Wilma Wernsen: hoor je tot het kliekje of niet?

Wilma Wernsen: hoor je tot het kliekje of niet?

Wilma Wernsen is coach niveau 5, de op een na hoogste graad van coaching bij NOC*NSF. Uit haar verhaal dat net voor de zomer in Nieuws.horse werd gepubliceerd, bleek al de eigenzinnige kijk op de paardenwereld in meerdere opzichten. Ze was nog niet uitgepraat en zal voorlopig nog niet uitgepraat zijn. Wilma Wernsen laat zich de mond namelijk niet snoeren…..

Wilma Wernsen groeide op met paarden en heeft inmiddels heel wat paarden opgeleid en uitgebracht op Grand Prix-niveau. Op haar eigen manier, waarbij vanaf de opfok ‘duidelijkheid’ centraal staat. Maar ze ontwikkelt zich meer en meer als enorm gedreven coach. In het eerdere artikel zei ze al: “Het is niet meer zo dat iemand in de bak vanaf de kant bepaalt wat er moet gebeuren. We moeten vooral kijken naar hoe een persoon en een paard in elkaar zitten. De juiste snaren zoeken en niet alleen zitten te hameren op wat iemand niet kan, dat gebeurt te veel in de paardensport. Het gaat om motiveren en stimuleren, in de samenwerking tussen paard, ruiter en coach. Laten we bezig zijn met het gevoel over hoe een paard in elkaar zit.”

Wilma Wernsen doelt op de theorie en praktijk van Action Types, waarin mensen gekarakteriseerd worden aan de hand van het Myers Briggs-systeem. Met letters wordt aangegeven welke natuurlijke voorkeur iemand heeft. Omdat het gaat over vier tegenstellingen, kunnen in principe 16 combinaties ontstaan. Topcoach Peter Murphy is in Nederland de drijvende kracht achter dit systeem met zijn Action Type Academy.

De vier velden en hun uitersten zijn:

  • Hoe je je aandacht richt en hoe je gestimuleerd raakt (meer extravert of meer introvert)
  • Hoe je informatie opneemt en dingen beleeft (meer zintuiglijk of meer intuïtief)
  • Hoe je beslissingen neemt (meer op basis van rationeel denken of meer op basis van gevoel)
  • Hoe je leefstijl is (meer oordelend en afrondend of meer waarnemend en afwachtend)

“Ik zie in de tegenwoordige praktijk te vaak dat paarden en pony’s beschouwd worden als een ding. En dat begint al vroeg. Bevalt de pony niet op de manege? Dan krijg je toch een andere. Ik denk dat op veel niveaus een stuk kennis wordt overgeslagen. Over de praktijk, maar ook over de theorie. En over het respect naar je dier, over normen en waarden. We zullen beter moeten leren kijken naar een mens maar ook naar een dier. Je kunt niet iedere persoon of elk paard op dezelfde manier lesgeven of trainen. In de praktijk van het les geven en het kijken naar paarden krijg je steeds vaker te horen wat er níet goed is.”

Met Oklarette

“Kijk, als je introvert bent, kun je wel een beetje extraverter worden, maar helemaal extravert word je nooit. Als je links schrijft, kun je rechts oefenen, maar helemaal goed wordt het met rechts nooit. Eigenlijk ligt je leermoment in hetgeen je al beheerst, dat ontwikkel je meer en meer. Natuurlijk stip je dingen aan, maar dat mag niet de overhand hebben. Als je geen planmatig persoon bent, of je bent niet sterk in fijne motoriek, dan kun je dat hooguit een beetje aanpassen en ontwikkelen. Maar je zult nooit zo zijn als iemand die dat van nature heeft. Wij willen alles maar al te graag in een kastje plaatsen. We vergeten vaak dat ook een paard, net als de mens, zwakke en betere kanten heeft. Je gaat vooral met de goede kanten aan het werk, en werk je aan de ontwikkeling van zwakkere kanten.”

“Hoe vaak horen we niet: het achterbeen moet sneller. Maar ja, een paard met een traag achterbeen kun je wel íets sneller maken, maar dat wordt nooit écht snel. En wij horen maar om ons heen: sneller, sneller, sneller! Als je paard dat niet kan, en je wilt dat per se en je blijft erop hameren, dan krijg je blessures.”

“In de coachingsopleiding maakten we zo ook kennis met andere sporten. Een sprinter moet in principe diep zitten in de startbokken en van daaruit vertrekken. Maar als iemand niet vanuit zijn onderbeen werkt, dan zal ie eerst omhoog moeten komen, om dan te kunnen vertrekken. Als je die houding af blijft dwingen, gaat ie nooit winnen. Maar laat je ‘m wat hoger zitten, dan kan ie gelijk vertrekken. Die vergelijking met andere sporten is hartstikke nuttig en interessant.”

Met de AES goedgekeurde hengst Toto x Métall

“Ik heb iemand ook jarenlang lesgegeven bij wie ik tegen bepaalde dingen aanliep. We hadden een soort van botsingen. Maar ja, als je iemand les geeft die totaal niet planmatig is, en je dwingt dat wel af….ik ben heel blij dat ik aan het werk ben gegaan met action types en leerstijlen. Ik heb dingen los moeten laten in die les. Het ging meer om een beetje bijschaven, maar vooral haar in haar waarde laten, zoals zij is als persoon. Ze was ook meer van de grove motoriek. Steeds een beetje meer verfijning, een beetje meer planmatig, en dan haar weer in haar eigen action type laten.”

“Dat is met paarden net zo. In Duitsland zijn ook niet alle paarden even snel en goed, maar ze doen het wel en ze staan voorlopig wel aan de top. In Duitsland hebben ze nog heel sterk de traditie van de oude school, de lengtebuiging, de manier van loswerken, de regelmaat, noem maar op. Maar vooral gericht op de lange termijn, volgens het Skala der Ausbildung. Let op, ook daar rijden ze paarden rond en diep, het zijn geen heilige boontjes, dat weten we allemaal. Maar het gaat om de langere termijn. Wij verlangen hier soms dingen van paarden en de volgende dag moeten ze het doen. Sneller, sneller, sneller! Maar hebben we goed nagedacht over wat het paard nodig heeft? Ik erger me eraan dat het altijd direct meer moet zijn. Waarom? Het gaat echt over de top. Tegen een jurylid zeggen ze: je moet positiever jureren. Maar een jury hoeft niet een hoog cijfer te geven als iets niet goed genoeg is. Een jurylid moet vooral onderbouwen. Maar alles moet vooral meer, meer, meer.”

Met Apretado

“Bij ons krijgen paarden te snel een stempel, en wel zo erg dat ik daardoor bijna moeite krijg met de paardensport. Plus dat het te commercieel wordt, dat vinden we samen met het ideale eindplaatje zo belangrijk. Er wordt minder nagedacht, het gaat om geld, druk, media, dat is jammer. De media spelen daar een grote rol in. Vooral om op te hemelen, heel weinig objectief. Ik zou niet willen ruilen met mensen als Adelinde, Edward, Hans Peter, noem ze maar op. Als ze een dag wat minder presteren, of ze doen iets wat een ander niet aanstaat, dan valt de hele wereld over ze heen. Maar iedereen vergeet dat we afhankelijk zijn van onze paarden. De paarden zijn de topsporters, wij zijn alleen de managers, de trainers.”

“Daarbij moeten we in de dressuur niet vergeten het paard fris in het hoofd te houden. Als ik paard zou zijn en ik zou elke dag hetzelfde moeten doen….pfff. Dat is bij springruiters toch anders, die rijden een keer langs de weg, gaan lekker het bos is. Die training is veel afwisselender, daar ‘moet’ tenslotte ook minder. De manier van springen, de houding, het ideale plaatje, dat is daar minder van belang. Dan is het ook makkelijker dan in de dressuur om te zorgen voor een training waarbij het paard frisser in het hoofd blijft. Maar het kan wel! Neem een voorbeeld aan een nieuw opkomend talent, ze is niet bezig met topsport, ze leidt vooral het paard op. Ze vindt het ook leuk om een buitenrit te maken en om op het strand te rijden. Ze wordt gewaardeerd om de harmonie die ze laat zien. Trekt haar paard de voorbenen hoog op? Nee, het is niet van: wow, wow, wow, kijk het paard eens spectaculair door de baan gaan. Maar internationaal kijkt men veel liever naar zo’n ongedwongen beeld, naar rust en harmonie, naar regelmaat, zoals zij dat laat zien. Ze scoorde in Nederland eerst helemaal niet, in het buitenland werd ze pas gewaardeerd. Tja, in het buitenland moet er echt op de goede manier gepresteerd worden om aan de top mee te kunnen draaien.”

