Stan Hoeffgen: dressuur snappen mijn vrienden niet, dit wel

Stan Hoeffgen: dressuur snappen mijn vrienden niet, dit wel

Stan Hoeffgen uit Bergen op Zoom is nog maar 21 maar toch al Europees kampioen. In de discipline Working Equitation was hij op het kampioenschap in Italië als young rider in het onderdeel runderwerk de beste met zijn paard Perlita. Terwijl hij pas een jaar of drie fanatiek rijdt omdat hij andere disciplines saai vond: “Hier ben je op een heel andere manier met je paard bezig, meer als een echte sport.”

“Working Equitation is echt iets heel anders dan simpelweg de figuurtjes rijden of steeds een hindernisje springen!” Zo begint Stan Hoeffgen zijn verhaal. De knuppel in het hoenderhoek, zeg maar. En ook zijn vrienden in dezelfde leeftijdscategorie vinden het meer een ‘sport’. Een sport ook die ze snappen. “Het instap-niveau is niet zo hoog, maar in de hoogste klassen moet je echt je best doen. Als je op topniveau wilt rijden, moet je er serieus veel energie in steken.”

Stan woont op het manegebedrijf van zijn ouders, Manege De Paardenhoeve in Bergen op Zoom: “Ach, ik heb altijd wel iets gereden. In het begin op een Shetlander en zo, en langzamerhand ben ik ook wel in de groepslessen mee gaan rijden, af en toe, omdat ik het wel gezellig vond. Maar ik had weinig ambitie in de paardensport, ik vond het steeds hetzelfde, weinig variatie. Ik was liever bezig met zeilen, met roeien, met tennis of de laatste jaren veel met fitness.”

“Mijn vader Mark Hoeffgen was voor de manege op zoek naar manieren om de lessen een leukere invulling te geven, om weer iets nieuws te doen. We hadden eerst ook western gedaan maar dat werd langzamerhand toch steeds minder. Via via kwam hij terecht bij working equitation en hij is zich gaan oriënteren op internet. Zo kwamen we bij Ton Duivenvoorden en Aletta Stamhuis terecht in Coevorden, zij hadden de nodige ervaring en ze hebben ons veel kunnen vertellen. We zijn gewoon daar gaan kijken of het wat was voor in de lessen.”

Stan Hoeffgen als 6-jarig manneke bij een demonstratie tijdens Concours Hippique Kijk in de Pot in Bergen op Zoom

“Ik vond het al snel iets anders dan simpelweg figuurtjes rijden of steeds een hindernisje springen. Dat working equitation sprak me aan, je bent bezig, je moet meer erbij nadenken ook. Je bent op een heel andere manier met je paard bezig, meer echt een sport vind ik. Dressuur vind ik niet echt een sport. Ik heb zelf nooit wedstrijden gereden, ook niet op de manege thuis, alleen af en toe een bosritje. Ik vond het gewoon niet leuk. Het is pas sinds drie jaar dat ik fanatiek paardrij. En mijn vrienden zien ook dat ik echt ergens mee bezig ben. Dressuur snappen ze niet, dit wel.”

Een Working Equitation wedstrijd bestaat uit vier onderdelen: een dressuurproef, een obstakelparcours gereden op stijl (de stijltrail), hetzelfde parcours maar dan gereden op tijd (speedtrail) en het vee-drijven. Beginnende combinaties starten met de dressuurproef en trail. De speedtrail en het runderwerk volgen naarmate de africhting van het paard vordert.

Stan Hoeffgen legt het in zijn eigen woorden uit: “In het dressuuronderdeel wordt er gekeken hoe je je paard onder controle hebt, of je weet wat je aan het doen bent. In de Stijl trail heb je bruggetjes als hindernissen, een barrel race, zijwaarts over een balk, een soort van ringsteken, een klein sprongetje, een enkele keer een waterbak: eigenlijk zijn het allemaal hindernissen waar je als boer op je land mee te maken krijgt. En dan de speed trail, zo snel mogelijk, dan wordt er niet meer gekeken of je goed changeert of zo, je krijgt wel strafpunten als je een hindernis eraf gooit. In alle gevallen moet het eerlijk blijven tegenover je paard. En dan het aparte: cattle sorting, het runderwerk, dan moeten we koeien drijven. Er staan er aan de ene kant van de bak een stuk of 10, allemaal met een nummertje, de jury noemt een nummer op en die koe moet je dan alleen over een lijn krijgen zonder de koe fysiek aan te raken. Op een heel diervriendelijke manier. Maar staan er vier of meer koeien over die lijn, dan ben je weg.”

