Jacques van der Harst: het niveau van rijden moet omhoog

Jacques van der Harst: het niveau van rijden moet omhoog

Jacques van der Harst is de bevlogen voorzitter van KNHS-Noord-Brabant, instructeur en internationaal dressuurjurylid. Er zijn mensen die eerst carrière maken en dan iets in de paarden gaan doen, hij deed het andersom. Van der Harst is met zijn rijke ervaring bezorgd om het opleidingsniveau in Nederland: “Het niveau van rijden moet omhoog, de sport gaat anders te gronde.” Wat voor hem altijd voorop staat: “Ik doe het met hart en ziel, en anders niet.”
Jacques van der Harst, 71 maar zeer alive and kicking, groeide op in Den Haag, waar zijn ouders in het centrum aan de Brouwersgracht een drogisterij hadden. Bij de opvoeding hoorde ook paardrijden, waarvoor hij op de manege in Wassenaar belandde: “Daar ben ik al vrij snel betrokken geraakt bij allerlei activiteiten, Helene Aubert reed er ook in die tijd. Als opleiding heb ik eerst een drogisterij-cursus gedaan, maar dat was toch niet mijn hobby. Ik ben de techniek in gegaan, na de MTS de HTS werktuigbouwkunde, en nog later in 1988 fijnbankwerker als hobby. Min of meer gedwongen door mijn ouders, die vonden dat ik diploma’s moest halen.” En toen dat erop zat, was er voor Jacques eindelijk onbeperkte ruimte voor de paardensport.
Hij vertrok vanuit Den Haag naar de Eswalmanege in Vries: “Gewoon brutaalweg gesolliciteerd, ik heb een proefles gegeven en ik werd aangenomen. Ook dat heb ik met overgave gedaan, altijd 100%. Op een heel leuke plek, veel lesgegeven en veel geleerd. Aan manegeklanten en de rijvereniging, plus ik heb een aantal Trakehner dekhengsten mogen rijden. Al vrij snel was ik bedrijfsleider, eigenlijk heb ik mezelf geschoold in die tijd. En ik heb toen de kans gekregen om de KNF-instructeurscursus te volgen, die heb ik in twee jaar gehaald. Ik moet Ruiterkamp en de KNF nu nog complimenten maken over hun aanpak: ze hebben mij een heel goede basis gegeven om op verder te borduren.”
Via-via kreeg Jacques van der Harst daarna de kans om in het Duitse Ost-Friesland les te gaan geven, in een klein vissersplaatsje aan de Waddenzee, waar investeerders uit het Ruhrgebied een vakantiecomplex wilden realiseren: “Toen het bijna klaar was, was het geld geloof ik op, ik heb het toch bijna twee jaar gedaan. Van daaruit ben ik naar het Zuid-Limburgse Mheer gegaan, vlak bij Slenaken en Eisden. In dienst van Baron de Loë, op een manege, pensionstal en Haflingerfokkerij en hengstenhouderij. Om les te geven, waarbij ik de twee paarden mocht meenemen die ik in Drenthe van de eigenaren gekregen had voor wie ik ze reed en verzorgde. Vanuit Mheer heb ik er ook wedstrijden mee gereden, vooral Z2, dat waren er in die tijd niet zoveel. Maar ook tot en met de lichte tour, met Palermo, een jonge Lector. Aangezien ik het KNF-diploma had, ben ik ook commandantencursussen gaan geven voor de NKB in de provincie Limburg. En ook de jurycursus, waar ik ook Wim Ernes in de les had. Het was ook een heel leuke periode maar op een gegeven moment realiseerde ik me dat ik dat toch niet mijn hele leven wilde blijven doen.”
 Met de hengst Halewijn
Jacques van der Harst ging naar Akzo Nobel in Maastricht: werken in de onderhoudsdienst, waar hij al snel assistent-chef werd. En niet veel later nam hij de kans om chef van de fabriek te worden, wat hij zeven jaar deed. Akzo vroeg hem om Noord-Amerika op zich te nemen, wat verhuizing naar Atlanta betekende. Na vijf jaar volgde een wereldwijde uitdaging vanuit Gothenburg: “Dat heb ik uiteindelijk zes jaar gedaan, in die tijd heb ik nauwelijks iets met paarden van doen gehad. Toen kwam Organon: of ik general manager wilde worden in Mexico. Heb ik ook gedaan. Maar toen we daar eenmaal begonnen waren, moest Organon in Mexico gesloten en verkocht worden. Ook gedaan. En toen kwam in Nederland de positie vrij van hoofd inkoop wereldwijd, ben ik dat gaan doen. We hebben een huis gezocht, en zo ben ik in Nuland in Brabant terecht gekomen. Ik ben mijn ouders nog steeds dankbaar: door mijn achtergrond in de drogisterij en de engineering maken mensen me niet veel wijs, op chemie en op techniek-gebied.
Terug in Nederland pakte Jacques direct het jureren weer op, met zijn Grand Prix-kwalificatie als jurylid uit 1992 op zak: “Ik ben ook veel in het buitenland gaan jureren. En ik heb ook heel wat lesgegeven. Drie jaar geleden vroegen ze me om voorzitter Brabant te worden. Waarom? Omdat ik toch best veel mensen ken in de sport, omdat ik gereden heb, omdat ik een educatieve achtergrond heb, en misschien nog wel meer. Ik heb getwijfeld omdat ik geen bestuurlijke ervaring had maar die knop heb ik snel omgezet. We zijn meteen aan de slag gegaan met de problematieken. In het bestuur zaten bijvoorbeeld nog veel mensen (bestuurders) uit de kringen in Brabant, goede mensen maar met weinig directe eigen verantwoording. Nu zitten er in het bestuur mensen met expertise, ieder met een eigen verantwoording: opleiding, media, materialen, jeugd en ruiterbegeleiding, recreatie, dan kom je met elkaar tot iets. De vergaderingen duren niet te lang, iedereen neemt zijn verantwoording.”
“In Brabant hebben we veel activiteiten opgepakt die we eerder niet deden: stimuleren van de Para sport, de regio- en beloftetrainingen, eventing trainingen, een andere opzet om deelname aan de selecties te stimuleren, een andere structuur en methode van de juryledenbijscholing, het bevorderen van het recreatief rijden, viertallenpromotie, noem maar op. Actief en vernieuwend, zeg maar. Zo hebben we de trainers van niveau 4 en hoger bij elkaar gehaald in Brabant. We hebben ze twee-aan-twee gekoppeld, zodat ze nog beter worden in het begeleiden van leerlingen. Want het niveau van het lesgeven moet omhoog en het niveau van het rijden moet omhoog. Als ik vroeger jureerde in het ZZ-Zwaar, waren er een paar die onder de 60% bleven. Nu zie ik nauwelijks een paar combinaties die erin slagen om boven de 60% uit te komen. En dat ligt zeker niet aan de kwaliteit van de paarden. In het verleden hadden we veel mensen met een achtergrond in paarden, tegenwoordig is dat anders.”
 Jacques van der Harst geeft veel clinics
“Daar ligt een taak voor ons als KNHS, op alle niveaus van instructeurs en juryleden. We moeten investeren in de jeugd in kwaliteit, ze veel meer theoretische achtergrond geven. Stilstaan is achteruitgaan. Goed paardrijden, daar gaat het om. Nederland was een tijdje toonaangevend maar daar zit een dip in. In Duitsland heb je een vastgestelde structuur waarvan niet wordt afgeweken, het beroemde scala van africhting is zaligmakend. Bij ons zijn andere rijmethodes in zwang gekomen, in verschillende stromingen. En Deurne is verwaterd en uiteindelijk weggevallen, aantallen werden daar uiteindelijk belangrijker dan de kwaliteit. Plus de ORUN-opleiding in Ermelo werd minder kwaliteitsgericht. Het besef van de noodzaak om dat beter te doen wordt breed gedragen, we hebben in Marion Schreuder iemand die dat heel goed leidt. Harmonisch paardrijden, daar gaat het om, waarbij we steeds meer onder de loep komen van de pers, van politieke partijen, van het publiek, en terecht, want we moeten goed met onze dieren omgaan.”
Inmiddels is Jacques van der Harst ook een bevlogen bestuurder geworden, waarbij hij als Brabant-voorzitter ook lid is van de KNHS-ledenraad en zelfs lid van de financiële commissie: “Gelukkig zijn we nu heel goed on speaking terms met het bestuur, eerder was dat moeizamer. We pakken het nu met elkaar aan, dat is belangrijk. Er is een veel breder gedragen begrip waarnaar gekeken moet worden om er een betere sportbond van te maken. Weet je, je kunt over het verleden blijven zeuren wat je wilt, maar dat is als het water dat al door de Maas is. Belangrijk is dat we nu met de ledenraad, het bestuur en werkorganisatie veel meer samen aan het werken zijn. En ook dit doe ik met hart en ziel, anders komt het niet goed!”
 Tijdens de para-training met vlnr Laurie Vermeulen, Demi Vermeulen en Joyce Heuitink
Yvonne Snieder wilde naar Deurne maar kon geen paard aan de teugel rijden