“Ik ben van mening dat we alles te veel in een hokje plaatsen. Hoor je tot het kliekje of niet? Het is moeilijk ertussen te komen voor gewone ruiters en dat wordt alleen maar erger. Het gaat er mij ook om dat mensen niet per se bepaalde wedstrijden zouden moeten hoeven te rijden om uitgezonden te kunnen worden. Ik zie iemand een kaderscore rijden die geen wisselserie kan rijden. En dan naar het buitenland, waar ze net 60% halen. Vervolgens verdwijnt ie door de achterdeur. En wij maar betalen, de topsport wordt toch zwaar ondersteund! Wat een wereldje. Iemand wordt bondscoach en ze weten niet hoe snel ze ernaar toe moeten om les te nemen. Dat is onze dressuursport……”

Met de vijfjarige Estupendo in Barcelona

“Er wordt te veel gekeken naar wie erop zit. Kijk naar de combinatie, naar de potentie, die vijver is veel groter dan we denken. Onze jonge paarden moeten meteen voldoen aan de eisen, anders worden ze afgeschreven. De kleur moet kloppen, het model, hij moet fantastisch kunnen lopen, liefst zijn voorbenen tot de neusgaten optrekken. Ik zie liever tact en regelmaat. En later in de sport: als het buurmeisje bij wijze van spreken een tien keer betere proef rijdt dan een topruiter, dan krijgt díe toch de punten. Dat gebeurt op internationaal niveau ook. Charlotte Dujardin: heb ik veel waardering voor. Maar in Caen had ze ontzettend veel fouten, met een mislukte piaffe waar ze toch nog een 7 voor kreeg. Dat kun je mensen toch niet uitleggen? Hierdoor blijft de dressuursport voor leken moeilijk te volgen.”

Wilma Wernsen is lid van het dressuurforum van de KNHS, is het dan handig om dit soort opmerkingen te maken? “Ik weet het, ik stoot best vaak mensen tegen het zere been. Maar ik hoef geen vrienden te worden met de KNHS of het dressuurforum. Ik ben gestopt met lesgeven in de instructeursopleiding omdat ik het met de uitwerking niet eens was. Je betaalt best wel een fors bedrag voor de opleiding, daar mag je iets voor terugverwachten, bij voorbeeld dat de zaken goed geregeld zijn, dat de planningen goed zijn, dat de instructeurs de cursisten goed opleiden.”

“Als we teruggaan naar het begin en de insteek van mijn verhaal, dan speelt de KNHS hierin een belangrijke rol. Moet de KNHS een belangrijke rol spelen zelfs. Niet blijven hangen in het oude en altijd met dezelfde mensen. Het welzijn van het paard, het management en de ontwikkeling van ruiter en paard als combinatie in de nieuwe stijl, dat is belangrijk. Ik zou ervoor willen pleiten om breder te kijken, hopelijk kunnen onze collega-sporters daar ook een bijdrage aan leveren.”

Hans de Vries: Hé, het is míjn paard hè?

Hans de Vries: Hé, het is míjn paard hè?

‘Hopeloos verouderd’, zo kwalificeert Hans de Vries uit het Friese Giekerk het Nederlandse systeem in de springsport. De sympathieke 39-jarige ruiter/handelaar/coach/ondernemer kan de vergelijking gemakkelijk maken met Duitsland: hij zorgde zelf voor zijn eigen opleidingsplek bij Franke Sloothaak en hij is regelmatig op de Duitse concoursen te vinden. Dan gaat het over de rol van verenigingen, de opleiding, de winstpunten, de organisatie en de media-aandacht. Hans de Vries benoemt het: dat kunnen we in Nederland beter doen.

“Ja, daar heb ik wel bepaalde ideeën over. Ik rijd nog steeds veel landelijke concoursen in Duitsland, voor mij toch meer dan twee uur rijden. Ik denk dat de sport daar tien jaar verder is, in professionaliteit. De paardensport is er een heel geaccepteerde sport, net als bij voorbeeld handbal. Je wordt voor vol aangezien. Bij ons zien we nog een hoog Penny-gehalte, mensen hebben het idee dat wij ons hele levensverhaal aan het paard vertellen. Het manegegevoel, zeg maar. Komt omdat het niet een 100% geaccepteerde sport is. De gemiddelde Nederlander kent Jeroen Dubbeldam niet maar hij is wel Olympisch kampioen.”

Hans de Vries vertelt er graag en gedreven over. Hij groeide op in een onderwijs-gezin in het buitengebied van Giekerk, geïnteresseerd in sport: “Door mijn oudere zus kwam ik op de Leeuwarder manege. Op een B-pony.  Ik ben daar op gezet, ik denk dat ik dat toen wel leuk vond. Ik vond alle sporten leuk, nog wel, het had ook iets anders kunnen zijn, maar hier is het bij gebleven.” De B-pony werd al snel een D-pony: “Die B was een leuke Welsh maar niet een heel fanatieke springer, waar mijn hart lag. Met de D-pony kwam ik terecht in de Regio Noord-lessen bij Arjen Vos in Vries. In De Hoefslag hebben we toen gelezen dat er een team was, met Niels Nanning, Bram Landa, ik denk Matthijs of Leopold van Asten, en Annemarie Huijsmans. Haar pony zou verkocht worden en die zijn we toen gaan proberen, in West-Brabant. Veel te sterk en te heet, maar ik was niet te bang en mijn ouders hadden er niet te veel verstand van. De pony paste, toen liet je ‘m niet keuren. Met de hulp van Arjen Vos heb ik een heel mooie ponytijd gehad.”

Hans de Vries met de pony Oscar in Ermelo

Toen de EK-selectie eraan kwam, werd het wat minder: “Dan maakte je dingen mee die je niet kende. Trainen bij Gerd Meier in Beusichem: mijn pony weigerde in de Pulverman, dat kenden we niet. We werden uit de selectie gezet maar al snel kwam de vraag of de pony dan wel geleased kon worden voor Gerco Schröder. Iedereen leste bij de bondscoach, dat wisten wij niet. We kwamen in de politiek terecht. De eerste training bij Daan Nanning, kom je als nieuweling binnen: wordt er niks gezegd. Je hebt geen idee waar je staat. Ik heb het allemaal meegemaakt, tot kort gedingen aan toe van invloedrijke mensen om in het team te komen. Vooral in het begin was die druk lastig. Maar de NK’s en Hippiades waren wel heel leuk. Uit die periode ken ik nog steeds veel mensen, zoals Bianca Schoenmakers, Willem Greve, Michael Greeve, Inge van den Bosch, Madeleine Brugman.”

Hans zorgde er na zijn ponytijd en vwo zelf voor dat hij bij Franke Sloothaak op stal kwam: “Ik had een portfolio gemaakt, zo’n mapje met wat ik allemaal gedaan had. Je kunt wel wat vertellen maar dat doet iedereen. Op de eerste dag ben ik erheen gegaan, ik dacht: dan heeft ie nog wel wat tijd. Ik heb ‘m opgezocht op het voorterrein, heel erg spannend, want Franke Sloothaak was een idool. Ik moest eerst maar eens langskomen, eerst voor drie maanden. Toen reed ik net paard, mijn ouders wilden eigenlijk niet door met de paarden. Ik kon kiezen: of een paar jonge paarden of één juniorenpaard. Ik had een beetje bedacht dat ik liever jonge paarden wilde doen. En ik had het idee om vee-arts te worden, maar de exacte vakken waren een drama dus dat werd ’m niet. Ik mocht een driejarige Purioso meenemen naar Franke en na die drie maanden hebben we een nieuwe afspraak gemaakt, zonder einddatum. Ik ben er een jaar gebleven, een jaar naar het buitenland was het beste, dan weet je echt of je het wilt. Ik heb er van alles en nog wat gedaan.”

Met Gurina (Corland x Argentinus), gefokt door Bart Henstra, nu als 9-jarige 1m45 met de Belgische amazone Stéphanie Andries

“Waarom terug? We hadden de accommodatie thuis en een paar jonge paarden die klaar stonden. Bij Franke had ik een goede Ierse ruiter voor me, daar kon ik niet voorbij. Thuis hadden ze ook wel iets verwacht dat ik terugkwam. Als ik die jonge paarden thuis niet had gehad, was ik misschien wel langer gebleven. Maar de motivatie was op dat moment bij Franke wat minder, daardoor ontbrak de inspiratie bij mij ook een beetje. Wel goed les hoor, van Mani Kötte, die gaf heel rechtstreeks les, dan werd je gedrild. Hij kwam lesgeven bij Franke, ook bij mensen als Ludger. Tegenwoordig is dat in de paardensport ‘not done’: de ouders komen bij me, het moet liever, het moet uitgelegd worden, het wordt bijna debatteren. Dat was bij ons niet zo. Je ging naar les en je luisterde.”

Terug in Giekerk pakte Hans het behoedzaam aan: al snel begon hij bij Nuon en daarbij reed hij paarden, vooral voor eigenaren: “Ik huurde de boxen van mijn vader thuis en in de loop van de jaren ben ik bij Nuon steeds minder gaan werken. Van 40 naar 28 naar 16 uren. Die tijd heb ik steeds meer met paarden opgevuld. Zadelmak maken veel in het begin. Toen waren de paarden van mijn ouders, dat was een beetje lastiger om ze te verkopen. Komt Teus van de Brink voor een sportpaard uit de Lottie-stam. Zegt mijn vader: ja, maar ze is wel een stermerrie. Teus wilde haar als sportpaard. Vader gepikeerd, ging de handel niet door. Dat waren goede leermomenten, 100%. Later ging je serieuzer met je paard aan de slag, naar Meppel, Tolbert of Zuidboek, daar werden ze verkocht. Van mijzelf of van eigenaren. Mijn ouders zijn het wel blijven volgen maar dat is wel een beetje vervaagd. Ik heb acht jaar geleden thuis het bedrijfsgedeelte kunnen kopen, een beetje gespaard en de rest met een goed plan via de bank.”

