en wat bij de ander nog niet mogelijk is. Dat moet je ook leren. Maar ja, het komt toch vaak neer op zaken die niet helemaal te leren zijn: het zijn altijd dezelfde spitsen die op de goede plaats staan bij het voetbal.”

Tjeerd Velstra als directeur van zijn Deurne

Tjeerd Velstra was de directeur die Deurne groot heeft gemaakt: “Hij was voor ons als instructeurs geweldig, hij heeft de school enorm op de kaart gezet. En we hadden natuurlijk een vast salaris, verzekering en een pensioen. Toen was het belangrijkste dat hij ons enorm veel vrijheid gaf. We konden wedstrijden rijden, bijscholing volgen, handelen, we kregen alle vrijheid. Hij was daar heel open in. In die tijd ben ik gaan lessen bij Piet Oothout, de grote dressuurinstructeur. In het begin wilde ik dat niet, ik voelde me springruiter, en dan denk je dat je het uitgevonden hebt. Maar ik moest van Velstra. Tja, wat moest ik daar nou gaan doen? De eerste twee jaar betaalde de school dat, dat lessen in Soest. Het heeft best een tijd geduurd voordat ik aanvoelde wat de man bedoelde. Langzamerhand kreeg ik gevoelsindrukken bij zijn instructie, maar het thuis narijden heeft heel lang geduurd. Ik had toen een kort lontje: als een paard niet luisterde, gaf ik meteen een knal. Na twee jaar was het  budget van de school op, moest ik het zelf betalen.”

De laatste diploma-uitreiking in Deurne in 2016

“Ik ben er daarna elke twee weken op eigen kosten heen gegaan omdat ik voelde dat er meer in zat. Thuis in m’n eentje kreeg ik het gewoon niet voor elkaar. Tot aan zijn dood heb ik bij hem gereden, die man heeft een enorme invloed op mijn rijden gehad. Op mijn springerij, maar vooral op mijn lesgeven. In mijn geval was het een beetje de stroper die later de beste boswachter wordt. Die man kon het rijden zodanig functioneel maken dat het voor het springen hielp.  Oothout had een heel mooie mix tussen klassiek africhten en ‘de andere manier van rijden’, wat hij circus noemde. Klassiek is dat je het paard ook gymnastiseert, vond hij. Op het moment dat ik een wedstrijd ga rijden, kom ik vaak bij het circus uit, zei hij. Te veel juryleden beoordelen de oefening, ze zien dan vaak minder of dat gymnastiserende waarde heeft, was zijn overtuiging. Dat heeft Oothout mij bijgebracht.”

“Oothout zei ook: bekendheid wordt vaak verward met bekwaamheid. We hebben inderdaad een hoop roepers, als ze dan met de feiten geconfronteerd worden, doen ze net of ze dat al wisten, en als het toevallig een keer uitkomt, doen ze alsof ze God op aarde zijn. Het zijn mensen die kreten uitslaan en zo hard roepen omdat ze bij voorbeeld bekend zijn, en dan indruk maken. Als zo iemand iets gaat roepen, wordt dat voor waarheid aangenomen. Maikel van de Vleuten rijdt in Den Bosch met Verdi TN op zondagmiddag een galopsprong meer terwijl ie dat eigenlijk niet wilde. Toch had hij het op dat moment nodig om voor zijn gevoel goed aan de andere kant te komen. Hij kreeg een tijdfout. Waarom rijdt ie dan niet harder, wordt er dan gezegd door dat soort mensen. Dat zijn roepers.”

“Roepers zijn het tegenovergestelde van mensen als Johan Heins of Hans Horn, kenners, beschouwers. Een topper als Harrie Smolders is bij Johan Heins opgeleid, zelf een geweldige ruiter, een kenner, iemand die met weinig woorden duidelijk maakte wat hij bedoelde. Harrie had natuurlijk aanleg, maar dan is het nog de vraag of je het talent hebt om het te ontwikkelen. Ik heb een keer paarden moeten beoordelen met Johan Heins. Met weinig woorden kon hij precies aangeven waar het over ging, toen is een wereld voor me open gegaan. In heel korte momenten kon hij gebaseerd op feiten zeggen wat hij zag. Een mening had ik al, maar op welke feiten gebaseerd dan? Met het vrij springen kwam een paard in de baan met een grote galop. Dat was minder gunstig om die dag heel hoog te eindigen. Dus fokken we een kortere galop? Nee, want later hebben ze er juist heel veel profijt van. Heins zegt van huis uit niet zoveel, het tegenovergestelde van een roeper.”