“Dat ben ik toen langzaamaan gaan oefenen. Mijn vader zette in het weekend wat simpele oefeningen op, en ik ben een keer naar een wedstrijdje gegaan. We zijn mee gaan doen, maar we wisten niks van bij voorbeeld nette wedstrijdkleding. We merkten al snel dat er veel meer bij kwam kijken. Dat betekende thuis nog meer oefenen. En kijken of de uitrusting en die van het paard een beetje bij elkaar passen. We merkten ook dat we best snel naar de hogere klassen gingen, vooral omdat we thuis oefenden omdat we er veel plezier aan beleefden. Mijn ouders hebben wel ervaring in de wedstrijdsport, maar dit was toch weer iets heel anders.”

“In Eersel zijn best wel wat wedstrijden waar ook het koeienonderdeel bij zit, dat kan niet overal, daar moet je de gelegenheid voor hebben. Er zijn niet zoveel wedstrijden, er zijn ook niet zoveel mensen die de sport beoefenen. Volgens mij zijn we wel bezig om aan te sluiten bij de KNHS maar het nadeel is dan weer dat we twee bonden hebben, zoals in meer landen, bij de ene bond is dressuur het belangrijkste, bij de andere het runderwerk en is de focus meer traditioneel gericht, dat is de Traditional Working Equitation Nederland, onderdeel van de TREC-club. Ton Duivenvoorden rijdt voornamelijk mee bij de andere organisatie, ook wel bij ons, laatst werd ie een keer eerste bij ons.”

De manege waar het begon voor Stan Hoeffgen: Manege De Paardenhoeve in Bergen op Zoom

“Het is in deze sport niet dat je een specifiek paard moet hebben. Die van mij is daar best geschikt voor, half Arabier, half PRE, wendbaar, makkelijker dan bij een grote KWPN’er, richting de 1m60, zelf uit Spanje gehaald, daar was hij gebruikt voor het boerenwerk, hij was niet bang voor de hindernissen. Bij ons het al snel makkelijker te doen als in de dressuur: daar moet je al een paard hebben dat daarop gefokt is. Je kunt bij ons met alle soorten paarden terecht, maar als je in de hogere klassen meerijdt, moet je wel een paard hebben dat uit zichzelf veel aanbiedt. Langzaamaan ontstaat ook wel wat handel in dat soort paarden, veel Spaanse paarden, daar komt de sport ook wel een beetje vandaan.”

“Ik rijd vier à vijf keer in de week, in het weekend met hindernisjes die in de zomer permanent in de buitenbak staan. Of een keer extra als er een wedstrijdje aankomt. En ja, ook wel een beetje dressuurmatig, met galoppirouettes. Op het niveau waarop wij rijden, moet je dat kunnen. Les krijg ik vooral van mijn vader, af en toe een clinic, en op een wedstrijd leer je ook van elkaar. Het is een sport waarin je elkaar waarschuwt, waarin je elkaar nog kent en, belangrijk, waarin je elkaar ook helpt.”

En toen volgde de selectie voor het Europees Kampioenschap in Italië: “Het werkt bij ons nog zo dat je als lid van de organisatie een mailtje krijgt: wie interesse heeft om zich daarvoor te plaatsen. Gelukkig is er nu een duidelijk reglement, met een minimaal aantal selectiewedstrijden, hoeveel punten je moet halen, hoeveel mensen er mee kunnen. We zijn met het paard in de trailer naar het EK gereden, vanwege mijn werk moest ik nareizen. Daar zaten we in een klein hotelletje, elke dag hapje eten op het terrein, vooral gezellig. Met een leuk team uit Nederland: met Robin Heuseveldt, Ellis Oldenboom en Astrid Bongers, met chef d’équipe Stans Peters en alle hulp er om heen. We hebben heel veel reacties gehad, leuk was dat we tijdens het EK gevolgd werden door de Hoefslag, en na het EK ook reacties van allerlei mensen uit Italië, Frankrijk en dat soort landen: leuk dat Nederland zo goed presteert. Ook van mensen uit de omgeving, heel veel die de livestreams gevolgd hebben. En ook van vrienden van me die eigenlijk niks met paarden hebben. Eigenlijk heel veel mensen die daar best fanatiek over waren.”