Hans de Vries met het eigen fokproduct Goudmijn (Tsjakka x Orion Fortuna)

“Dat ging goed, en ik had ook het geluk dat ik een paar buitengewoon goede paarden had, zoals Veldheer, uit hetzelfde jaar als Verdi en Vleut. In 2012 wonnen we Indoor Tolbert, ik heb er ook de Sires of the World mee gereden. En veel in Duitsland. Ik heb altijd kennissen gehouden in Duitsland, ik ken de taal en ik vond het fijn rijden daar. Duitsland is anders. Sinds een jaar of vijf wordt hier CSI De Wolden uitgezonden, in Duitsland was dat al veel eerder en beter geregeld. Alles werd live uitgezonden via al die regionale zenders. Zondagmiddag vaste prik, met een fenomeen als Carsten Sostmeier voor het commentaar. Weet je, als het maar vaak genoeg voorbij komt, wordt het vanzelf normaal. Albert Zoer zijn eerste interview in Redefin: kon hij net een paar woorden Duits, was fantastisch. Iedereen had het nog over Jenny Zoer, hij was het broertje. In elk geval: de winnaar wordt geïnterviewd, uit welk land hij ook maar komt.”

“In Duitsland maken ze van concoursen ook echt werk, vaak via de verenigingen. Ze huren dan organisatiebureaus in die het er parttime bij doen. Dat werk besteden ze dus uit. Bij ons doen ze dat alleen bij de grote nationale concoursen. Als Maartje Lanooy er dan zit, weet je dat het geregeld is, die weet ook hoe ze iedereen moet aanpakken. Dat deden ze daar ook bij landelijke concoursen, daar wordt geld aan besteed. Je weet dat het voor elkaar is, de tijdschema’s zijn goed. Bij ons hebben veel rijverenigingen moeite om tijdschema’s te maken. De meeste zitten in spanning omdat iedereen twee dagen van tevoren inschrijft. Raken ze in paniek, gelasten ze het af, komt er volgende keer helemaal niemand meer.”

Lerado van ’t Gevahof, Eldorado van de Zeshoek x Chin Chin, in Belgie gefokt, loopt nu 1m35

“In Duitsland doe je dat verplicht drie weken van tevoren, dan moet je startplekken reserveren. Je eigenlijke paard geef je tot een uur van tevoren op. Aanmelden na de datum kan ook, maar dan betaal je dubbel, dat weet iedereen. En als ik niet rijd, betaal ik alleen het Nennungsgeld, zeg maar de reservering van de startplek, niet de start zelf. Na de tijd wordt alles afgerekend, verrekend met het prijzengeld, net als bij de grote wedstrijden. Dat is overal hetzelfde. De Duitse bond is wel echt een bond die de ruiters en de sport beschermt. Er mag een 1m40 worden uitgeschreven maar pas bij een minimale prijzenpot van € 1500,-. Je hebt er genoeg 1m40’s, daar gaat ook iedereen heen, want er is geld te verdienen. Het publiek komt echt niet voor die rondjes waar iedereen rijdt voor de eigen video.”

“Vandaag kreeg ik een foutbrief voor een paard: had de punten behaald in het 1m20, moet nu 1m30 lopen. Maar dat paard is heel blij in het 1m20, en in het 1m30 heeft ie de broek vol. Hij moet toch Z gaan lopen. Wacht even, het is wel míjn paard hè? Dat is toch gek? In Duitsland bestaat er geen winstpuntensysteem op het paard, alleen op de ruiter. En kijk eens naar de handel. Hier had ik plus 2, daar min 2, moet je allemaal uitleggen, niet te doen. In Duitsland is dat veel slimmer: dat is de winsom, zoveel klasseringen: vijf keer 1e, zoveel keer 2e, etc. Ons hele puntensysteem, dat was vroeger bedoeld voor de opleiding, maar het is hopeloos verouderd. De bond bepaalt met het systeem of mijn leerling L mag rijden of niet. Hé, het is míjn paard! We hebben het allemaal over dierenwelzijn, maar je mag wel HC starten, dat is ook gek. In Duitsland Ausser Konkurrenz, dat bestaat eigenlijk niet.”

“Het wedstrijdelement is bij ons ook al jaren weg, dat weten ze bij de bond zelf ook wel. Op een gemiddeld concours interesseert niemand een prijs. Het gaat om zoveel mogelijk wedstrijden en zoveel mogelijk afdracht, dat moet er wel achter zitten. De gemiddelde club kan geen concours meer organiseren. De ruiters rijden het liefst door de week, hebben ze in het weekend lekker vrij. Zonde voor al die verenigingen. We hebben de NIK-competitie gehouden met Appingedam, Zwaagwesteinde en Exloo. Met € 500 voor de winnaar in elke klasse, kostte niks extra’s. Apart hoe weinig belangstelling er dan is. Dat is de cultuur. De jeugd weet niet meer wat ze mist, het is individualistisch geworden. De finale op zaterdagavond laten ze schieten omdat er ergens een feestje is. En dan klagen over die kleine bakken. Wacht even, 20 x 60 hè? Zuidbroek vinden ze al te krap. Er moeten steeds grotere maneges komen omdat ze het anders niet vol krijgen. Of dat allemaal ten goede komt aan de sport, ik weet het niet. De handelingssnelheid wordt in elk geval lager, in een kleine bak wordt het toch allemaal een stuk moeilijker….”

Zijn sport, Hans de Vries praat er graag en gepassioneerd over, of het nou de internationale 1*-cultuur vanaf het 1m10 is, de mentaliteit van jonge ruiters, het Stimuleringsplan in Friesland of de almaar stijgende kosten voor registraties en wedstrijden ondanks de digitalisering: “Ik heb een brede interesse, anders houd je je ook niet zo bezig met de problematiek. Coachen vind ik ook heel leuk, planningen maken met je leerlingen. Plannen dat je wint is toch leuker dan gokken of je wint? Het gaat ten koste van de kwaliteit als je altijd om het hardst rijdt. Maar sinds bijna 5 maanden hebben Tineke en ik een kleine, Wietse, en dat is waar het in het leven echt om gaat…..”

Foto’s Arjen Schilperoord: klik hier!

Joan van Gorkum: wat je met passie doet, kost geen energie

Joan van Gorkum: wat je met passie doet, kost geen energie

Joan van Gorkum is geen doorsnee-paardenman. De eigengereide software-ondernemer uit het Brabantse plaatsje Olland geeft zijn paarden typische namen die te maken hebben met zijn business. Veel mensen kennen hem van het strodorp waar hij zijn handel toelicht of van zijn producten zoals HorseManager. Maar wie hij eigenlijk is…dat weten niet zoveel mensen.

Haastig, chaotisch, druk, eigenwijs, dat zijn zo een paar woorden die opkomen als je Joan van Gorkum kenschetst. Maar ook enorm gedreven, met een bijna encyclopedische kennis, vooral van paarden. “Als ik nou jong zou zijn, zouden ze me het stempel adhd geven. Maar mijn vader gaf me gewoon meer werk.”

Joan van Gorkum (*1967) heeft een lang paardenverleden. En in paarden zijn onvoorwaardelijke passie. Dat begon half jaren ’70 thuis in het dorpje Wijbosch bij Schijndel, waar zijn ouders een varkensbedrijf hadden. Vader Van Gorkum verhuurde ook een paar paardenboxen: “We hadden toen een Makelaar-merrie op het oog voor een klant die ook onze boekhouder was. Dat was Solga, gekocht bij Ruurd Botma. Die klant dekte gust bij hengsten als Uppercut en Lorenz, betaalde zijn rekeningen niet en toen hebben we het tegen elkaar weggestreept.”

“We hadden thuis een varkens-topfokbedrijf. Met de kennis van nu hadden we toen eigenlijk al een milieuvriendelijk houderijsysteem voor de 500 fokvarkens en 120 fokzeugen, alles op stalmest. Ik heb daar wat mest naar buiten gesjouwd….Mijn vader exporteerde ze naar allerlei landen, Italië, China, maar dat was in één keer afgelopen. We kregen de snuffelziekte, dan groeide de neus scheef. Dat hadden 2 varkens van de 700 en toen moest alles opgeruimd worden. Ze hebben het hem afgenomen, een groot onrecht. Twee jaar later werd de regeling afgeschaft, mochten ze ertegen ingeënt worden, niks meer aan de hand. Dat was een zware klap voor ons gezin.“

Joan met Olga (Goowill x Makelaar) twintig jaar geleden toen ze drie was

Joan sprong bij de pony’s in het Z maar maakte niet de overstap naar de paarden: “NKB-kampioenschappen en al hè, in de tijd van Ernest Kwint, Anky van Grunsven. We moesten dressuur rijden en achttal rijden maar springen was mijn ding. Ik ben niet naar de paarden gegaan, geld verdienen was toch belangrijker dan de hobby springen. Het ging mij vooral om de fokkerij. Op ponykamp bij het kampvuur leerde ik Joop Aaldering kennen, die werkte bij de gebroeders Verhoeven in Helvoirt, die hadden een kapitale Joost-merrie, uit de stam van Damocles. Het was de tijd van prachtige merries als Palentina, Rilana, Charmante of Charites, die zorgden voor beelden die je altijd bij blijven. Dat maak de fokkerij zo mooi: generaties later zie je dat terug.”