Yvonne Snieder wilde naar Deurne maar kon geen paard aan de teugel rijden

Het verhaal van Yvonne Snieder uit het Friese Donkerbroek is apart. Naar Deurne willen en nog geen paard aan de teugel kunnen rijden.  En toch op je 29e Grand Prix dressuur rijden. Gekregen? Nee hoor, zelf verdiend. Lees het verhaal van een succesvolle amazone die pas op haar 14e voor het eerst op een pony zat…..

Zo’n 36 jaar geleden werd Yvonne Snieder geboren in Leeuwarden. Zonder enige paardenachtergrond in de familie maar wel gezegend met liefde voor dieren: “Voor alle dieren, een torretje liet ik nog niet op z’n rug liggen. Natuurlijk vond je als meisje paarden wel leuk maar dat was toen voor ons niet te betalen. Pas op m’n 14e ben ik op de Leeuwarder Manege voor het eerst op een pony gaan zitten. Ik heb er drie jaar manegeles gehad, ik voelde me er als een vis in het water. Na drie jaar had ik de HAVO af en toen wilde ik per se de paarden in. Ik vond het geweldig. En ik had voor mijn gevoel een heel bijzondere band met de dieren. Toen heb ik mezelf een missie gesteld: zorgen dat ik het vak kon leren!”

Met drie jaar rij-ervaring op een manege leek dat een nogal ambitieus doel. “Mijn ouders lieten me er helemaal vrij in, ze zagen wel dat ik het ook doorzet als ik iets wil. Ik ben naar Deurne gegaan om mee te doen met een selectiedag zodat ik aan de opleiding kon beginnen. Maar ik kon nog geen paard aan de teugel rijden. Ze wilden me daar niet hebben voor de sport-opleiding maar ze wilden me wel inscharen voor de afdeling paardenhouderij. Dat wilde ik weer niet. Maar ik bedacht me wel dat ik in de praktijk het vak zou moeten leren.” Yvonne meldde zich weer bij de Leeuwarder Manege: “Daar ben ik zeven dagen in de week gaan werken. Een jaar lang als vrijwilliger. Dat kon nog omdat ik bij mijn ouders woonde, 17 jaar en net van de HAVO af. Na dat jaar heb ik wel een kleine vergoeding gekregen en mocht ik mijn paard stallen.”

Dat paard was een jonge Democraat waarmee ze het uiteindelijk tot de M-dressuur zou brengen: “Ja, low budget, de puntjes sprokkelend, en zonder les van iemand speciaals. Eigenlijk had ik maar drie jaar manegeles en daarna had ik voor mezelf wat aangemodderd, met heel veel puzzelen en kijken naar anderen. Ik had wel in de gaten dat ik op mijn leeftijd en met dat wat ik kon het brood niet ging verdienen in de paarden. Mijn vader zag toen een advertentie voor een baan bij een orthodontist. Leek me eerst niks, in die monden werken, maar het bleek superleuk! Ik ben gestopt bij de manege en ik heb er negen jaar gewerkt.”