Perlite op het EK in Italië

En dan nu de toekomst: “Begin november hebben we het NK in Eersel, daar zijn we nou voor aan het oefenen. We zijn deze week rustig begonnen na de rust na het EK. Normaal doen aan onze wedstrijden zo’n 30 deelnemers mee, van Bixie tot en met Z, over een jaar of drie hoop ik dat het er zoveel zijn dat het veel moeilijker wordt om je te kwalificeren voor een kampioenschap. En voor mezelf…ik ben nu een jaar klaar met school, heb mechatronica gestudeerd, en ik werk bij een bedrijf waar ik opgeleid word voor projectengineer. Qua beroep wil ik niks met paarden van doen hebben, ik wil geen manegehouder worden. Je moet dat echt willen: dag en nacht met paarden werken, er altijd zijn, altijd aan het werk, je woont op het bedrijf zelf. Nee, ik zie Working Equitation of de paarden niet als een manier om mijn verdere leven in te vullen…..wel als echt als een sport!”

 

 

 

Marc van den Top: “Paardenmensen zijn gevoelig voor mooie praatjes.”

Marc van den Top: “Paardenmensen zijn gevoelig voor mooie praatjes.”

Dierenarts Marc van den Top is gespecialiseerd in voeding. Daar hoort graslandbeheer bij, maar ook kennis over gifplanten. “Jacobskruiskruid? Ach, als je de verhalen moet geloven zouden we nauwelijks nog paarden hebben.” In al zijn gedrevenheid blijft Marc van den Top nuchter en beschouwt hij de paardenwereld: “Paardenmensen zijn gevoelig voor mooie praatjes, leuke verhalen en een mooie verpakking, dat weet de commercie.”

Marc van den Top vertelt honderduit en in een rap tempo over zijn specialisme, de paardenvoeding. Hij promoveerde in Utrecht op rundveevoeding en gaf er daar ook les in maar dat gebied is wat meer naar de achtergrond geraakt: “Ik bemoei me ook wel met andere diersoorten zoals varkens, vleeskalveren, rundvee ook nog wel, maar tegenwoordig is het vooral paardenvoeding. Elke diersoort heeft zijn eigen specifieke eigenschappen op het gebied van de voeding. Bij niet-herkauwers is het vaak veel min of meer van hetzelfde, maar paardachtigen zijn speciaal omdat ze veel dikke darminhoud hebben, andere éénmagigen hebben dat minder. En het zijn planteneters met veel parallellen met herkauwers maar toch weer wezenlijk anders.”

Daarbij legde hij verbanden op een manier waarop nauwelijks iemand dat deed; “Ja, graslandbeheer, de interactie tussen voeding en ziekte, maar ook gifplanten. Voeding is een belangrijke bouwsteen en de kennis is wat uitgedund op dat gebied.” Van den Top begon na zijn promotie als zelfstandig adviseur: “De Belgische boerenbond was mijn eerste klant en nou adviseer ik de meest uiteenlopende mensen. Belt iemand op: mijn paard heeft zo’n plant opgevreten, kan dat kwaad? Stuur maar op, zeg ik dan, staat de postbode met een baal hooi op de stoep. Ga ik een tijd door een baal hooi zitten te ritselen, kijken of ik zaden kan vinden. De meeste planten in gedroogde toestand zijn gefrommeld, onherkenbaar, daar moet je al heel wat plantenkennis voor hebben om dat uit te pluizen. Behalve als het bijvoorbeeld Jacobskruiskruid is, dat is relatief gemakkelijk te herkennen.”

“Of iemand die de stal geverfd had met menie en dat daarna de paarden rare dingen gingen doen. Het bleek ijzermenie, geen loodmenie, er was geen verband tussen te brengen. Je kunt het zo gek niet bedenken of mensen komen ergens mee. De praktijk is al gek genoeg, dat hoef je zelf niet te bedenken. Bijvoorbeeld appels op de huid, heeft dat te maken met voeding? Nee, dat is onbekend, daar kom je niet uit. Daar leer je allemaal niet voor als dierenarts, nee, dat heb ik mezelf eigen moeten maken, heel fascinerend dat botanische. De achterliggende processen moet je wel in beeld hebben als dierenarts. Zoals wat kan leiden tot iets als hoefbevangenheid.”

Jacobskruiskruid, het was een tijd de grote schrik van paardenhouders. “Als ze er veel van opnemen, dan kan het schadelijk zijn ja. Het komt geregeld een keer voor dat een paard er een keer last van heeft maar de meeste paarden mijden verse planten. Als je de verhalen moet geloven, zouden we nauwelijks nog paarden hebben. Je kunt met bekalken en stikstofbemesting z’n milieuzone wel verprutsen, onder de duim houden kan gemakkelijk. Maar dat is aan een hoop mensen niet besteed. Laatst was ik op bedrijfsbezoek, liep ik met de eigenaar door het land. Zagen we heggerank. Dat moest ie wel eruit halen, anders kun je problemen krijgen.  Ach, we zullen moeten samenleven met gifplanten: er staan er zoveel in de omgeving van paarden, je kunt ze er niet vrij van maken. Ik kan zo de slootkant induiken en van de planten een mengsel maken waar een volwassen man van omvalt.”