“Mijn vader sleepte me overal mee naartoe. Naar centrale keuringen, de hengstenkeuring in Zuidlaren of de Rijnhal in Arnhem, ik zie Concorde nog binnen komen, aan de kleine kant toen. Machtig interessant, ook veel geleerd van mensen als Ria Hekkert en Albert Oosting trouwens. Ik schreef alles zelf op, heb al die boekjes nog, gewoon voor mezelf, zodat ik zou weten hoe een paard was. Zal ik eens kijken wat ik toen bij Kannan in het boekje geschreven heb? Die mocht niet vrij springen, prototype van een modern springpaard, wel iets overbouwd, iets groot hoofd. Ik maakte van elke hengst aantekeningen, vaak met afkortingen en tekeningetjes. Zo kon ik hem uittekenen voor mezelf. En naderhand terugkijken, als ze in de sport lopen. Ik ben altijd op zoek naar hoe een paard in zijn exterieur zou moeten zijn om goed te kunnen presteren. Het exterieur mag niet in de weg zitten van de prestatie, het gaat veel meer om het interieur. En dan hecht ik heel veel waarde aan de merrielijn.”

 

Zo’n 27 jaar na zijn laatste wedstrijd deed Joan weer mee met een veteranenconcours met Boromolga (Romo x Namelus x Goodwill)

Vanuit de Middelbare Agrarische School liep Joan stage bij Jan van Mensvoort in Nieuw-Weerdinge: “Die nam me mee naar fokkers als Eefting in Roswinkel, paarden uit de Karla stam kijken. In die tijd had ik een Commodore 64. Bij Van Mensvoort kreeg ik als stagevergoeding twee vaarskalveren. Die heb ik zelf opgefokt, aangestierd en verkocht. En van dat geld kocht ik een nieuwe computer, een Commodore 128. Mijn vader was daar boos over, binnen twee jaar weer zo’n ding aanschaffen? Geld verbrassen, noemde hij het. Maar ik had op twee 64k floppy-schijven wel een programmaatje gemaakt als managementsysteem voor de zeugen. Indexen, verwachtingswaarden, alles zat erin. Dat had ik ook voor de paarden, uitgetekend hoe ze aan elkaar verwant waren, met alle prestatiemerries en prestatiefamilies in het systeem. NHS-boeken erbij en uitzoeken. ReedBusiness heeft daar jaren later de boeken Prestatiemerries en Prestatiefamilies van gemaakt. Prestatiemerries deel II heb ik later zelf uitgegeven.”

Daarna volgde de stage bij bouwondernemer, varkenshouder en paardenliefhebber Xavier van Heertum: “Niet teveel praten en doorwerken, dat heb ik daar geleerd. Als bouwvakkers niet genoeg stenen hadden weggelegd, konden ze vertrekken aan het eind van de dag. Aanpakken en doorpakken, en nergens voor terug blijven. Nooit de kop laten hangen, doorwerken. Ik heb er later nog een jaar parttime gewerkt en verschillende jaren op de zaterdagen.” Na de MAS volgde een jaar praktijkschool in Horst: “En in de tussentijd deed ik van alles om geld te verdienen. Ik heb een jaar lang elke nacht kippen geladen, van Wanssum tot Lage Zwaluwe, in combinatie met thuis werken in de varkens, de krant rondbrengen elke ochtend, of prei schoonmaken bij Frank Schellekens in Schijndel voor 3 gulden en een kwartje per uur. Met mijn vrachtwagenrijbewijs en chauffeursdiploma begon ik bij Sjaak en Toon Verhoeven in het veetransport. In die tijd sloeg ik gerust een nacht over, ging ik niet naar bed. Elke dinsdagavond met koeien naar de Bossche markt. De boer z’n karakter kon je herkennen aan de koeien. Je had ooit van die lompe koeien, andere snapten alles. Je zag het aan de boer die erbij hoorde. Het karakter van paarden zag je ook vaak terug. Bij mij zul je nooit een kouwe zien…”

De boerderij uit 1953 was een bouwval toen Joan in 2005 de boel kocht, nu is het o.a. een prachtige Bed&Breakfast

“Ik zou eigenlijk boer worden maar toen ik vooraan ’20 was heb ik gezegd dat dat niet ging gebeuren: ik zag de kostprijs in relatie tot de wereldmarktprijs plus dat je de verkoopprijs niet zelf kon bepalen. Ik ben in de avonduren drie jaar lang de AMBI-master gaan doen in Utrecht, een ICT-opleiding. Ik wilde per se in de automatisering een baan vinden. Eerst voor 9 gulden per uur via een uitzendbureau, zo kwam ik in de industriële wasserij-wereld terecht, ik begon met 2 computers, toen ik vertrok was er een coax netwerk met 60 PC’s en een server. Ik maakte koppelingen met weegsystemen en dotcode-camera’s, logistieke bevoorrading en handhelds. In 1996 ben ik overgestapt naar de ROB Groep, later de Onderwijs Service Groep in Arnhem, oplossingen maken voor salarisbetalingen, boekhouding voor het primair en voortgezet onderwijs. Alles bij elkaar heb ik er 18 jaar gewerkt, en toen naar de Mosa Groep in Cuyk, die deden ongeveer hetzelfde, shared services, vanuit een coöperatie. Ik ben er nu anderhalf jaar weg. Eigenlijk heb ik altijd oplossingen bedacht die mijn werk overbodig maakten. Daar komt altijd mooier werk voor terug.”

Joan van Gorkum kocht zijn eerste huis toen hij 24 was, trouwde een jaar later en begon een jaar daarna in 1994 zijn eigen bedrijfje in de automatisering: Automatiseringsdiensten Olland. “In 1996 heb ik weer bouwgrond gekocht en een nieuw huis gebouwd. Kim werd in het eerste huis geboren, Luc bij mijn schoonouders, om 4 uur geboren, om 6 uur zat de specie in de kuipen. Daarna Bo en Sem, steeds 18 maanden ertussen. We wilde in het buitengebied iets kopen maar dat was veel te duur. Op de avond dat ik Anja leerde kennen, heb ik verteld dat ik een boerderij wilde en acht kinderen. De boerderij is er, het is bij vier prachtige kinderen gebleven.”

“De koop van de boerderij waar we nu zitten, ging niet zonder slag of stoot. Het was een ruïne, uit een echtscheidingszaak die al 34 jaar bezig was. De eigenaar verhuurde het pand aan een gepensioneerde leeuwentemmer van circus Boltini. Die kreeg een tia en belandde bij Anja in het verzorgingstehuis. Ik heb toen contact gezocht met de eigenaar in Berg en Terblijt, hier 100 kilometer vandaan. Ik heb hem geholpen met de verzorging van zijn Haflingers. Maar het voer raakte op en de paarden kwamen er telkens uit. Al vrij snel liepen mijn paarden daar. Toen de echtscheiding definitief was, stond de ‘boer’ meteen bij ons op de stoep om het nieuws te vertellen, of ik interesse had. Ik naar Berg en Terblijt, met niemand overlegd, amper met Anja. We hadden op dat moment twee huizen, dus ik kon financieel niks. Toch heb ik de boerderij gekocht, inclusief alle rotzooi en inboedel, namen erop, bedrag erop en twee handtekeningen. Aan de vraagprijs kon ik niets doen, wel aan de datum van de overdracht. Ik kocht tijd en het lukte om die twee huizen te verkopen zodat we ook konden bouwen.”

“Ik kocht af en toe een veulen, fokte die op en verkocht ze weer. Van thuis kreeg ik de kans om een merrieveulen uit de Makelaar-merrie te kopen, 5000 gulden moest ik betalen, zo ging dat. Rond de eeuwwisseling werden twee Namelus-en geboren uit Olga, Goodwill x Makelaar: “Uit de Molga-stam, van de twee Olympiadepaarden Linky en The Shinto. De Namelus uit 2001 heeft Grand Prix gelopen, zadelmak gemaakt door André van Hooft, eerst met Pim Mulder landelijk, later verkocht aan Gemma Paternoster in Engeland, die ging met haar paarden naar Florida, daar werd ie verkocht aan de Columbiaan Juan Pablo Gnecco, die hem afwisselend reed met Darragh Kenny.” Olga bracht vijf internationale paarden op het hoogste niveau, van verschillende hengsten. Dat is toch een prachtig fokkerijsucces? “Ach, wat is succes. In die tijd verkocht ik ook de paarden van mijn vader, die waren vaak gedekt bij Roelofs, hoog in het bloed, in het begin waren het van die geitjes, maar wel paarden die het later wel gingen doen.”

De namen van de merries van Joan van Gorkum eindigen op ‘olga’ de hengstveulens krijgen een computer-naam. “Tien jaar geleden ben ik begonnen om iets achter de naam te zetten, ze heten nou allemaal ‘….van www.olland.biz’, elke omroeper noemt dat op hè. Verschillende paarden hebben het goed gedaan. Inmiddels is het allang geen hobby meer, er lopen ongeveer 40 paarden. We verkopen nooit veulens, we doen de eerste selectie pas als ze drie jaar zijn. Ik geef er ook helemaal niks om wat juryleden of andere mensen vinden, ik doe mijn eigen ding. Ik moet toch ook zelf de rekeningen betalen. Het KWPN en NRPS hebben meerdere hengsten van mij gehad en die ze hebben laten staan. ERP van www.olland.biz, een Amadeus uit T’Olga van Olga, opgeleid door Thom van Dijck en Marwin van de Nieuwenhuizen, liep in Aken met Samuel Hutton, daarna met Bert Jan van de Pol ook proeven als de Derby van Eindhoven, laatst nog tweede in de Grote Prijs van Devon. De jonge Allegro’s komen eraan. Het zijn paarden met de wil om te presteren.”

ERP van www olland_biz met Samuel Hutton in Aken.