Met TandArt Glory Days

Naast haar baan bleef Yvonne paardrijden, inmiddels in het M met haar jonge Democraat: “Op concours kwam een vrouw naar me toe: vind je het ook wat als ik een paard voor je koop, dat we dat dan later verkopen? Het werden er vier. Tja, met de middelen die je hebt, moet je ergens beginnen. Bij nul dus. Zij reed zelf ook op amateur-niveau maar ze had kapitaal, in elk geval een stuk meer dan ik had. En eigenlijk ging het toen heel snel, ik reed mijn eerste paard naar het Z.” Met de jonge Flemmingh Vlingh, het huidige toppaard van kaderlid Jeanine Nekeman, startte Yvonne in die samenwerking in de klasse B: “En toen best snel naar de subtop. Met her en der wat kijken wie me het beste les kon geven. Eigenlijk heb ik hem op eigen houtje naar de Grand Prix gereden, zo tussen de 61 en 66%, alleen het laatste stukje heeft Johan Hamminga me geholpen. Ik was 29 toen ik met hem de Grand Prix binnenreed.”

Rond die tijd stopte Yvonne met haar werk bij de orthodontist en ging ze meer aan de slag bij stallen. De samenwerking met de investerende mevrouw liep op een eind en de meeste paarden werden verkocht: “Ik heb alleen Vlingh aangehouden en ben daarnaast jonge paarden gaan rijden, bij Stal De Mersken, bij Ted Kop Jansen, bij Stal Stouwehof van de familie Nekeman die Vlingh later ook gekocht hebben.”

Met De Merskens Kyan van Stal De Mersken van Age en Marieke Okkema

Realistisch als Yvonne is, maakte ze ondanks haar Grand Prix-ervaring een stap terug in haar eigen opleiding: “Terugkijkend had ik eigenlijk een spoedcursus gedaan. Veel jonge paarden gereden maar weinig echte basis opgebouwd. Ik vond dat ik eerst beter paard moest leren rijden, met alleen het rijden van jonge paarden wordt dat ook niet beter. Ik ben gaan lessen bij Diederik van Silfhout, vrij snel daarna is Vlingh verkocht en dat gaf me de mogelijkheid om te investeren. In paarden, in de bak, in goed vervoer. Want ik had de paarden deels bij Stal Hanestreek van de familie Dokter maar ook deels thuis staan en mijn ouders hebben weliswaar een boerderij maar ook ieder een baan. Dan kun je niet verwachten dat alles op-en-top is. Vanaf toen druppelden de klanten steeds meer binnen.”

Langzamerhand richtte Yvonne zich steeds meer op de langere termijn. Op een veiling kwam ze bij toeval de familie Mekelenkamp tegen, de uitgevers van onder andere De Hoefslag: “Heel toevallig, ik was op zoek naar klanten, zij zochten een amazone. De elite-merrie Dowendy, een Contango x Jazz, kwam bij mij op stal toen ze bijna vijf was en nu is ze mijn tweede Grand Prix-paard ooit met scores van 68%. Nu moet ze eerst een veulentje krijgen, dus hebben we even pauze. Die switch naar de langere termijn heeft voor mij gewerkt, ik heb de stal niet leeg gehad. Sterker nog: ik heb ook meerdere sponsors gekregen die binnendruppelen waardoor het runnen van mijn eigen stal toch weer wat makkelijker wordt: Ecostyle, Schutte zadels, Website en zo. En nieuwe eigenaren, zoals Petra Reijntjes en Hans de Kok van tandartsenpraktijk TandArt uit Brabant, of Petra en Peter Duindam en Age en Marieke Okkema van Stal De Mersken. Met hun paarden ben ik in opleiding naar de Grand Prix: Glory Days en Cadorijke van TandArt, Eclips P&P van Petra en Peter Duindam en de Fries Merskens Kyan.”

Met Dowendy in de Grand Prix

Met de 5-jarige De Mersken Gathe’s Indira vh Goorhof is Yvonne geselecteerd voor het Friese project Mei Grand Prix Nei Grand Prix, waardoor ze les heeft van Sjak Laarakkers en clinics volgt van Rien van der Schaft. Haar trainer is echter Brabander Tonnie Huberts: “Ja, hij komt een keer in de maand naar Friesland voor een clinic. Dan kan ik op een dag vijf paarden rijden bij hem en andere mensen hebben ook gelegenheid. Hij tipte TandArt, dat was mooi. Ik ken hem van de tijd dat hij mijn instructeur was in de orun-opleiding, die heb ik gehaald vanaf de tijd dat ik op de manege werkte. ”

En dan nu verder: “Deze lijn wil ik doorzetten. Ik heb nu zo’n tien paarden, ik geef regelmatig privéles en af en toe een clinic. Niels en ik hebben een woning gekocht in Wijnjewoude, waardoor ik dicht bij de paarden op de twee locaties kan zijn: op Stoeterij Hanestreek en bij mijn ouders, die fantastisch helpen om de zaak op orde te houden. Mijn rijden is inmiddels niet meer te vergelijken met een paar jaar geleden. Maar mijn paarden rijd ik nog steeds wel het liefst op een gebroken trens! Eigenlijk vind ik het ouderwets van de FEI om de stang-en-trens nog steeds verplicht te stellen. Ik rijd m’n paarden tot en met de Grand Prix op een dubbel gebroken trens, en toen ik internationaal ging starten, moest dat meteen met stang-en-trens. Dat vind ik achterhaald. Als een paard op een bit heel fijn loopt, waarom moet je daar per se een stang bij hangen? Ik ben er niet tegen hoor, want mijn Fries loopt er beter op, maar die verplichting hè…bovendien oogt het ook paardvriendelijker, wat terecht een issue is tegenwoordig, hoewel het ook wel wat doorslaat in de media.”