De relatie is gelegd met de kennis van paardenmensen: “Kijk, boer word je niet zomaar. Je komt niet toevallig in een boerderij te wonen en je gaat dan koeien houden, of een paar duizend varkens. Maar met paarden kun je zo beginnen. Mensen komen er dan pas achter wat er allemaal nodig is. Dus kun je als paardenhouder ook je weiland en stalinrichting naar je eigen idee vormgeven. Die anderen moeten vanwege dit of dat overal aan voldoen. Neem de mestwetgeving: met een paar paarden heb je nergens mee te maken. Bij alle andere soorten veehouderij is dat ondenkbaar. Het gaat om een heel andere wereld. Waarbij mensen een heel goede band met hun paard hebben. Individueel, gepersonaliseerd. Je komt als hoefsmid een paard bekappen, niet een koppel schapen of koeien. En daar is de commercie op ingesprongen. De meeste mensen met paarden zijn alleen geïnteresseerd in paarden. Het is volledig verdwenen dat boeren al die dieren met die verschillende eigenschappen onder hun hoede hadden.”

“Paardenmensen zijn gevoelig voor reclame, voor mooie praatjes, leuke verhalen, een mooie verpakking. Dus komen er veel producten op de markt waar geen onderbouwing bij is. Met vaak een hoge prijs en veel claims. Laat je niet toch misleiden door een mooie zak, er is vaak geen bewijs bij. Controle? Ja, wel bij de grote mengvoederbedrijven, die worden streng gecontroleerd. De NVWA is tegenwoordig steeds scherper geworden, dat de claims op de zak niet de pan uitrijzen. Maar echt, iets kan maar zo in de markt gezet worden, voordat je het weet is er een hoop van verkocht, je kunt zo maar een hoop schade hebben. Of het supplement is helemaal niet nodig. De goede niet te na gesproken natuurlijk. Maar je hebt niet zoals bij medicijnen allerlei onderzoeken nodig voordat je iets in de markt zet. Neem de claim dat er natuurlijke grondstoffen in zitten. Meer dan 90% van de gifstoffen is puur natuur. Puur natuurlijke stoffen. Wat je niet zegt is of je vindt dat het ook gezond is. Je zegt in elk geval niks verkeerds…. Neem hooi uit verre gebieden dat allerlei gunstige werkingen zouden hebben. Het ruikt lekker, de voedingswaarde is meestal laag. Maar er kunnen ook zomaar gifplanten in zitten. Die hebben ze ginds ook.”

“Paardenhouders zijn vaak mensen met wat weinig kennis. Of te weinig tijd. Dat zie je aan het grasland. Of ze hebben de mogelijkheden niet om grasland goed te beheren. Je kunt niet overal met een handgrasmachientje bij. Goed weilandbeheer betekent op een adequate manier zaaien, mesten, drainage, onkruid verwijderen. Anders krijg je dus vaak een bende, dat er allerlei planten in staan waar paarden niks aan hebben. Neem witbol, een behaard gras, dat wordt niet gegeten, door geen enkele grazer. De rest wordt opgegeten, maar dat niet, en dus kan het zich onbeperkt vermenigvuldigen, en dat gebeurt dan ook. Als je daar niks aan doet, dan heb je een probleem, dan heb je de wei verknoeid.”

“Een paard is ook een vervelend beest voor een wei. Het trekt een sprintje, ploegt de wei onder, beschadigt de grasmat. Het heeft als enige grote grazer boven- en ondertanden, kan tot in de grond grazen, dus krijg je her en der kale plekken. Daarbij heeft het een aantal plekken als latrine, waar ook niet gegeten wordt.  Dus krijg je kale plekken of juist welig onkruid. Kijk maar om je heen: je ziet mooi grasland, en als er een wei tussen zit waar het een bende is, is het een paardenwei of een natuurgebied. Een koeienboer kan zich dat niet veroorloven, er moet een flinke snee gras vanaf gehaald kunnen worden. Natuurlijk, er zijn zeker paardenhouders die dat ook goed snappen….”

Marc van den Top, 53 nu, geeft er advies in, maar ook les: “Heel boeiend om te doen, ik werk al 23 jaar samen met Johan van Sommeren van het Nederlands Hippisch Instituut. Ik ben betrokken bij allerlei cursussen. Neem de massagecursus: daar gaat het over basiskennis. Hoe gaat het kapot, waar komt dat door, hoe kun je die factoren vermijden, hoe werken spieren, een stukje biomechanica, over verzuring, hoe spieren aan brandstof en energie komen, welke ziekten een probleem vormen, soms apart ook verbanden aanleggen. Maar ziektekunde en spierfysiologie komen ook in de taxateurscursus aan de orde. Heel betrokken mensen vaak, met veel ervaring, geweldig om te doen.”