“Ach, misschien doe ik het op mijn eigen manier. Zo heb ik ook Allegro gebruikt. Die zag ik samen met Suzan van Gastel in Hengelo op de hengstencompetitie, ik bleef kippenvel houden, kom ik aan de bar Mario Everse tegen, heb direct sperma besteld. Toen het zover was, was de hengst verkocht aan Hank Melse die geen hengstenboer is. Via Wendy Scholten heb ik dat toch nog kunnen regelen. Past bij mijn merries die heel veel bloed hebben, merries die willen werken. Het interieur staat bij mij voorop, het exterieur mag dat niet in de weg staan. Zolang de wetenschappers geen markers gevonden hebben om het interieur vast te stellen, doe ik niks met genoomwaarden of indexen. Je moet naar het paard zelf kijken. Ik kan geen paard verkocht krijgen met een genoom-cijfer. Het hele index-gebeuren heeft voor mij totaal geen toegevoegde waarde, dan loop je er achteraan. Je ziet ook steeds meer een splitsing in fokkers: gericht op de korte en op de lange termijn. Embryo’s spoelen, icsi, dat soort technieken: misschien makkelijker om wat geld mee te verdienen. Maar het is kopiëren, niet vooruitgaan.”

Suzan van Gastel, sinds 2002 de amazone die Joan’s paarden rijdt, hier met AO’s Chuck (Triomphe de Muze x Burggraaf)

“Voor mij is het belangrijk dat de paarden heel blijven. Bij ons lopen ze dag en nacht buiten, ze worden buiten geboren. Daarom beginnen we ook niet voor 1 juni met dekken. De eerste drie jaar in de koppel in de wei. Tja, ik heb maar zeven stallen. Ik zorg er wel voor dat ze droog kunnen liggen. Dat kan omdat we zandgrond hebben en in de winter zorg ik voor veel geel zand. In de zomer is een schaduwplek of schuilstal veel belangrijker. In elk geval hebben we supergezonde paarden en lage dierenartskosten. Zo dicht mogelijk bij de natuur blijven, dat is het beste. We beginnen ook best laat met de paarden. Na het zadelmak maken gaan ze gerust een jaar of anderhalf de wei op. Wel af en toe een beetje werken, met een vierjarige maximaal drie keer in de week. Ze moeten blij blijven, blij dat ze aan het werk mogen. En dan verschillende ruiters in verschillende leeftijdsfases, ik wil geen topruiter op een jong paard.”

“Of ik eigenwijs ben? Jawel, maar wel voor rede vatbaar. De discussie op argumenten voeren das mooi, het ging er vroeger thuis wel eens op, buitenstaanders dachten dan dat het ruzie was maar dat was nooit. Je moet je wel lerend opstellen, vind ik. In elk geval goed blijven kijken naar het interieur, bij paarden en bij mensen. Die moeten ook puur en eerlijk zijn, anders wil ik er eigenlijk niks mee te maken hebben. Je ziet dat best wel: veel buitenkant, weinig binnenkant. Dan vloeit bij mij de energie een beetje weg. En als mensen de focus primair op geld hebben, dan heb ik het gezien. Geld volgt altijd in een tweede fase, als de kwaliteit er is, of het nu paarden, software of overnachtingen zijn, wat je met passie doet, kost geen energie.”

Anouk Holleman: mensen blij maken is leuker dan geld verdienen

Anouk Holleman: mensen blij maken is leuker dan geld verdienen

Kennis en advies bij mensen brengen, laagdrempelig en betaalbaar, dat is de missie van Anouk Holleman. Ze is nog parttime manager bij een welzijnsorganisatie maar steeds nadrukkelijker paardentaxateur en aankoopbegeleider. Hoe je gedreven door passie je leven kunt veranderen.

“Ik ben een enorme paardenliefhebber, al mijn hele leven. En ik voelde al jaren de behoefte om daar iets professioneels mee te doen, iets zakelijks. Een paar jaar geleden kwam ik in contact met de Vereniging Eigen Paard en toen kwamen dingen samen: ik vind het heel leuk om mensen blij te kunnen maken, dat is leuker dan geld verdienen.”

Zo omschrijft Anouk Holleman uit het Noord-Hollandse Uitgeest haar passie voor paarden en mensen verbinden. Als het aan haar ouders had gelegen, was het niet zover gekomen: “Ik zat op tennis en atletiek, zij tennisten ook. Maar dat vond ik toen begin jaren ‘80 niet zo heel fantastisch. Kennissen van mijn ouders hadden pony’s, dat was veel leuker. Ik ben al snel op zoek gegaan naar een verzorgpaard. En later ben ik bij een handelsstal gaan rijden. Meerdere eigen paarden gehad, op een aantal stallen gestaan, ik heb het allemaal als een spons opgenomen. Ik ben altijd nieuwsgierig gebleven, gelukkig niet zurig geworden van dat wat je ziet.”

“Want op die stallen zie je veel. Dat mensen naar een paard vragen, 2700 moest ie kosten. Ze waren geïnteresseerd, kregen hem een maand op proef. Maar ja, wat gebeurt er, die mensen worden er natuurlijk verliefd op. En toen moest ie ineens 4700 kosten. 2700? Nee, dat heb je verkeerd verstaan. Of een pony voor een meisje met vijf jaar manegeles. Kan dat? Ja hoor, met gemak, hij is heel braaf. Maar het beestje schoot direct in de vluchtstand, en het meisje viel ervan af. Dat soort verhalen, van handelaren die natuurlijk hun brood moeten verdienen maar die de verkoop bovenaan zetten, veel hoger dan de juiste match. Natuurlijk hoort er ook bij de kopers een onderzoeksplicht, dat doe je ook als je een huis koopt, of een auto. Je haalt er bij voorbeeld een onafhankelijke partij bij.”

Anouk reed wel een paar dressuurwedstrijden: “Maar ik ben daar niet zo heel getalenteerd in. Ik heb wel heel veel plezier gehad en héél veel meters gemaakt. In de duinen, in de dressuurring, in de longeerbaan, noem maar op. En toen ben ik er een tijd tussenuit geweest. Mijn partner toen had niet zoveel met paarden.  Ik heb het paard verkocht. Toen mijn jongste kind naar school ging, ben ik toch weer gaan rijden, bij Dick Groen in Uitgeest, een hobbyfokker van Friese paarden. Vooral jonge beesten en fokmerries, ik heb ervan genoten en toen realiseerde ik me: hier wil ik heel graag iets mee doen. Ik was manager welzijn bij een welzijnsorganisatie in Heemskerk. Op een training ging het over loopbaanbegeleiding, en toen ging het natuurlijk ook over jezelf. Ik kwam daar een beetje sip van terug. Al die collega’s wisten precies hoe hun toekomst eruit zou zien, daarvan was ik best wel onder de indruk. Maar ik wist het niet zo goed, ik had bedrijfskunde gedaan aan de hogeschool, dan kun je van alles worden. Toen ik dat de volgende dag tegen collega’s zei, wisten zij het wel: als jij het over de paarden hebt, dan gaan je ogen helemaal stralen, zeiden ze. Daar moet je wat mee gaan doen!”

“Werk in de paarden, tja, dat had ik nooit gemogen van mijn ouders. Ze wilden dat ik advocaat zou worden, dat heb ik dus niet gedaan. Achteraf was dat nog niet zo’n slechte keuze geweest, haha. Ik ben toen op zoek gegaan naar cursussen. Ik wilde niet de hele opleiding hippische bedrijfskunde gaan doen en zo ben ik bij het Nederlands Hippisch Instituut terecht gekomen. Daar ben ik de cursus makelaar/taxateur gaan doen, meer met het idee om me erin te verdiepen. Maar lopende de cursus dacht ik: ik word taxateur! Exterieurleer, bewegingsleer, taxatieleer, ik vond het zeer interessant. Ik vind het leuk om te leren en belangrijk om m’n kennis op peil te houden. Op keuringen, wedstrijden, clinics, workshops ben ik vaak te vinden. Ik werk graag in een netwerk om kennis te delen en te sparren met mensen met dezelfde passie.”

“Ik ben een aantal jaar actief geweest als stal- en wedstrijdgroom bij vriendin Bianca Volkers  in Assendelft, met KWPN-ers en Friezen: Met haar kwam ik veel op wedstrijden, dat vond ik  toch wel weer leuk. Serieus trainen, weten waar je mee bezig bent. Op de wedstrijden kom je dat meer tegen dan bij de boer op het erf, al is bij Groen wel de liefde voor Friezen ontstaan. Na de cursus bij het Nederlands Hippisch Instituut ben ik o.a. de cursus Beoordelen 1 en 2 gaan doen bij het Friese stamboek. In deel 1 ga je dieper in op het fokdoel, op de beweging en het exterieur, in deel 2 gaat het wat verder en leer je meer te beoordelen en te kijken als jurylid. Dat zat ook in de NHI-training, maar dan meer vanuit het KWPN-paard. Ik kijk graag naar paarden, vreselijk interessant.”

“En toen ben ik aan het taxeren geslagen. Ik dacht: ik moet meters maken, ik moet oefenen, daarom ben ik paarden gaan beoordelen van vrienden en kennissen, en dat heb ik weer getoetst bij mensen van de opleiding en in het netwerk. Ik heb contact gehouden met Jan de Feijter, de ervaren taxateur uit Zeeland die overigens net door het KWPN gedecoreerd is.  Intussen was ik terecht gekomen bij de Vereniging Eigen Paard om aankoopbegeleiding te kunnen doen, vanaf het begin in een goede samenwerking met directeur Ilse Jespers. Die combinatie levert een mooie afwisseling op. Bij taxaties werk ik alleen, vaak in een gespannen sfeer omdat er meestal wel een gedoetje is als er getaxeerd moet worden. Bij mensen die een paard of pony willen kopen, is er juist een beetje een blij vakantiegevoel, een en al emotie.”