Irene van den Hurk over haar onderneming

Irene van den Hurk over haar onderneming

Irene van den Hurk is de onderneemster achter Geblingt. De afgelopen jaren is het merk snel gegroeid in de dressuurwereld, met een steeds professionelere aanpak. Geblingt is op een bijzondere manier tot stand gekomen: het begon met een idee in de hobbysfeer…..
Ze is een heel gedreven vertelster maar ook iemand die heel nuchter is over de dingen die ze doet. In al haar perfectionisme, want ook dat is een kenmerk van Irene van den Hurk. Nu midden 40 maar vroeger opgegroeid met een pony: “Toen ik klein was, heb ik zelf wel een pony gehad, Starlight, en reed ik bij ponyclub Jeanne d’Arc in Helmond. Het zat er bij ons thuis niet in om door te gaan in de paarden en eigenlijk heb ik daarna een hele tijd niks meer met paarden gedaan. Totdat ik kinderen had gekregen en de oudste uitgenodigd werd op het feestje van een vriendinnetje, in een manege. Zeven was Joy toen, en m’n jongste dochter drie. Ik weet nog wel dat ik de deur openzwaaide van die manege en onmiddellijk dacht: hoe heb ik dit in ’s hemelsnaam zo lang kunnen missen….. Joy vond het ook helemaal leuk en je kunt wel snappen dat ze heel snel haar eigen pony’tje had.”
Die eigen pony werd Casper, een C-pony waarmee ze al snel naar de Brabantse kampioenschappen mocht, individueel en met het viertalletje. In Zeeland bij Uden, waar het toen gehouden werd. “De instructrice was met haar viertal al naar de ring gegaan en een tijdje later liepen wij er als ouders met een clubje achteraan.  In die tijd had je nog de regels van de KNHS en de uniformen van de club: iedereen had dus een donkerblauw of een zwart jasje of ponyclub tenue aan. Ik kon haar niet vinden. Ik heb echt een kwartier moeten zoeken waar die van ons bezig waren en eerlijk gezegd gaf me dat een beetje een eng gevoel op dat immense terrein, ik was er niet gerust op.”
Joy van den Hurk
Nou was Irene van haar beroep etaleuse/styliste: “Ik heb een opleiding in de mode gevolgd en heb als etaleuse in de stoffenbranche gewerkt , daarna nog wat eigen bedrijfjes gehad en ook weer verkocht maar altijd op creatief gebied. Zo was ik altijd creatief bezig, zowel zakelijk als privé. Na die kampioenschappen heb ik haar cap gepakt en bij mezelf gedacht: misschien kan ik daar wel iets mee doen. Joy had echt een super simpele cap, en om het ventilatieroostertje heb ik toen Swarovski Crystallen gezet. En overal waar we op concours kwamen, zeiden ze: oh, wat een leuke cap. Het was uniek. Tegenwoordig kan je alles kopen met bling maar dat was toen echt nog niet. En al heel snel kreeg ik best wel wat aanvraag. Daar kwam al snel een ander product bij omdat ik daar zelf altijd gillend gek van werd, de plastron! Veel mensen herkennen dat wel: kind zenuwachtig, moeder zenuwachtig, en altijd dat gedoe met die plastronspeld op het laatste moment. Ik ben een plastron gaan ontwerpen met een paar simpele uitgangspunten: allereerst moest die makkelijk in het gebruik zijn, lekker dragen (een uitdaging) en moest het er prachtig uitzien zonder speld. Er kwam een websiteje, zo’n gratis dingetje, die ik vulde met een paar caps en plastrons. Ik moest een naam hebben en dat werd Geblingt. Een woordgrapje natuurlijk met blingbling en blinken. En al heel snel ging het van mond tot mond, ook van buiten Brabant kreeg ik steeds meer aanvragen.”
De cap waarmee het allemaal begon
De verandering van de ‘uniform’-regel van de KNHS betekende ook dat Irene het drukker kreeg: “Ineens mocht je als dressuurruiter ook je eigen outfit kiezen, voor de springruiters was dit al toegestaan. Te leuk! Joy had dus ook verschillende jasjes, geruit, gestreept en daarbij steeds een andere plastron. Ze was als het ware mijn reclamebord. ” Het betekende een jaar later voor Irene van den Hurk een professionele website en weer een jaar later de eerste eigen stand op Indoor Brabant: “Daar liep ik al jaren rond met mijn eigen dochter en droomde ik een beetje: het zou wel supergaaf zijn als ik daar zelf ooit zou kunnen staan…. Het eerste jaar had ik er een hoekstand van 3 X 4 meter. En eigenlijk volgden al heel snel alle grote evenementen in Nederland. De laatste stand in Den Bosch was 40m2, op de hengstenkeuring 50m2, waarvoor we twee vrachtwagens nodig hadden om alles te vervoeren. Mijn man helpt altijd mee met opbouwen, ook onze dochters helpen waar het kan, het is leuk om dat zoveel mogelijk met het eigen gezin te doen.”
In de verbouwde garage bij haar huis bouwde Irene haar zaak op maar ook dat werd te klein. In 2015 verhuisde ze naar een bedrijfspand aan de Friezenweg in Oss waarin ze atelier en showroom onder één dak had: “Had ik tenminste overzicht, dat was een verademing. In de loop van de tijd kregen we ook sponsor-amazones erbij: Febe van Zwambagt, Emmelie Scholtens, Daphne van Peperstraten, Zoë Kuintjes en Esmee Donkers. Ik maakte alles zelf: plastrons, natuurlijk de versieringen op caps, maar ook bandagebandjes en wedstrijdnummers. Tegelijkertijd leverde ik ook van allerlei merken ruiterkleding. We werden met de jaren steeds groter. Mijn man vroeg ik altijd om filmpjes te maken van de stands, ongeveer zoals een dressuurruiter zijn dressuurproef ook laat filmen, om er van te leren! Op een gegeven moment zat ik die te bekijken en toen dacht ik: tja, er klopt iets niet meer. Mijn eigen producten, waarmee het begonnen was, vielen in het grote geheel weg. Ik besloot om te stoppen met alle merken die ik verkocht, behalve Animo omdat dit merk geweldig mooi aansluit bij mijn eigen collectie. Ik bedacht een nieuw concept, veranderde mijn huisstijl en interieur en januari van dit jaar heb ik mijn nieuwe concept gelanceerd op Jumping Amsterdam. Met deze stap zijn mijn eigen producten weer terug in de spotlights gezet.”
Met Febe van Zwambacht op het EK in Oliva Nova
Tot nu maakt Irene nog steeds alles zelf in haar eigen atelier: “Ik maak de hele plastron zelf, ik heb alleen de stof om mee te beginnen, het hele model is van mijn hand, Daar komt bij dat ik super perfectionistisch ben, in de jaren zijn er natuurlijk steeds aanpassingen geweest, onder andere door mijn eigen ervaringen maar ook zeker door feedback van mijn sponsorteam met als doel het product steeds beter en nog mooier te maken. Als er iets onder de naaimachine uitkomt en ik denk uuuhhhhh nee, dan wacht de klant maar een dag langer, dan gaat het niet weg, hoe druk het ook is. Het grootste compliment kreeg ik van Emmelie Scholtens. Zij zei: ‘Ik had een hekel aan plastrons maar nou betrap ik me erop dat ik ‘m nog om heb na de proef bij interviews!’ Ik zelf vind dat een Plastron hoort bij het tenue van een dressuurruiter maar het mag nooit in de weg zitten.”
En nu gaat Geblingt verder: “De eerste Premium Collectie voor ruitersportwinkels komt dit jaar nog uit , deze vraag was er al heel lang en het was ook een droom van mij maar het moest goed of anders niet. Verder gaan we onze horizon internationaal verbreden, de eerste buitenlandse trip hebben we vorige week naar Herning in Denemarken gedaan. Of ik nog zelf paardrijd? Nee, ik heb er helaas geen tijd meer voor. Misschien een keer een bosrit, daar zou ik nog wel voor te porren zijn!”
Bineke de Vries: onze ruiters zoeken sponsors, zo simpel wordt het