“Het gebeurt ook geregeld dat ik een avond op uitnodiging volpraat. Voor een rasclub, voor een manege. Ik zeg bijna altijd ja en dan kijk ik of ik kan. Bijvoorbeeld over de gedragscursus: wat ziet een paard, wat ruikt een paard, hoe werken reflexen bij een paard, wat kan ie wel, wat kan ie niet, waarom is ie schrikachtig, wat verklaart dit of dat gedrag. Bijna altijd is het een leuke avond, ik vind het belangrijk dat mensen er wat van opsteken, en wat nuttigs mee naar huis nemen. Ik verzorg dat ook graag, heb er aardigheid in. Kennis over paardenvoeding is niet zo heel breed aanwezig in de paardenwereld maar het is een heel aansprekend onderwerp: je kunt het mooi visualiseren, veel voorbeelden geven, en het leuke is dat iedereen deskundige is: iedereen eet en voert immers elke dag. In veel gevallen kan ook de kennis van paardeneigenaren wel beter, en daar wil ik graag aan meewerken.”


Het Nederlands Hippisch Instituut organiseert cursussen, leergangen, opleidingen, workshops, clinics, en symposia. Sinds de oprichting in 1996 heeft het NHI een grote expertise opgebouwd in de organisatie ervan. Het NHI onderscheidt zich door de bijdrage van specialisten binnen hun vakgebied. Hierdoor wordt kwaliteitsvolle kennis gewaarborgd en overgedragen.

Klik hier voor meer info

 

René van der Leest: eventing verdient een aparte fokrichting

René van der Leest: eventing verdient een aparte fokrichting

“Ik zou een aparte fokrichting eventing instellen, al was het alleen maar om fokkers te stimuleren om voor die richting te fokken. Ik denk dat het heel slim zou zijn om dat serieus aanzien te geven.” René van der Leest aan het woord, de bevlogen ondernemer die ruim tien jaar geleden met vallen en opstaan opnieuw zijn paardenhobby oppakte. Tot 30 augustus kunnen fokkers hun veulen nog aanmelden voor de Nationale Veulenkeuring Eventing op 12 september op zijn terrein in Putten.

Samen met Joris de Brabander en een bevriende Nijkerkse ondernemer heeft René van der Leest de Dutch Eventing Stables opgezet: “Ik vind eventing mooi en tegelijkertijd zeggen steeds meer handelaren ook dat het een opkomende markt is. Maar fokkers fokken nog te weinig voor die specifieke richting. Dat triggerde me wel, ik hou van pionieren, voor de troepen uitlopen. Ik vond het leuk om te kijken hoe we dat dilemma zouden kunnen oplossen.”

Het was niet zo dat René, 58 nu, zonder enige kennis begon met zijn avontuur: “Ik ben opgegroeid in Brabant, in Berlicum, waar mijn opa boer en paardenman was. Daar is het eigenlijk wel begonnen, als kind was ik helemaal bezeten van paarden. Zadelmak maken, wedstrijden, de handel, prachtig, zo lang als ik weet, ben ik in de weer geweest met pony’s.  Van m’n 10e tot m’n 16e heb ik met mijn pony wedstrijden gereden, bij De Cowboys in Berlicum. Met de hele groep op pad, naar concoursen in de buurt.”

Met het achttal van De Cowboys, de ponyclub in het Brabantse Berlicum in de jaren ’70

René ging naar Den Haag voor zijn studie hbo-verpleegkunde, werkte zes jaar in de zorg en runde daarna zo’n 20 jaar zijn eigen organisatiebureau voor congressen en festivals. Zijn vrouw Yvonne, uit Hoogland bij Amersfoort, bleef in de tussentijd in de zorg. “Hoe ik haar heb leren kennen? Tja, zoals dat gaat, in de nachtdienst. Dan kun je gezellig kletsen. We zijn daarna in Amersfoort gaan wonen, in een jaren ’30-woning. Maar zo’n 12 jaar geleden begon het te kriebelen, ik wilde wel weer een paard hebben en ik wilde ook gaan fokken. We hebben de stap gezet naar het buitengebied van Nijkerk, en sinds 2014 met een tweede locatie in Putten. Ik ben gestopt met het bedrijf, Yvonne is gestopt in de zorg. En we zijn samen een zorgonderneming begonnen, het Zorgerf, voor mensen met dementie.”