Bij de Vereniging Eigen Paard ben ik binnengekomen om mensen advies te kunnen geven, vooral mensen die op het punt staan een paard te kopen. Dat doe ik samen met Frenk Jespers. De aanvragen die we krijgen lopen erg uiteen: van mensen die graag een Shetland-kampioen willen gaan fokken tot een extra wedstrijdpaard voor de subtop. Vaak komen mensen bij je met een aantal eisen: het paard moet geschikt zijn voor de recreatie maar moet ook wat kunnen springen, liefst een KWPN’er, en dan goed gefokt, dat soort omschrijvingen. Dan ga je op zoek en vind je een misschien passend paard. Dan blijkt dat die mensen geen idee hebben hoe een stamboekpapier er uitziet, dan blijken mensen toch niet zo bekend met de materie. Sommigen hebben geen idee waar ze het over hebben.  Ik help ze dan ook vaak met allerlei andere vragen, bijvoorbeeld over verschillende soorten bodembedekking, of voer: soms wordt het veel meer dan alleen aankoopbegeleiding.”

“Soms gaat het ook over advies aan mensen die een extra subtoppaard willen kopen. In die wereld wordt al snel bekend als mensen iets te besteden hebben. Ze krijgen van alles aangeboden en vragen dan bij de Vereniging Eigen Paard  om een onafhankelijk en duidelijk advies. Ze willen dan best geld uitgeven, maar het moet goed zijn en dat willen ze dan even checken. Als kopers naar een paard gaan kijken, adviseer ik altijd: ga er nooit als eerste op, laat hem eerst voorrijden. We hebben al vaak meegemaakt dat de mensen er van af zijn gevallen. Een smoes als een blessure waardoor de verkoopster er echt niet op kan, of de ruiter is er toevallig niet: er zijn mensen die altijd geloven in dat soort verhalen. Helaas blijkt dan niet alles waar. Vaak zijn het ouders die het beste willen voor hun kind, die op zoek zijn naar een pony, en die met open mond staan te luisteren als je aan het vertellen bent omdat ze zelf geen idee hebben waar het over gaat en waar je op moet letten. Bij particulieren probeer ik vakjargon te vermijden, voorbeelden te gebruiken die de mensen snappen, met veel vergelijkingen, dingen uit het dagelijks leven, zodat het voor iedereen te begrijpen is. Zo kan ik mijn vaardigheden in de omgang met mensen en empathie combineren met de kennis van paarden. Er zijn best veel mensen met wie we nog steeds contact hebben, mensen die de vooruitgang delen via e-mail. Met paarden van € 5000,- maar ook in het hogere segment. Dat is heel leuk, daar doe ik het voor. Ik deel graag, ik verbind graag.”

En wat zeggen handelaren van de activiteiten van Anouk Holleman? “Een aantal vindt het heel prettig dat mensen iemand zoals ik meenemen. Omdat wij heel veel vragen opvangen die anders aan de handelaren gesteld zouden worden. Wat is het verschil tussen een lage en hoge neusriem? Waarom heeft ie voor wel ijzers en achter niet? En natuurlijk zijn er ook die niet blij zijn: oh jee, die mensen hebben er verstand van, dan ga ik deze niet verkopen. Je voelt ze dat denken. ‘Handelaren’ klinkt wel een beetje onaardig vind ik, bij ‘handelaren’ voel ik niet altijd iets positiefs, dan doe je een deel van het segment echt tekort. Trainings- en handelsstallen is toch vriendelijker. Als mensen oneerlijk blijken, zal ik nooit iemand nog doorverwijzen naar die persoon. We zijn objectief, we vangen als Vereniging Eigen Paard niks van de stal en geen percentage van de mensen, er staat een vast tarief voor.”

Anouk Holleman verzorgt samen met dressuurexpert Frenk Jespers de aankoopbegeleiding en ‘Horse Dating’.

“Ik vraag een verkoper van tevoren om het hele verhaal te vertellen en als dat niet klopt, dan staat het adres niet meer op het lijstje om terug te gaan. Begrijp me goed, paarden hoeven niet altijd tiptop te zijn, ook paarden en pony’s met een bemerking of een gebrek kunnen nog goed functioneren voor een aantal gebruiksdoelen. Als alles maar eerlijk verteld wordt. Met mijn knieën speel ik ook geen wedstrijd in de zaal meer, maar verder functioneer ik uitstekend in het dagelijks leven. Ik hou van eerlijkheid en openheid. Ik verdien liever 100 euro op een eerlijke manier dan 250 euro op een schimmige manier waardoor ik steeds achterom moet kijken. Misschien ben ik wel een beetje een moraalridder, maar ik maak er heel veel mensen blij mee. Als anderen het goed hebben, dan voel ik me voldaan.”

Kees van den Oetelaar: een goede hengst komt bijna altijd uit een goede moeder

Kees van den Oetelaar: een goede hengst komt bijna altijd uit een goede moeder

“Ik denk dat je met een goede merrie verder komt dan met een goede hengst,” zegt Kees van den Oetelaar in dit zesde verhaal over zijn belevenissen. Het is toch apart om zoiets van een hengstenhouder te horen, maar hij kan het gemakkelijk uitleggen. Kees stelt zich kwetsbaar op, vertelt over belevenissen in de handel en over de invloed van zijn moeder, over wie het zelden gaat omdat ze niet zo op de voorgrond trad.

“Het gaat bijna altijd over mijn vader, zo was dat,” trapt Kees af. “Mijn moeder stond altijd een beetje op de achtergrond, maar ze was wel bepalend in veel dingen. Om maar iets te noemen: ik denk dat zij de vluggigheid in de familie heeft gebracht, de aandacht voor de handel. Zo gaat het bij paarden ook vaak over hengsten en te weinig over de merrie. Terwijl de invloed van de merrie toch de fokkerij bepaalt. Dan zeggen ze 50%, maar ik denk het toch niet. Ik denk dat je met een goede merrie verder komt dan met een goede hengst. Een merrie kan in de fokkerij uiteindelijk veel meer klaarmaken dan een hengst. Die hengst die goed fokt, komt bijna altijd toch uit een goede moeder….”

Cor Bongers, de moeder van Kees van den Oetelaar, samen met haar broers

“Wat ze vroeger in het Noorden goed hebben gedaan, is merries kopen om de fokkerij te verbeteren. Vanuit de fokvereniging het Groninger paard, daardoor staat Nederland nou op de kaart. Holsteinse merries waren het, die gekruist werden met Groninger hengsten. Morgenster was een van de beste, de moeder later van Sinaeda en Senator in de jaren ’60. In Holstein zijn ze natuurlijk al 100 jaar met springen bezig maar ze hadden er daar ook beter aan gedaan om elk jaar 10 merries uit andere fokgebieden in te zetten in plaats van 10 hengsten, dat zou ze goed gedaan hebben.”

“In bijna alle fokgebieden hebben invloedrijke merries veel bepaald. Neem Opaline des Pins, de Garitchou X x Almé, de moeder van Jus de Pomme. Zij bracht zes paarden op 1m60-niveau, waarvan er drie de Olympiade liepen, met een gouden medaille voor Jus de Pomme. Of Fragance de Chalus, die via embryo-transplantatie 45 kinderen kreeg waarvan er zes 1m60 lopen en nog eens twaalf tenminste 1m40. Of neem de oermoeder van Carthago uit stam 162, daar kwam 6% van de paarden uit tijdens een Olympiade. Of Retina H, de Anglo-Arab van Fritz Thiedemann, stam 104a. Of het lijntje van Fein Cera, met een moeder en een overgrootmoeder die 1m60 liepen. In de jaren ‘60 al met Harm Thormaehlen, de fokker van Fein Cera. In Nederland hebben we namen als Carla, Balia of Flyer, merries die in hun tijd zeer goede fokmerries waren.”

De familie Bongers, poserend voor hun huis in Loosbroek. Tweede van links Cor, de moeder van Kees

“Die manier van denken zie je nauwelijks meer, vanwege de commercie wordt de merrie vaak vergeten. Merries waar de goede sportpaarden uitkomen, zijn vaak ook nog eens gezond. Ik weet wel: daar doe ik zelf ook wel aan mee als hengstenhouder. Maar eigenlijk vind ik dat de sport met de commercie te veel de overhand heeft gekregen. We moeten wel fokken voor de sport, maar fokkerijbeleid moet er blijven. In de dressuur is het nog erger dan in het springen. Daar zie je mode-hengsten waar het publiek helemaal gek van wordt gemaakt, en de kinderen zien we nauwelijks. Nou zie je in de fokkerij dat het met de embryo-verkoop ook door kan schieten: er hoeft maar een naam op te staan van een beroemde merrie of de prijzen schieten de lucht in. Een Cornet Obolensky uit een merrie waar vier generaties terug zo’n beroemde merrie in zit: dan wordt zo’n embryo verkocht voor weet ik hoeveel. Je kunt het ook overdrijven.”

