Deurne, springsport en fokkerij, dat zijn de kernwoorden om de meest in het oog springende activiteiten van Cor Loeffen uit Alverna te beschrijven. Een stijlruiter was hij, met paarden die vaak uit het koppelbazen-circuit voor hem gekocht werden. Een directe en consequente instructeur voor wie best veel leerlingen veel respect hadden.  En een kenner van de fokkerij, die geleerd heeft dat argumenten tellen. Hier deel 2 van zijn verhaal.

Cor Loeffen heeft in de loop van de jaren naam gemaakt als Deurne-instructeur. Hij is er gebleven tot de school een paar jaar geleden de deuren sloot: “Ik verwachtte veel van mijn leerlingen, dat botste ook nog wel eens met de verschillende directeuren maar dat is altijd goed opgelost omdat het resultaat bij de leerlingen goed was. Ik was heel direct en consequent, dat wordt wel eens verward met streng. Ja, er waren mensen die bang waren, maar op dat moment besef je dat eigenlijk niet zo. Eerlijk gezegd was ik daar als kind ook mee geconfronteerd en toen vond ik ook dat dat niet zo moest.”

Cor Loeffen, de instructeur zoals de oudere garde van Deurne zich hem zal herinneren

“In Deurne had ik altijd zes of zeven leerlingen tegelijk in de les. Ik moest blijven herhalen, maar op een gegeven moment was ik wel zover dat ik vroeg of iemand iets aan de oren mankeerde, of dat de batterij van het apparaat op was of zo. Ik kan me nog steeds opwinden als iemand er niks mee doet. Als de leerling ervoor openstaat en voelt dat het leidt tot een verbetering: dan kunnen ze stappen maken en dan staan ze ook open voor de instructie.  En dan heb je nog het volgende punt: je moet iets van de leerlingen vragen wat ze uit kunnen voeren. Inschatten wat bij de een wel kan en wat bij de ander nog niet mogelijk is. Dat moet je ook leren. Maar ja, het komt toch vaak neer op zaken die niet helemaal te leren zijn: het zijn altijd dezelfde spitsen die op de goede plaats staan bij het voetbal.”

Tjeerd Velstra als directeur van zijn Deurne

Tjeerd Velstra was de directeur die Deurne groot heeft gemaakt: “Hij was voor ons als instructeurs geweldig, hij heeft de school enorm op de kaart gezet. En we hadden natuurlijk een vast salaris, verzekering en een pensioen. Toen was het belangrijkste dat hij ons enorm veel vrijheid gaf. We konden wedstrijden rijden, bijscholing volgen, handelen, we kregen alle vrijheid. Hij was daar heel open in. In die tijd ben ik gaan lessen bij Piet Oothout, de grote dressuurinstructeur. In het begin wilde ik dat niet, ik voelde me springruiter, en dan denk je dat je het uitgevonden hebt. Maar ik moest van Velstra. Tja, wat moest ik daar nou gaan doen? De eerste twee jaar betaalde de school dat, dat lessen in Soest. Het heeft best een tijd geduurd voordat ik aanvoelde wat de man bedoelde. Langzamerhand kreeg ik gevoelsindrukken bij zijn instructie, maar het thuis narijden heeft heel lang geduurd. Ik had toen een kort lontje: als een paard niet luisterde, gaf ik meteen een knal. Na twee jaar was het  budget van de school op, moest ik het zelf betalen.”

De laatste diploma-uitreiking in Deurne in 2016

“Ik ben er daarna elke twee weken op eigen kosten heen gegaan omdat ik voelde dat er meer in zat. Thuis in m’n eentje kreeg ik het gewoon niet voor elkaar. Tot aan zijn dood heb ik bij hem gereden, die man heeft een enorme invloed op mijn rijden gehad. Op mijn springerij, maar vooral op mijn lesgeven. In mijn geval was het een beetje de stroper die later de beste boswachter wordt. Die man kon het rijden zodanig functioneel maken dat het voor het springen hielp.  Oothout had een heel mooie mix tussen klassiek africhten en ‘de andere manier van rijden’, wat hij circus noemde. Klassiek is dat je het paard ook gymnastiseert, vond hij. Op het moment dat ik een wedstrijd ga rijden, kom ik vaak bij het circus uit, zei hij. Te veel juryleden beoordelen de oefening, ze zien dan vaak minder of dat gymnastiserende waarde heeft, was zijn overtuiging. Dat heeft Oothout mij bijgebracht.”