“Nog voordat we echt gingen verhuizen, had ik het paard al gekocht, 18 jaar oud, ZZ-gesprongen, uit de Utopia-stam. Onder de voorwaarde: als ie drachtig wordt, is ie verkocht. Het was de eerste keer raak. Toen ben ik ook weer gaan rijden. Maar met de geboorte ging het mis. Het veulen was net geboren, ik loop ’s nachts om een uur of 2 nog een keer langs de stal en ik zien de merrie platvallen naast het veulen. Ik de dierenarts gebeld, die had in het begin iets meewarigs. Ach, zo’n hobbyfokker…..maar toen hij er was, was de merrie al overleden, waarschijnlijk door een slagaderlijke bloeding. Midden in de nacht zijn we via de veulencentrale naar Peize gereden, naar een Friese merrie die het veulen verloren was. Vier nachten daar geweest, om de twee uur het veulen aangelegd. De eerste keer beet de merrie het veulen flink in de neus, dat moest direct helemaal gehecht worden. Het ging uiteindelijk niet. We zijn teruggekomen en hebben het veulen met de fles grootgebracht, daarna uit de emmer leren drinken. Met een Haflinger is ie opgegroeid in de wei.”

“Het was een jonge Vaillant, de jonge For Pleasure, die had ik uitgekozen omdat ik dat een power horse vond, indrukwekkend, met een enorm vermogen, daar was ik van gecharmeerd. Plus dat ie maat zou kunnen brengen omdat de merrie niet te groot was. Esta Initia heette de merrie. Met Gerdine Frens hebben we de eerste oefenparcoursjes gereden. Patrick en Wout-Jan van der Schans vroegen direct of ze niet te koop was. We vonden het te vroeg om haar te verkopen. Niet veel later kreeg ze een ongeluk. In de socialisatie is het natuurlijk toch niet helemaal normaal gegaan, en dat zal ook wel met de karakterontwikkeling zo zijn geweest. Ergens bij het uitstappen wilde ze terug, Gerdine niet. Ze sloeg achterover, raakte geblesseerd, einde sportcarrière. Triest voor Gerdine ook, gelukkig heeft zij er niks aan overgehouden. Het eerste veulen van Zirocco Initia Utopia, vernoemd naar de grootmoeder, werd in Terschuur veulenkampioen, is nu zes jaar en gaat nu Z lopen. Naast Esta hebben we ook Vannikki gekocht bij Tolboom in Bunschoten, een Odermus uit de Nikki-stam. Ook daar hebben we een Zirocco van die veel belooft.”

Gino (v. Zirocco) uit de Nikki stam

“Yvonne vond ook dat dit wel een heftige start was. Maar we hadden met het bedrijf wel enige ervaring. Een week voordat we open gingen met de dagbehandeling raasde er een storm over Nijkerk. We lagen in bed, helemaal kapot van het werk om alles klaar te krijgen voor de opening en toen keken we ’s ochtends naar buiten. Een boom plat op het plein, vijf bomen plat even verderop, het ging om 20 bomen, en alles aan gort wat we gemaakt hadden. Toen was het: verstand op nul en doorbuffelen. En dat gebeurde ongeveer tegelijk met die toestand met het veulen. Die tegenslagen zijn op dat moment redelijk rampzalig maar je volbrengt het wel samen. Laatst hebben we het tienjarige bestaan gevierd en er even bij stilgestaan: als je dat allemaal aan kan, dit soort tegenslagen samen verwerken, dan kun je alles aan, achteraf is dat heel mooi.”

René en Yvonne van der Leest

Gerdine heb ik leren kennen toen ik tien jaar geleden een ruiter zocht. Via haar heb ik ook kennis gemaakt met Martin Lips. Ik heb vroeger wel gecrosst, twee keer, bij De Cowboys. Als ik nu achteraf kijk: vreselijk onverantwoord, we hadden helemaal geen verstand van die tak van sport. Ik heb vooral gesprongen, maar ik had niet het laatste talent. Via Gerdine raakte ik bij de eventingsport betrokken, ik vond het mooi. Ik ben naar een lezing gegaan, een jaar of vijf geleden, van Wim Versteeg en Gert Naber, over eventing en fokkerij. Gert vertelde waar het paard aan moest voldoen, Wim vertelde uit de database welke hengsten en merrielijnen het nou goed doen. Het bleek een dilemma: topruiters willen graag een hoog volbloedgehalte, op Olympisch niveau toch wel 60 of 70% volbloed, vooral voor aspecten als hardheid en herstellingsvermogen. Maar fokkers in Nederland zijn daar niet zo gemakkelijk toe bereid.”