“Beginnen in je fokkerij met een hengst waar geen goede merriestam achter zit is hetzelfde als je een huis bouwt, en je begint met het dak. Een paardenmens die kinderen heeft met hart voor paarden, kan zijn kinderen veel beter een goede fokmerrie geven dan een huis. Als ze tenminste gevoel voor fokkerij hebben. Daarmee bouw je iets op, daar kun je geld mee verdienen.”

De trouwfoto van Dorus van den Oetelaar en Cor Bongers, de ouders van Kees

“Bij ons thuis hebben we het grootste gedeelte wat we zakelijk gedaan hebben, aan ons moeder te danken. Het geld verdienen, het groeien in het bedrijf, ons moeder wilde altijd groeien. Ons vader was een paardengek, als hij een paard had waar hij gek van was, dan was ie niet te koop. Bij ons moeder wel. Er moest iets opgebouwd worden. Zij nam ’s avonds ook altijd de kassa mee naar binnen. Zij was iemand die het werk van mijn vader mogelijk maakte. Die nooit vroeg waar hij geweest was, waar het gesprek over ging, noem maar op. Het eten stond altijd klaar. Ik ken genoeg vrouwen die op die manier achter hun man bleven staan, ook als de handel en wandel soms onvoorspelbaar was. Bij veel grote handelaren en paardenmensen zag je dat.”

“Mijn moeder, ze woonde in Loosbroek, dochter van paardenhandelaar Bongers, dat was toen een grote paardenhandelaar, in die tijd een van de grootste in de streek. Zelf heeft ze nooit gereden. In de oorlog lag de boerderij bij hun thuis vol met Engelse soldaten. In de oorlog liep ze als jonge vrouw met koeien naar de markt in Uden omdat ze valse paspoorten moest afstempelen, dat was dan niet verdacht. Maar ze ging ook met de stier rond om onderweg koeien te dekken, die was nergens bang van. Sterker: ze pakte ook vlot een rat met haar hand vast, kneep ze zo kapot. Een grote, stoere vrouw. Mijn vader leerde haar kennen omdat hij in Loosboek naar paarden ging kijken.”

Cor van den Oetelaar linksvoor, met vrienden poserend in de duinen

“Ze is mee naar Schijndel verhuisd vooraan jaren ’50. In het begin heeft ze het heel moeilijk gehad. Het was 20 kilometer van huis, dat was ver in die tijd. En ze kwam uit een familie waar ze nooit iets tekortkwamen, voor die tijd waren die mensen niet zo weinig. Bij mijn vader thuis waren ze zo arm als de ratten. Daar kwam bij dat een Van den Oetelaar geen gemakkelijke mens is. Ze rookte als een ketter, dat had ze in de oorlog van die soldaten geleerd. Van de andere kant: ze was de gewoonste mens die er was, een abnormaal lieve vrouw waar iedereen alles van kreeg, behalve als ze je niet mocht. Altijd, eten, slapen, maakte niet, ook niet of je van het kamp kwam of dat je miljonair was. Ik ging altijd mee melken met haar. We waren geen heerboer, geen mensen die de strik aan de kop belangrijker vonden dan de melk in de emmer.”

“Als ze iets dacht, dan zei ze dat ook. Daar heb ik me wel eens voor geschaamd in het begin. Kwam ik met iemand binnen, zei ze: je krijgt hier een bak koffie, en dan nooit meer. Ze draaide nooit ergens om heen. Zo’n 40 jaar geleden zijn we begonnen met Paaspop, die artiesten kwamen dan bij mijn moeder binnen. Toen zou Herman Brood komen, die had ze ergens gezien, die mocht niet binnenkomen zei ze van tevoren. Maar toen Paaspop aan de gang was, kwamen wij binnen, zat ze samen met Herman Brood aardappelen te schillen en tekeningen te maken. Het is toch eigenlijk best een goede mens, die Herman Brood, zei ze. Jaren daarna is hij nog bij ons thuis gekomen als het Paaspop was.”

“Ik kocht een keer een tweejarige hengst van Game Park xx, gaf ik veel geld voor als jong menneke. Ik liet ‘m thuis los in de bak, met rondom een omheining die kon je met een olifant nog niet omvertrekken. Hij raakt eronder, breekt zijn nek, ik de hele dag van slag, niet geslapen, zo wit als een doek. Zei mijn moeder: wat bende toch aan het treuren jongen….wie lang naar de lucht kijkt, zal nooit oogsten. Dat vergeet ik nooit meer. Of als ik verkering had, zei ze: je hebt een leuk meisje. En als het dan uit was zei ze: heb je goed gedaan, paste toch niet bij jou. Mijn vader zei altijd dat ik het niet goed deed, mijn moeder stimuleerde altijd. Wij mochten thuis veel. Wat we niet mochten, dat bestond niet, behalve weghalen of liegen. Maar laat thuiskomen of noem het maar op: altijd proberen zei ze, je weet maar nooit. Dat hebben we allemaal meegekregen.”

Dochter Carolien, Cor en Dorus van den Oetelaar bij de bruiloft van Wim

“Tja, als je moeder doodgaat, is dat heel apart. Ze was lang ziek, gedokterd met borstkanker. Twee jaar lang ben ik daar nog naartoe gelopen om koffie te pakken, zo zat dat erin. Maar ze was er niet meer. Mijn moeder hield alles in de gaten, ze wist alles. Van haar heb ik geleerd: niet bang zijn om iets te kopen. Wat ik vergéten ben te leren: meteen iets te zeggen tegen een mens wat je denkt. In de handel heb ik dat wel. Maar ik denk ooit dat ik beter stil kan houden als te veel te zeggen. Om de relatie goed te houden, maar eigenlijk moet dat niet. Boem, zeggen, dan ben je eraf. Ik heb ook het liefste dat ze tegen mij rechtstreeks iets zeggen, direct. Daar sta ik open voor, daar kijk ik niemand kwaad op aan. Niet in het openbaar, wel onder elkaar. Maar ik vind dat moeilijk, daar blijf ik mee aan het malen. Mijn vader was ook een beetje een binnenvetter tot een bepaalde hoogte, mijn moeder niet.”

“Voorbeelden kan ik genoeg geven. Van die krijg je nog wat en die vraagt intussen wel of je wat anders snel af wilt rekenen. Een paard dat je half met iemand had, wordt doorverkocht zonder overleg en dan weet later niemand iets.  Ik heb ook wel fouten gemaakt natuurlijk. Paarden verkocht aan ruiters die niet bij ze pasten, ook aan ruiters die heel dicht bij me stonden. Terwijl ik dat wel kon inschatten. Daar heb ik van geleerd, probeer ik nooit meer te doen. Dat blijft me achtervolgen. Kom je op concours, dat je denkt: ik had ‘m niet moeten verkopen aan hem. Dat is de grootste fout die een handelaar kan maken. Als je van tevoren al denkt dat het niet past, moet je dat afraden. Dan gaat het vaak over de mensen die feitelijk de sport betalen, die alle mogelijkheden krijgen. Vaak zijn het geen echte topruiters. Ik zou met mijn paardenkennis makkelijk misbruik van ze kunnen maken, profiteren van de mensen die vertrouwen in je hebben.”

Bij de huldiging van Verdi tot Paard van het Jaar, samen met zoon Willem, Eric en Maikel van der Vleuten

“Paardenkennis, ook dat is betrekkelijk. Als ik zie hoe veel verder echte paardenmensen komen met een gewoon paard dan de mensen met veel geld die denken dat ze paardenmensen zijn met een goed paard….Heel veel goede ruiters, topruiters, die dus weinig verstand van een paard hebben, komen verder met een paard dan ruiters die veel verstand van een paard hebben. Ruiters die verstand van een paard hebben, zien de fouten in een paard. Die andere groep denkt dat ze de beste hebben en rijden ook in die overtuiging. Types zoals Bost of Gaudiano, topruiters die met heel veel verschillende paarden geweldig kunnen rijden. Het is zo belangrijk dat de ruiter denkt dat hij op het beste paard van de wereld zit, dat geeft het paard een fijn gevoel. En je hebt dus ook ruiters die vooral de fouten van een paard zien.”

“Ach, ons moeder. Ze wilde wel graag dat ik handel deed, maar ze bemoeide zich niet in detail, ook niet als het fout ging. Ze zei wel altijd: als je niks hebt, kun je ook niks verkopen, zorg dat je iets hebt. Ze heeft een keer een spel gespeeld met mijn vader. We kregen elke week een hoop paarden thuis van de markt en dan kwam elke week een man die alle paarden wilde zien, maar hij kocht nooit iets. Altijd hetzelfde, en dat werden ze bij thuis toch zat. Liep die man weer met mijn vader langs de stallen, zei die: wat vraag je die? En wat vraag je die? En wat vraag je die? Bij het vierde paard zei hij weer: wat vraag je deze? Toen zei mijn vader: die mag ik niet wegdoen van mijn vrouw. Die wou hij dus hebben. Maar mijn vader zei: ik krijg de grootste ruzie met mijn vrouw! Toen zei die man: ik wil er 5000 gulden voor geven. Mijn vader zei: ik doe het niet. Toen vroeg ie: mag ik ‘m dan ff eruit zien? Dat gedaan, het paard naar buiten en toen kwam mijn moeder naar buiten: ik dacht dat je dat paard niet verkocht!! Toen zei mijn vader tegen die man: wat wilde je geven? 5000 gulden. Dan is ie nou verkocht.”