Bineke de Vries: onze ruiters zoeken sponsors, zo simpel wordt het

Bij de Federatie Paardrijden Gehandicapten hebben ze iemand gevonden met hart voor de zaak! Bineke de Vries maakte zo’n vijftien jaar geleden bij de vereniging in Sneek kennis met het paardrijden voor gehandicapten en sindsdien heeft ze zich met passie vastgebeten in deze tak van de paardensport. Ze heeft er in haar woonplaats Koufurderrige (met adres nr. 2) zelfs een manege voor gebouwd. En nu is ze landelijk actief als projectmanager: “Ik bemoei me van links naar rechts en van onder naar boven met alles wat er moet gebeuren voor de gehandicaptensport. Officieel voor zestien uren, maar in de praktijk iets meer, zeg maar….”

“Het was gewoon puur toeval dat ik ermee in aanraking kwam,” blikt ze terug. “Ik werd door een vriendin gevraagd of ik belangstelling had om in het bestuur van de Stichting Paardrijden Gehandicapten Sneek te gaan zitten. Leek me wel wat. Maar ja, als ik ergens in betrokken ben, wil ik er ook altijd wat van weten. Ik was ooit instructeur geworden. Vroeger was ik natuurlijk een ponykind en als je een beetje serieuzer was, deed je later de commandantencursus, zoals dat heette. Ik zat nog op school en zo had ik met het les geven ook een bijbaantje. Kon ik ook mijn paard betalen tijdens de studie. Maar dit was anders. Bij de stichting ging ik weleens in de baan staan en dan dacht ik: goh, ik weet hier eigenlijk helemaal niks van. Toen ben ik ook het IPG-diploma gaan halen, Instructeur Paardrijden Gehandicapten.”

“Wat mij direct al verbaasde was dat de hele sector aan elkaar hing van het goede-werkjes-doen-idee. Iedereen deed alles vrijwillig. Heel sympathiek natuurlijk maar in de uitvoering redelijk onprofessioneel.  Terwijl wel de accommodaties heel professioneel zijn, moderne hippische bedrijven zelfs. Maar op de werkvloer? Op veel bedrijven worden de instructeurs nauwelijks betaald. Omdat het zo leuk is voor die mensen, zeg maar. In de praktijk zijn er maximaal zes ruiters in de baan, maar meestal vier en vaak ook een of twee. Dat kan niet uit. De perceptie is vaak dat we er allerlei subsidies voor krijgen maar helaas is dat 20 jaar geleden al afgeschaft. Het gaat altijd om stichtingen of verenigingen die tekorten hebben, gelukkig vaak met een ANBI-status waardoor ze fiscaal sympathiek giften mogen ontvangen.”

Bineke de Vries is een ondernemer die kansen ziet maar die het ook leuk voor zichzelf wil hebben: “Ik was al langer van plan om een keer een binnenmanege te gaan bouwen in mijn achtertuin en dat heb ik toen gedaan. Kwamen er 130 ruiters met een beperking in de week, met 60 of 70 vrijwilligers aan het werk. Ik gaf ook nog wat privé-les en ik had een paar pensionpaarden, gelukkig kan ik goed plannen om het te kunnen combineren, dat moest ook wel. En de koffie? Joh, in de verblijfsruimte hebben we zo’n Bravilor-machine neergezet, daar doe je koffie in, die zet je op ‘aan’ en dan redden ze zich wel. De koffie en de thee, pepernoten en de koekjes werden natuurlijk door onszelf gesponsord. Heel erg leuk, maar ik kwam nooit meer van mijn erf af, dat was minder. En toen de manege in Sneek aangaf graag de stichting terug te willen, hebben we dat gedaan. Ik had weer meer vrijheid. Nu heb ik thuis vijf eigen paarden staan. Pensionpaarden niet meer, dat is redelijk tijdrovend. Plus ik woon hier in Friesland: hier komt € 200,- per maand eerst, dat is te weinig om ze te voeren en voor thuis te blijven. En de vrijheid die het geeft om geen paarden van anderen thuis te hebben, vind ik ook wel prettig.”