Kyandro Utopia van het Buitenland met Guido Jan Schoemaker

“Ik heb toen een paar mensen gevraagd om mee te denken. Wim Versteeg, Martin Lips, Wiepke van de Lageweg en Henk Jan Lozeman, we hebben zitten te kletsen of er iets aan te doen was.  Martin Lips zei toen: weet je waar ik het meest bij gebaat ben? Kijk, als kinderen van de pony’s overstappen, hebben ze vaak niet het geld voor een paard voor 2 of 3 sterren-wedstrijden. Dan kopen ze vaak een jong paard om op te leiden. En voordat ze het weten is de junioren en young riders-tijd voorbij. Dan mis je die ervaring op latere leeftijd. Ik zou het leuk vinden als jullie merries willen kopen en die uit laten brengen door jonge mensen met ambitie.”

Nearly Perfect de la Brasserie met Renske Kroeze

“Ik heb het plan opgepakt, samen met een Nijkerkse ondernemer uit mijn vriendenkring, zijn dochter was eventingamazone. We hadden allebei wel een klik van de langetermijnvisie, en we durven risico te nemen en te investeren. Als er maar perspectief in zit. We hebben de merrie Wishfull Thinking gekocht bij Gert Lozeman voor Gerdine Frens. Ze heeft er drie EK’s mee gereden. De tweede merrie werd Three times a Lady, een Roven-merrie, die hebben we van Hanneke Held kunnen kopen, ze werd ook gelijk geselecteerd voor het EK.  De ruiters hadden direct goede paarden om mee te doen en wij hadden de gelegenheid om de merries te spoelen.”

Maar René ging verder: “Ik vond dat we stappen voorwaarts moesten maken. Ik zocht naar een oude rot. Ik was als fokker heel actief op Horsetelex en ik kwam heel vaak de naam Joris de Brabander tegen, keer op keer met 1m60-merries. Merries waarvan de helft van de nakomelingen internationaal loopt. Dan kun je wel iets. Ik heb hem gewoon gebeld, hij nam op en we waren onmiddellijk welkom. Eerst was hij wat aarzelend, een Belg die Nederland vooruit helpt en zo, maar hij is mede-partner geworden in de Dutch Eventing Stables. Vooral qua fokkerij en know how een enorme toegevoegde waarde, fantastisch. En hij is zeer betrokken. Hij heeft onder andere Malori van ‘t Verahof ingebracht, de volle zus van Fletcha, het toppaard van Karin Donckers. Geweldig om een man met zo’n kennis en vakmanschap erbij te hebben. We zijn kritisch, we hoeven niet in een keer honderd veulens te hebben. De paarden staan bij mij in Putten, op de zandgrond, dag en nacht buiten. Dat is de overtuiging van Joris: een uur per dag binnen om te poetsen of te rijden, dan buiten. Volgens mij is dat ook een reden dat ook de kleine hobbyboertjes vaak een goed paard hadden.”

Malori van ’t Verahof met Henk Jan Lozeman

De volgende stap was een keuring: “Om de  fokkers in de schijnwerpers te zetten die met ons voorop lopen. Als je het gedachtengoed verder wilt laten landen, hoort dat er ook bij. De handel onderkent de vraag wel, maar bij een stamboek is het zeker geen appeltje-eitje. Maar ja, als je van paarden iets heel specifieks vraagt, dan kun je overwegen om er een aparte fokrichting voor op te zetten. De meningen zijn verdeeld of je er specifiek voor kunt fokken maar volgens ons is het in feite niet anders dan bij andere richtingen. Wij zijn er zelfs van overtuigd dat er een aparte fokrichting voor moet komen, we kennen ook teveel merriestammen die keer op keer eventingpaarden leveren om er niet serieus over na te denken!”

“Vorig jaar hebben we de eerste keuring gehad, nu op 12 september verwachten we tussen de 20 en 30 veulens, in vergelijking met vorig jaar hebben we ook meer veulens met veel bloed, ook uit oudere sportmerries van eventingruiters zelf, dat gebeurt steeds meer. Dat is voor mij een bevestiging dat er vraag is. Fokkers kunnen hun veulen nog aanmelden. We praten over de snelst groeiende tak binnen de paardenwereld, en het beeld is ook dat dat niet snel zal ophouden. Op 12 september kiezen we ook een merrie-, hengst- en dagkampioen. We hebben in het programma Fokker en Ruiter aan het Woord. Patrick Verbakel en Hanneke Held vertellen over hun merrie en laten nakomelingen zien: welke  specifieke kwaliteiten in de sport heeft ze, en waarom zij denken zij dat de merrie uitermate geschikt is voor de eventing fokkerij. Patrick Verbakel laat Coconut Girl zien, daarna een tweejarige hengst van Carrera VDL. Van Three Times a Lady tonen we het veulen van Nearly Perfect, met vier andere nakomelingen van verschillende hengsten, toegelicht door Hanneke Held. In oktober komt er een veiling achteraan want als fokkers al te bewegen zijn, dan willen ze toch zien of ze hun paarden kwijt kunnen. Maar daarover de volgende keer meer.”