Stan Hoeffgen: dressuur snappen mijn vrienden niet, dit wel

Stan Hoeffgen: dressuur snappen mijn vrienden niet, dit wel

Stan Hoeffgen uit Bergen op Zoom is nog maar 21 maar toch al Europees kampioen. In de discipline Working Equitation was hij op het kampioenschap in Italië als young rider in het onderdeel runderwerk de beste met zijn paard Perlita. Terwijl hij pas een jaar of drie fanatiek rijdt omdat hij andere disciplines saai vond: “Hier ben je op een heel andere manier met je paard bezig, meer als een echte sport.”

“Working Equitation is echt iets heel anders dan simpelweg de figuurtjes rijden of steeds een hindernisje springen!” Zo begint Stan Hoeffgen zijn verhaal. De knuppel in het hoenderhoek, zeg maar. En ook zijn vrienden in dezelfde leeftijdscategorie vinden het meer een ‘sport’. Een sport ook die ze snappen. “Het instap-niveau is niet zo hoog, maar in de hoogste klassen moet je echt je best doen. Als je op topniveau wilt rijden, moet je er serieus veel energie in steken.”

Stan woont op het manegebedrijf van zijn ouders, Manege De Paardenhoeve in Bergen op Zoom: “Ach, ik heb altijd wel iets gereden. In het begin op een Shetlander en zo, en langzamerhand ben ik ook wel in de groepslessen mee gaan rijden, af en toe, omdat ik het wel gezellig vond. Maar ik had weinig ambitie in de paardensport, ik vond het steeds hetzelfde, weinig variatie. Ik was liever bezig met zeilen, met roeien, met tennis of de laatste jaren veel met fitness.”

“Mijn vader Mark Hoeffgen was voor de manege op zoek naar manieren om de lessen een leukere invulling te geven, om weer iets nieuws te doen. We hadden eerst ook western gedaan maar dat werd langzamerhand toch steeds minder. Via via kwam hij terecht bij working equitation en hij is zich gaan oriënteren op internet. Zo kwamen we bij Ton Duivenvoorden en Aletta Stamhuis terecht in Coevorden, zij hadden de nodige ervaring en ze hebben ons veel kunnen vertellen. We zijn gewoon daar gaan kijken of het wat was voor in de lessen.”

Stan Hoeffgen als 6-jarig manneke bij een demonstratie tijdens Concours Hippique Kijk in de Pot in Bergen op Zoom

“Ik vond het al snel iets anders dan simpelweg figuurtjes rijden of steeds een hindernisje springen. Dat working equitation sprak me aan, je bent bezig, je moet meer erbij nadenken ook. Je bent op een heel andere manier met je paard bezig, meer echt een sport vind ik. Dressuur vind ik niet echt een sport. Ik heb zelf nooit wedstrijden gereden, ook niet op de manege thuis, alleen af en toe een bosritje. Ik vond het gewoon niet leuk. Het is pas sinds drie jaar dat ik fanatiek paardrij. En mijn vrienden zien ook dat ik echt ergens mee bezig ben. Dressuur snappen ze niet, dit wel.”

Een Working Equitation wedstrijd bestaat uit vier onderdelen: een dressuurproef, een obstakelparcours gereden op stijl (de stijltrail), hetzelfde parcours maar dan gereden op tijd (speedtrail) en het vee-drijven. Beginnende combinaties starten met de dressuurproef en trail. De speedtrail en het runderwerk volgen naarmate de africhting van het paard vordert.

Stan Hoeffgen legt het in zijn eigen woorden uit: “In het dressuuronderdeel wordt er gekeken hoe je je paard onder controle hebt, of je weet wat je aan het doen bent. In de Stijl trail heb je bruggetjes als hindernissen, een barrel race, zijwaarts over een balk, een soort van ringsteken, een klein sprongetje, een enkele keer een waterbak: eigenlijk zijn het allemaal hindernissen waar je als boer op je land mee te maken krijgt. En dan de speed trail, zo snel mogelijk, dan wordt er niet meer gekeken of je goed changeert of zo, je krijgt wel strafpunten als je een hindernis eraf gooit. In alle gevallen moet het eerlijk blijven tegenover je paard. En dan het aparte: cattle sorting, het runderwerk, dan moeten we koeien drijven. Er staan er aan de ene kant van de bak een stuk of 10, allemaal met een nummertje, de jury noemt een nummer op en die koe moet je dan alleen over een lijn krijgen zonder de koe fysiek aan te raken. Op een heel diervriendelijke manier. Maar staan er vier of meer koeien over die lijn, dan ben je weg.”

“Dat ben ik toen langzaamaan gaan oefenen. Mijn vader zette in het weekend wat simpele oefeningen op, en ik ben een keer naar een wedstrijdje gegaan. We zijn mee gaan doen, maar we wisten niks van bij voorbeeld nette wedstrijdkleding. We merkten al snel dat er veel meer bij kwam kijken. Dat betekende thuis nog meer oefenen. En kijken of de uitrusting en die van het paard een beetje bij elkaar passen. We merkten ook dat we best snel naar de hogere klassen gingen, vooral omdat we thuis oefenden omdat we er veel plezier aan beleefden. Mijn ouders hebben wel ervaring in de wedstrijdsport, maar dit was toch weer iets heel anders.”

“In Eersel zijn best wel wat wedstrijden waar ook het koeienonderdeel bij zit, dat kan niet overal, daar moet je de gelegenheid voor hebben. Er zijn niet zoveel wedstrijden, er zijn ook niet zoveel mensen die de sport beoefenen. Volgens mij zijn we wel bezig om aan te sluiten bij de KNHS maar het nadeel is dan weer dat we twee bonden hebben, zoals in meer landen, bij de ene bond is dressuur het belangrijkste, bij de andere het runderwerk en is de focus meer traditioneel gericht, dat is de Traditional Working Equitation Nederland, onderdeel van de TREC-club. Ton Duivenvoorden rijdt voornamelijk mee bij de andere organisatie, ook wel bij ons, laatst werd ie een keer eerste bij ons.”

De manege waar het begon voor Stan Hoeffgen: Manege De Paardenhoeve in Bergen op Zoom

“Het is in deze sport niet dat je een specifiek paard moet hebben. Die van mij is daar best geschikt voor, half Arabier, half PRE, wendbaar, makkelijker dan bij een grote KWPN’er, richting de 1m60, zelf uit Spanje gehaald, daar was hij gebruikt voor het boerenwerk, hij was niet bang voor de hindernissen. Bij ons het al snel makkelijker te doen als in de dressuur: daar moet je al een paard hebben dat daarop gefokt is. Je kunt bij ons met alle soorten paarden terecht, maar als je in de hogere klassen meerijdt, moet je wel een paard hebben dat uit zichzelf veel aanbiedt. Langzaamaan ontstaat ook wel wat handel in dat soort paarden, veel Spaanse paarden, daar komt de sport ook wel een beetje vandaan.”

“Ik rijd vier à vijf keer in de week, in het weekend met hindernisjes die in de zomer permanent in de buitenbak staan. Of een keer extra als er een wedstrijdje aankomt. En ja, ook wel een beetje dressuurmatig, met galoppirouettes. Op het niveau waarop wij rijden, moet je dat kunnen. Les krijg ik vooral van mijn vader, af en toe een clinic, en op een wedstrijd leer je ook van elkaar. Het is een sport waarin je elkaar waarschuwt, waarin je elkaar nog kent en, belangrijk, waarin je elkaar ook helpt.”

En toen volgde de selectie voor het Europees Kampioenschap in Italië: “Het werkt bij ons nog zo dat je als lid van de organisatie een mailtje krijgt: wie interesse heeft om zich daarvoor te plaatsen. Gelukkig is er nu een duidelijk reglement, met een minimaal aantal selectiewedstrijden, hoeveel punten je moet halen, hoeveel mensen er mee kunnen. We zijn met het paard in de trailer naar het EK gereden, vanwege mijn werk moest ik nareizen. Daar zaten we in een klein hotelletje, elke dag hapje eten op het terrein, vooral gezellig. Met een leuk team uit Nederland: met Robin Heuseveldt, Ellis Oldenboom en Astrid Bongers, met chef d’équipe Stans Peters en alle hulp er om heen. We hebben heel veel reacties gehad, leuk was dat we tijdens het EK gevolgd werden door de Hoefslag, en na het EK ook reacties van allerlei mensen uit Italië, Frankrijk en dat soort landen: leuk dat Nederland zo goed presteert. Ook van mensen uit de omgeving, heel veel die de livestreams gevolgd hebben. En ook van vrienden van me die eigenlijk niks met paarden hebben. Eigenlijk heel veel mensen die daar best fanatiek over waren.”

Perlite op het EK in Italië

En dan nu de toekomst: “Begin november hebben we het NK in Eersel, daar zijn we nou voor aan het oefenen. We zijn deze week rustig begonnen na de rust na het EK. Normaal doen aan onze wedstrijden zo’n 30 deelnemers mee, van Bixie tot en met Z, over een jaar of drie hoop ik dat het er zoveel zijn dat het veel moeilijker wordt om je te kwalificeren voor een kampioenschap. En voor mezelf…ik ben nu een jaar klaar met school, heb mechatronica gestudeerd, en ik werk bij een bedrijf waar ik opgeleid word voor projectengineer. Qua beroep wil ik niks met paarden van doen hebben, ik wil geen manegehouder worden. Je moet dat echt willen: dag en nacht met paarden werken, er altijd zijn, altijd aan het werk, je woont op het bedrijf zelf. Nee, ik zie Working Equitation of de paarden niet als een manier om mijn verdere leven in te vullen…..wel als echt als een sport!”