Met Zimply Utopia (v. Oscar) waarmee Bineke in het Z dressuurde

Het gedreven werk van Bineke had zich rond gesproken en het was niet toevallig dat de landelijke FPG zo’n anderhalf jaar geleden bij haar aanklopte: “Ja, of ik iets voor ze wilde doen. Ik ben toen in de kwaliteitscommissie gaan zitten, heel inhoudelijk werk, met heel leuke mensen die allemaal echt vooruit willen, die allemaal oprecht vinden dat onze sector het verdient om serieus genomen te worden, als hippische sector. We zijn behoorlijk aan de dingen gaan trekken. Als eerste kregen we het verzoek om na te gaan in hoeverre de Federatie Paardrijden Gehandicapten als zelfstandige sportkoepel haalbaar zou blijven. We hebben 60 leden, het is een klein clubje, het stelt niks voor, je bent niet bij de KNHS of het NOC aangesloten, je krijgt geen subsidie. Wat hebben we eigenlijk nog te zoeken in deze wereld, was het idee een beetje. We zijn toen serieus onderzoek gaan doen. Het ging wel om zo’n 8000 ruiters! En we hebben ons afgevraagd: als je de FPG opheft, wat gebeurt er dan? Is er dan nog iemand die het voor ze gaat opnemen? Binnen een grote organisatie zouden ze ondersneeuwen. We hebben gezegd: we gaan professionaliseren, inhoud geven, en we zijn een stukje funding gaan zoeken. En dat ben ik nu vanaf maart dit jaar aan het doen.  Vanuit de vraag waar de leden behoefte aan hebben. Instructeurs vinden, ontwikkelen van scholingsmodules, noem maar op, en dus ook zorgen dat er weer wat meer funding komt van mensen die onze ruiters een warm hart toedragen.”

“We hebben eerst gezorgd voor aansluiting bij de FNRS en de KNHS. Mede op initiatief van de FNRS hebben we scholingsmodules ontwikkeld voor instructeurs die zich op deelgebieden van ons vak kunnen laten scholen, voor FNRS-bedrijven en onze verenigingen en stichtingen. We gaan binnenkort met de eerste cursus van start, die zit met veertig mensen al bijna vol. Inmiddels zijn ze bij de KNHS ook bezig om de IPG-opleiding totaal te herstructureren, als onderdeel van hun nieuwe opleidingssysteem, zodat we goed geschoolde basisinstructeurs hebben die met interesse in onze materie.  Het zijn geen pseudo-therapeuten, maar echte instructeurs. We zijn altijd een beetje in die hoek gedrukt maar dat zijn we niet, we geven les in aangepast paardrijden.”

“En we zijn aan de gang gegaan om geld binnen te krijgen, via een fundingcampagne richting particulieren en bedrijven, dat noem ik het ruiterfonds. Gemiddeld komen we per ruiter per jaar € 100,- tekort, zeg maar € 2,50 per les. Het plan is zo goed als klaar, daar gaan we op 10 november met alle leden over praten. We hebben het geluk dat we een directe democratische structuur hebben, oftewel: onze leden mogen direct over alles meebeslissen. Onze ruiters zoeken sponsors, zo simpel wordt het. Bedrijven mogen ook fiscaal vriendelijk schenken: ze mogen het zelfs van hun vennootschapsbelasting aftrekken als ze een beetje goed draaien. Dat is nooit benadrukt, een beetje foute bescheidenheid. Maar we hebben gewoon donders geld nodig en dat moet je hardop durven zeggen. Als je dat niet doet, weet je zeker dat je het niet krijgt. Plus dat er bij ons geen overhead op zit zoals bij de meeste goede doelen waar tenminste met 20% maar ook wel tot 40% gerekend wordt. Parapaard van voorzitter Marielle Wiegmans is onze grootste sponsor als het gaat om allerlei spullen. Ik word betaald uit de contributie van de leden en de marge uit de opleidingen, officieel voor 16 uren. Maar ja, als je ondernemer bent, ben je gewend dat je niet alles exact factureert.”

Federatie Paardrijden Gehandicapten op Facebook

Rob Wiering: een paspoort vol stempels

Rob Wiering: een paspoort vol stempels

Zo’n anderhalf jaar geleden stopte Rob Wiering met rijden. Te druk met Horse E.T. Vanuit de nieuwe accommodatie in Ravenstein, vlak bij de autoweg, runt hij samen met moeder Marjolijn Verhoeve de snelgroeiende onderneming die paarden vooral via de lucht vervoert. Waarbij Rob zich vooral met het werkelijke transport van de paarden bezighoudt: “Er zijn weken dat ik eigenlijk alleen maar in vliegtuigen zit.”

De springruiters Rob en Harrie Wiering zijn de zoons van internationaal springruiter Harrie Wiering en Marjolijn Verhoeve. Iets meer dan twintig jaar geleden scheidden de wegen, waarbij Rob bij zijn vader in Reek bleef: “Ik heb gereden vanaf m’n vierde toen ik een Shetlandertje kreeg en sindsdien ben ik altijd blijven rijden. Bij m’n vader kreeg ik later de kans om goede paarden te rijden, toen was hij zelf ook nog best actief. Van school kwam weinig terecht, ik vond niks ergers dan leren. En nou moet ik wel zeggen dat mijn vader daar ook niks om gaf. Maar ik moest wel werken. Dus zat ik de hele dag op het paard en elk weekend was ik met een volle vrachtwagen op concours. Ik leste toen ook bij mijn vader, hij was een vakman.”

Rob reed goed en steeds beter en zo kwam hij in het Nederlandse juniorenteam: “Bij de jeugd hebben we toen zilver met het team in Spanje gehaald, in Gijon in 2001. Vincent Voorn, Willem Greve, Dennis Kuipers en ik, met Daan Nanning als coach. Later kreeg ik bij de young riders Rob Ehrens als coach. Ik heb drie jaren in de selectie gezeten maar ik ben geen enkele keer mee geweest omdat de eigenaar voor wie ik toen paarden reed de paarden steeds verkocht vlak voordat het zover was.”

Het Engels dat hij nu bij Horse E.T. zo nodig heeft, leerde hij in de praktijk: “Als ruiter heb ik ook een half jaar in Amerika gezeten, in eerste instantie bij Jos Sevriens, een kennis van mijn vader van vroeger. Ik ben er zonder paarden heen gevlogen, ik kon geen woord Engels. En ik had geen idee waar ik heen ging. Jos bleek een paar paarden in training te hebben, die ik dan mocht rijden. Maar ik kreeg al snel de vraag om ook paarden voor andere mensen te rijden. Ik ben toen naar Ocala gereden in Florida, waar ik concoursen reed en de paarden kon verkopen. En daarna heb ik een maand of drie met een grote truck met trailer met paarden rondgereden, had ik geleend van iemand, zo’n western-pickup met een trailer, daar gingen vier paarden op en ik had een heel kleine living. Ik zocht zelf de concoursen uit en ik ben rond gaan rijden, om te rijden en te verkopen. Mijn broertje heeft zelfs paarden opgestuurd zodat ik ze daar kon verkopen.”