Cor Loeffen wordt al decennia geassocieerd met fokkerij. En met beoordelen. In Deurne gaf hij exterieurleer: “Maar er was weinig lesstof. Het lineair scoren heeft dat  veranderd. Sjef van Rijswijk, Jaap Werners, Gert van der Veen en Arie Hamoen hebben daarin het voortouw genomen. En dan kwamen bij ons in Deurne paarden van het proefbedrijf die we gingen scoren. Professor Barneveld kwam toen ook regelmatig in Deurne. Feiten, daar ging het om , objectief, dat sprak mij ook aan. Dat kon ik bij de leerlingen heel goed gebruiken als lesstof. En toen is het idee opgekomen om jurylid te worden, in 1988 op m’n 34e, dat was vrij vroeg. Voor die tijd had ik altijd wel goede paarden gehad, maar ik had nooit gekeken naar de afstamming, nooit! Dat interesseerde me toen niet. Ik denk dat nou nog een hoop ruiters zeggen: als ie maar springt. Alhoewel het bij ruiters nu meer leeft dan vroeger in mijn tijd.”

De merriekeuringen vormden het eerste toneel voor jurylid Cor Loeffen: “Je keurde een paard in die tijd met een a, b of c, met een plusje of minnetje. Ik stond een keer in de baan met Arie van Baalen senior, een geweldige vakman. Komt er een paard binnen, zeg ik: ik denk een a. Moesten ze rondstappen, liep de merrie op de derde plek. Toen zag ik dat ze te beknopt was. Ja, zegt Van Baalen, maar dat had ie vanochtend toch ook? Hij maakte meteen duidelijk dat er niks mis was met een eigen mening, maar dan confronteerde hij me er ook mee. Belangrijk voor mij is ook Gert van der Veen geweest, toen de directeur en hoofdinspecteur. In 1994 heb ik voor het eerst los springen beoordeeld met hem, een man met visie, die heel weinig draagvlak voor zijn ideeën over aansluiting naar de sport had. In het publiek niet zo’n prater, maar als we samen naar de keuring reden, stopte hij pas met praten als we er waren.”

In 1995 werd Cor Loeffen lid van de hengstenkeuringscommissie van het KWPN: “Samen met Ab Barneveld en Sjef van Rijswijk, enorm ervaren mensen. Vooral Barneveld vroeg me altijd: waarom? Hij heeft me geleerd om dingen makkelijker te formuleren. Als je een mening had zonder feiten, dan was hij keihard. Een mening hebben was prima, maar je moest het altijd uit kunnen leggen. Ik heb het gedaan tot 1999. Toen rommelde het nogal binnen het KWPN en vanwege een meningsverschil werd ik voor het blok gezet. Maar ja, later moesten ze weer een jurylid hebben bij de Rabobank-week in Ermelo, even later vroegen ze me toch weer als inspecteur voor Limburg. En in 2012 vroegen ze me opnieuw voor de hengstenkeuringscommissie. Met een steeds groter verschil met toen ik begon: op de merrielijnen werd in het begin maar gewoon gelet. Als je nou in de voorbereiding ziet hoeveel er beschikbaar is…..ik zit nou in mijn laatste periode. Een goede sfeer hebben we, met Wout-Jan van der Schans en Henk van de Broek, mensen uit de sport.”

In de KWPN-hengstenkeuringscommissie met Wim Versteeg, Daan Nanning en Hester Klompmaker

De hengstenkeuringscommissie is een belangrijker orgaan dan je op het eerste gezicht zou denken. De keuze voor verervers en daarmee het type paard wordt er gemaakt. Het heeft volgens Cor Loeffen de afgelopen twintig jaren heel veel opgeleverd: “De verschillen in exterieur tussen dressuur- en springpaarden zijn steeds groter geworden. In de dressuurfokkerij heeft een beperkt aantal hengsten een grote rol gespeeld om een steeds sterkere uniformiteit te hebben, hengsten als Gribaldi, Jazz, Ferro en Krack C.  En nog steeds, ook omdat ze in de mannelijke lijn door-vererven. Dan moet je wel blijven zorgen voor voldoende bloedspreiding, met hengsten uit het buitenland bij voorbeeld. Bij de tuigpaarden hebben we in het verleden met hengsten als Oregon en Renovo zo’n effect gezien.”

Als inspecteur van Limburg samen met Jan Greve

“Bij het springen is de variatie in exterieur groter. Er zijn springpaarden van 1m62 die heel goed springen, maar de meerderheid is veel groter. Er zijn springpaarden genoeg die met een van nature wat verticale hals toch een goede sprong maken, maar het merendeel heeft een wat meer horizontale hals. En de kruisvorm bij springpaarden is vaak wat rechter. In de dalende fase in de sprong moeten de heupen omhoog en als de zitbeenknobbel hoger zit, dan is dat gemakkelijker. En bij het springen zie je wat betreft hengsten een veel gemêleerder gezelschap met veel grotere aantallen. Ik denk dat die specialisatie een goede zaak is. Vergelijk het springpaard van nu eens met het springpaard van zo’n 20 jaar geleden. Het is een completer paard geworden, waarmee de doorsnee-ruiter makkelijker een Z-parcours rijdt. Toen wij reden, zaten er misschien 25 in het Z, dat was al veel. En nou zie je van die wedstrijden met meer dan 100 in het 1m40. De specialisatie heeft dat mogelijk gemaakt.  Natuurlijk, er zijn mensen die zeggen dat een Z-niveau niks voorstelt. Maar begin er maar eens aan, daar gaat echt een x-aantal jaren training overheen wil je dat goed doen!”