“Oothout zei ook: bekendheid wordt vaak verward met bekwaamheid. We hebben inderdaad een hoop roepers, als ze dan met de feiten geconfronteerd worden, doen ze net of ze dat al wisten, en als het toevallig een keer uitkomt, doen ze alsof ze God op aarde zijn. Het zijn mensen die kreten uitslaan en zo hard roepen omdat ze bij voorbeeld bekend zijn, en dan indruk maken. Als zo iemand iets gaat roepen, wordt dat voor waarheid aangenomen. Maikel van de Vleuten rijdt in Den Bosch met Verdi TN op zondagmiddag een galopsprong meer terwijl ie dat eigenlijk niet wilde. Toch had hij het op dat moment nodig om voor zijn gevoel goed aan de andere kant te komen. Hij kreeg een tijdfout. Waarom rijdt ie dan niet harder, wordt er dan gezegd door dat soort mensen. Dat zijn roepers.”

“Roepers zijn het tegenovergestelde van mensen als Johan Heins of Hans Horn, kenners, beschouwers. Een topper als Harrie Smolders is bij Johan Heins opgeleid, zelf een geweldige ruiter, een kenner, iemand die met weinig woorden duidelijk maakte wat hij bedoelde. Harrie had natuurlijk aanleg, maar dan is het nog de vraag of je het talent hebt om het te ontwikkelen. Ik heb een keer paarden moeten beoordelen met Johan Heins. Met weinig woorden kon hij precies aangeven waar het over ging, toen is een wereld voor me open gegaan. In heel korte momenten kon hij gebaseerd op feiten zeggen wat hij zag. Een mening had ik al, maar op welke feiten gebaseerd dan? Met het vrij springen kwam een paard in de baan met een grote galop. Dat was minder gunstig om die dag heel hoog te eindigen. Dus fokken we een kortere galop? Nee, want later hebben ze er juist heel veel profijt van. Heins zegt van huis uit niet zoveel, het tegenovergestelde van een roeper.”

Cor Loeffen wordt al decennia geassocieerd met fokkerij. En met beoordelen. In Deurne gaf hij exterieurleer: “Maar er was weinig lesstof. Het lineair scoren heeft dat  veranderd. Sjef van Rijswijk, Jaap Werners, Gert van der Veen en Arie Hamoen hebben daarin het voortouw genomen. En dan kwamen bij ons in Deurne paarden van het proefbedrijf die we gingen scoren. Professor Barneveld kwam toen ook regelmatig in Deurne. Feiten, daar ging het om , objectief, dat sprak mij ook aan. Dat kon ik bij de leerlingen heel goed gebruiken als lesstof. En toen is het idee opgekomen om jurylid te worden, in 1988 op m’n 34e, dat was vrij vroeg. Voor die tijd had ik altijd wel goede paarden gehad, maar ik had nooit gekeken naar de afstamming, nooit! Dat interesseerde me toen niet. Ik denk dat nou nog een hoop ruiters zeggen: als ie maar springt. Alhoewel het bij ruiters nu meer leeft dan vroeger in mijn tijd.”

De merriekeuringen vormden het eerste toneel voor jurylid Cor Loeffen: “Je keurde een paard in die tijd met een a, b of c, met een plusje of minnetje. Ik stond een keer in de baan met Arie van Baalen senior, een geweldige vakman. Komt er een paard binnen, zeg ik: ik denk een a. Moesten ze rondstappen, liep de merrie op de derde plek. Toen zag ik dat ze te beknopt was. Ja, zegt Van Baalen, maar dat had ie vanochtend toch ook? Hij maakte meteen duidelijk dat er niks mis was met een eigen mening, maar dan confronteerde hij me er ook mee. Belangrijk voor mij is ook Gert van der Veen geweest, toen de directeur en hoofdinspecteur. In 1994 heb ik voor het eerst los springen beoordeeld met hem, een man met visie, die heel weinig draagvlak voor zijn ideeën over aansluiting naar de sport had. In het publiek niet zo’n prater, maar als we samen naar de keuring reden, stopte hij pas met praten als we er waren.”