Terug in Nederland huurde Rob ruimte bij Stal Swanenberg in Schaijk. Hij reed er zijn eigen paarden, die van eigenaren en ook de paarden van Stal Swanenberg zelf. En hij handelde steeds meer, onder andere naar het Midden-Oosten: “Ik had een keer paarden verkocht naar het Midden-Oosten en die mensen vroegen of ik zelf met de paarden mee kon vliegen, ze vonden het fijn om een vertrouwd persoon bij de paarden te hebben. In een militair propellor-vliegtuig zijn we vertrokken naar Koeweit, we moesten een tussenstop maken in Athene om te tanken. Dat vliegtuig hadden die klanten ter beschikking. 0 luxe, ik zat in het vrachtruim bij de paardenboxen op van die heel eenvoudige vastgeklikte stoeltjes.”

Langzamerhand kwam er steeds meer vraag om de vluchten te regelen en te begeleiden: “We hadden dat een paar keer meer gedaan en eigenlijk vonden we dat het allemaal wat stroef ging. Met de papieren, het regelen, bij alles wat erbij kwam kijken. Mijn moeder en ik hebben toen heel wat afgepraat: hoe moeten we dit gaan doen, hoe moeten we dat gaan doen. Steeds meer buitenlanders vroegen of we dingen kon organiseren. Maar het was toch niet zo simpel als we dachten. We zijn er ons in vast gaan bijten vanuit de overtuiging dat wij dat beter konden dan een ander. En dat hebben we nou voor elkaar.”

Inmiddels is Rob (34) gestopt met zelf actief rijden: “Mijn moeder en ik zijn een jaar of vijf of zes geleden met Horse ET gestart.  Kijk, paardrijden is prachtig, ik doe niks liever, maar je moet toch keuzes maken. Ik was ruiter maar ik was ook altijd van huis. Moest ik weer een paar mensen bellen om mijn paarden te verzorgen, en dan ging ik op concours, maar dat was van tevoren ook niet heel zeker. Zo’n anderhalf jaar geleden, toen we deze locatie gekocht hebben, had ik meerdere paarden op 1.40m-niveau. Toen ben ik gestopt, mijn partner Ellen Zwijnenberg heeft de paarden overgenomen. En nu is het fulltime Horse E.T. Als officiële IATA-agent. Op onze eigen manier, met heel veel persoonlijke begeleiding. Eigenlijk is het ongelofelijk wat we hier neergezet hebben in zo’n korte tijd.”

Rob Wiering, Ellen Zwijnenberg en hun dochter Emma

Dat betekent ook een ander leven: “Tja, er zijn weken erbij dat ik alleen in het vliegtuig zit. Van Luxemburg naar Dubai, met een passagiersvliegtuig terug, dan staan daar nieuwe paarden te wachten, en dan gaat ie weer door naar waar ook ter wereld. Het is een hele planning. Wij begonnen een paar jaar geleden op Koeweit, met een of twee vluchten per jaar, later een of twee per maand en nu een of twee per week. En nu hebben we mensen die voor ons werken die meevliegen. Standaard gaan Roos en ik met de paarden mee en verder hebben we vaste mensen, die allemaal gecertificeerd zijn. Het vliegen lijkt wel heel mooi maar voor mij is het puur business. Als ik land, pak ik het eerste beste passagiersvliegtuig terug naar Nederland, ik blijf nooit langer dan nodig is. Ik heb zo’n extra dik zakenpaspoort, dat is bijna helemaal vol gestempeld. Ik heb geloof ik nog drie bladzijden over en het is geldig tot 2025…. Vorig jaar is Ellen meegevlogen, zijn we twee dagen extra in Abu Dhabi gebleven, dat kon omdat het thuis even rustig was.  Maar zij is ook keidruk, rijdt op niveau, plus onze kleine Emma van tien maanden, ze kan eigenlijk niet meer mee.“

Rob de Bruijn begon met helemaal niets

Rob de Bruijn begon met helemaal niets

Springruiter en springpaardenhandelaar Rob de Bruijn is van een generatie die met de moderne springsport is opgegroeid. Zelf reed hij Grote Prijzen tot op drie sterren niveau maar tegenwoordig is hij vooral bezig om samen met partner Karin Scheepens hun handelsstal in Hooge Mierde uit te bouwen. En dat terwijl ze met helemaal niets begonnen…..

Rob de Bruijn was 17 toen hij zijn moeder vertelde dat hij het graag in de paarden wilde proberen. Hij had met zijn mbo-diploma metselaar en tegelzetter iets achter de hand. Als klein manneke reed hij al bij manege Van Diest in Son en daarna in Tilburg op de manege omdat hij met z’n moeder mee verhuisde: “Elk uur dat ik vrij had, zat ik tussen de paarden, dat was mijn passie. Nooit een andere sport gedaan, alleen paarden, paarden en paarden. Toen ik 15 was, werkte ik in de weekenden en de vakanties bij Nancy Huismans, stallen mesten, onderhoud, alles wat er zo bij een stal komt kijken. En af en toe eens keer rijden maar dat deed Nancy in principe zelf. En toen ik van school kwam, wilde ik niks liever dan in de paarden. Ik moet zeggen dat mijn moeder en mijn vader me daar altijd in gesteund hebben.”

Op het vierdaagse concours in Oirschot kwam Rob ter sprake toen Rinus Blom aan Nancy Huijsmans vroeg of ze niemand wist voor op stal. Iemand die alles zou moeten kunnen, maar die niet hoefde te rijden. Rob: “Nancy wist wel iemand maar ze zei erbij: je kunt hem alles laten doen, maar vlechten, dat kan hij niet. Ik ben toen met mijn moeder naar Rinus geweest en ik was al gauw daar aan de gang. Op m’n 17e, en bezig met mijn rijbewijs. Ergens anders, en daar werd natuurlijk snel een eind aan gemaakt, dat moest bij Blom. Ik kwam er niet om te rijden, ja, misschien af en toe, maar al gauw was ik fulltime ruiter voor de jonge paarden. Onder de geweldige begeleiding van Jack Neefs. En binnen de kortste keren gingen we met twaalf paarden op concours. Ik ben er meer dan twee jaar gebleven. Inmiddels was ik wel gegroeid tot 1.95m, waar ik trouwens nooit last van heb gehad. Misschien ziet het er wat anders uit dan wanneer je kleiner bent, ja, ”

Hunters zijn tegenwoordig belangrijk voor DBS Horses (De Bruijn Scheepens)

Frans Wilborts uit Moergestel had het talent wel gezien en bood behoorlijk wat meer, zodat Rob de volgende twee jaren daar springruiter werd: “We hadden goede resultaten maar na twee jaar was het een beetje op. Intussen had ik ook Karin Scheepens leren kennen, ook een springamazone, en haar vader deed ook veel handel. Ik heb toen voor mezelf het rijden op een lager pitje gezet. Ben bij een bakkerij gaan werken: ’s nachts om 2 uur beginnen, half 12 weer thuis, even eten en dan paarden rijden. En zelden tussendoor naar bed. Ik had zelf twee betere paarden voor op concours en langzamerhand kwam toch weer de vraag van mensen om hun paarden uit te brengen. Ik heb het ruim vijf jaar volgehouden.”

En toen kwam voor het jonge stel de stap: voor jezelf beginnen: “We zijn met helemaal niks begonnen, gelukkig wel met die paarden van eigenaren. We hebben bij Nancy Huijsmans zestien boxen gehuurd en we woonden bij de stal. Tot we allebei 28 waren, toen zeiden we: we moeten toch iets gaan kopen. We zijn op wel tien locaties gaan kijken, maar het was allemaal te hoog gegrepen voor ons. Op advies van de Rabobank hebben toen vier studenten een mooi ondernemingsplan gemaakt, wisten we beter waar we aan toe waren. Op een gegeven moment was ik aan het trainen in Eindhoven toen iemand zei: bij ons in Hooge Mierde komt een spulletje met acht boxen te koop. Ik ben daar ’s avonds meteen gaan kijken met Karin. Alles klopte: het bestemmingsplan, de vergunningen, de toekomstmogelijkheden. De eigenares heeft ons rondgeleid en ze wilde het veertien dagen vasthouden voor ons. Haar man bleek daar later niet zo gelukkig mee maar zij was bij een waarzegster geweest en die had gezegd dat ze zouden gaan verhuizen en dat een jonge ondernemer het zou gaan kopen. We hebben groen licht van de bank gekregen en de kans gegrepen.”

Rob de Bruijn in actie op het concours van Rinus Blom, Jumping Etten-Leur

De eerste die zich meldde was zijn vroegere werkgever Rinus Blom: “Meteen toen we het spul gekocht hadden, belde Rinus Blom me: die snapte heel goed waar we voor stonden. Hij vroeg of ik voor halve dagen wilde komen rijden, van 8 tot half 1, kon ik bij hun thuis mee-eten, en dan direct thuis verder. Heb ik een paar jaar gedaan, waarbij ze van zijn stal met de paarden op concours kwamen zodat ik ze kon rijden. En nog steeds is Rinus een heel goede kennis, we hebben twee paarden samen nu. Zijn hulp is belangrijk voor ons geweest. In het begin hadden we eigenlijk een trainingsstal maar in de crisis werd dat steeds minder: een paard laten rijden door een ruiter was voor veel mensen niet meer te bekostigen. En veel mensen gingen steeds scherper selecteren: welke paarden zouden de moeite van het investeren waard zijn. Vanaf toen ben ik steeds meer in de handel gegaan, vaak samen met handelaar Frans Burgers, veel hunters en equitation paarden.”

En nu specialiseren Rob (38) en Karin zich steeds meer in de handel: “De sport is echt op een lager pitje terecht gekomen. Eerder had ik een sponsor die me hielp met een paar fijne internationale paarden. Het hoogste wat ik daardoor heb kunnen rijden was de drie sterren Grand Prix in Beervelde. En nu is de handel steeds meer een belangrijk deel van ons bedrijf geworden. We gaan voor kwaliteit: van drie tot tien jaar, springpaarden, hunters, equitation paarden, het verhaal moet kloppen. Wij kunnen het ons niet veroorloven om niet eerlijk te zijn of slechte kwaliteit te leveren. Dan bouw je ook mooie referenties op en mensen weten ons steeds beter te vinden als ze iets aan te bieden hebben. Zo heb ik de hengst Dulf van de Bisschop gereden voordat ie door Harrie Smolders verkocht werd naar Amerika. Of Hanna van Steve Guerdat , Casall IV van Ali Wolf, Cliff Z van Georgina Bloomberg, Artoit de Avillion , die vorige week nog zesde werd in de Grote Prijs van Lier, Apple Juice, langzamerhand best wel veel eigenlijk. Fijn is dat we goede kennissen en vrienden om ons heen hebben waar we op kunnen bouwen.”

Rob reed Dulf van de Bisschop, hier tijdens de KWPN Hengstenkeuring, voordat de hengst verkocht werd via vriend Harrie Smolders naar de USA.

Inmiddels zijn zoon Daan van 6 en dochter Quinty van 3 ook allebei fanatiek als het op ponyrijden aankomt. Rob: “En Karin heeft vroeger tot landelijk ZZ gereden. Het kriebelt nog steeds maar het komt er niet van want zij is vooral ook degene die naast het management van de stal de boekhouding, de inschrijvingen, de social media en de video’s regelt. Ik doe vooral de handel en de paarden en dat worden er toch steeds meer. Toen we het kochten hadden we acht boxen, nu zestien. En toen reden we alleen buiten, inmiddels hebben we een mooie binnenhal. We groeien langzaamaan, voorzichtig vooruit. Zo kan het dus ook als je met niks begonnen bent.”