In 1995 werd Cor Loeffen lid van de hengstenkeuringscommissie van het KWPN: “Samen met Ab Barneveld en Sjef van Rijswijk, enorm ervaren mensen. Vooral Barneveld vroeg me altijd: waarom? Hij heeft me geleerd om dingen makkelijker te formuleren. Als je een mening had zonder feiten, dan was hij keihard. Een mening hebben was prima, maar je moest het altijd uit kunnen leggen. Ik heb het gedaan tot 1999. Toen rommelde het nogal binnen het KWPN en vanwege een meningsverschil werd ik voor het blok gezet. Maar ja, later moesten ze weer een jurylid hebben bij de Rabobank-week in Ermelo, even later vroegen ze me toch weer als inspecteur voor Limburg. En in 2012 vroegen ze me opnieuw voor de hengstenkeuringscommissie. Met een steeds groter verschil met toen ik begon: op de merrielijnen werd in het begin maar gewoon gelet. Als je nou in de voorbereiding ziet hoeveel er beschikbaar is…..ik zit nou in mijn laatste periode. Een goede sfeer hebben we, met Wout-Jan van der Schans en Henk van de Broek, mensen uit de sport.”

In de KWPN-hengstenkeuringscommissie met Wim Versteeg, Daan Nanning en Hester Klompmaker

De hengstenkeuringscommissie is een belangrijker orgaan dan je op het eerste gezicht zou denken. De keuze voor verervers en daarmee het type paard wordt er gemaakt. Het heeft volgens Cor Loeffen de afgelopen twintig jaren heel veel opgeleverd: “De verschillen in exterieur tussen dressuur- en springpaarden zijn steeds groter geworden. In de dressuurfokkerij heeft een beperkt aantal hengsten een grote rol gespeeld om een steeds sterkere uniformiteit te hebben, hengsten als Gribaldi, Jazz, Ferro en Krack C.  En nog steeds, ook omdat ze in de mannelijke lijn door-vererven. Dan moet je wel blijven zorgen voor voldoende bloedspreiding, met hengsten uit het buitenland bij voorbeeld. Bij de tuigpaarden hebben we in het verleden met hengsten als Oregon en Renovo zo’n effect gezien.”

Als inspecteur van Limburg samen met Jan Greve

“Bij het springen is de variatie in exterieur groter. Er zijn springpaarden van 1m62 die heel goed springen, maar de meerderheid is veel groter. Er zijn springpaarden genoeg die met een van nature wat verticale hals toch een goede sprong maken, maar het merendeel heeft een wat meer horizontale hals. En de kruisvorm bij springpaarden is vaak wat rechter. In de dalende fase in de sprong moeten de heupen omhoog en als de zitbeenknobbel hoger zit, dan is dat gemakkelijker. En bij het springen zie je wat betreft hengsten een veel gemêleerder gezelschap met veel grotere aantallen. Ik denk dat die specialisatie een goede zaak is. Vergelijk het springpaard van nu eens met het springpaard van zo’n 20 jaar geleden. Het is een completer paard geworden, waarmee de doorsnee-ruiter makkelijker een Z-parcours rijdt. Toen wij reden, zaten er misschien 25 in het Z, dat was al veel. En nou zie je van die wedstrijden met meer dan 100 in het 1m40. De specialisatie heeft dat mogelijk gemaakt.  Natuurlijk, er zijn mensen die zeggen dat een Z-niveau niks voorstelt. Maar begin er maar eens aan, daar gaat echt een x-aantal jaren training overheen wil je dat goed doen!”

 

 

 

© Nieuws.Horse 2018 | powered by Olland.biz