Inschrijven voor de Nationale Eventing Veulenkeuring kan via
info@dutcheventingstables.nl of via het invulformulier dat u hier kunt downloaden.

Nearly Perfect

Stephanie Kooijman: ik vind dat ik alle kansen heb gehad

Stephanie Kooijman: ik vind dat ik alle kansen heb gehad

Stephanie Kooijman is pas 26 en ze heeft haar eigen onderneming SK Dressage. Dan zou je kunnen denken: jaja…. Lees haar verhaal en dan weet je dat het alles te maken heeft met talent en doorzettingskracht. En niet met geld.

Stephanie’s verhaal begint in Rotterdam waar ze als jong meisje belandde op de manege De Prinsenmolen: “Gewoon in de les, een half uur in het begin, later steeds een beetje meer. We woonden in de flat tegenover de manege en al had ik geen les, dan was ik alsnog in de manege om te poetsen en mee te helpen. Mijn zus Melissa en ik hebben daarna van mijn vader een D-pony gekregen, ik was een jaar of 10. Diego heette die, een New Forest. Heel leuk maar ook heel fout, elke week kwam ik wel in het ziekenhuis. Met een gebroken elleboog en nog veel meer. Op een gegeven moment zeiden ze daar: goh juffrouw Kooijman, ben je weer van je pony gevallen? Er was altijd wat mee. Ik was de fanatieke, Melissa was er niet zo serieus mee bezig, die is er even later ook mee gestopt.”

Met Diego werd het ‘m niet: “Ik heb Diego anderhalf jaar gehad, tot het te gevaarlijk werd. Het bleef bij onderlinge wedstrijdjes op de manege, niet meer. En toen kwam Hapollo, daar heb ik mee gereden in het B, L1 en L2, dat was wel zijn max. Toen heeft mijn vader gezegd: wil je op de manege blijven rijden of wil je serieus wedstrijden gaan doen? Ik was een jaar of twaalf en ik wilde toch meer in de sport. Van Emily Wiskerke hebben we toen een D-pony pony gekocht, geen heel dure pony maar wel een die alles kon, ik kon er heel veel van leren. Hij was al wat ouder maar had internationaal gelopen. Had ik gelukkig mijn eigen pony, en niet meer voor mijn zus.”

Grandia’s Gordon, Johnson x Florestan,  heeft Stephanie samen met de familie Grandia uit Bleiswijk, die hem ook gefokt hebben.

Heel lang duurde het avontuur met de pony niet: “Ik werd veel te snel te groot. We moesten hem wel verkopen omdat ik echt te groot werd. Intussen stond mijn vader Gerrit de Bruin bij Hans Bernoski op stal, daar reed ie zelf op Z2-niveau voor de hobby. Daar kon ik rustig aan paarden wennen, af en toe mocht ik op het paard van mijn vader. Maar er moest natuurlijk wel een eigen paard komen, met het oog op de juniorenwedstrijden, want zo fanatiek was ik wel. Bij Gertjan van Olst op de veiling hebben we toen een jong paard gekocht, nog geen drie. Eigenlijk gewoon te jong, en achteraf gezien niet zo slim als je snel hogerop wilt komen. We hebben hem weer verkocht, aan heel leuke mensen, net als de pony. Het was de tijd dat ik af en toe meedeed in de trainingsweken bij Bartels. En dat ik graag naar de Masterclass in Deurne wilde, dan had ik toch iets van school want de rest vond ik nooit zo leuk.”

“Kijk, voor ons was een kant-en-klaar paard kopen niet mogelijk, en een jonger paard zou te lang duren, dat wisten we toen wel. We zijn toen tegen Winston aan gelopen, een OO Seven x Cocktail, die stond bij ons in de buurt, Antoinette Falandt reed hem. Nog geen 4 was ie, braaf en makkelijk in de omgang, mijn vader zei dat het een goed paard voor mij zou zijn. En dan, met een paar jaar opleiding, zou junioren misschien net wel realistisch zijn. Bij Bartels in de trainingsweek kenden ze m’n verhaal en wat ik wilde en toen gaven ze me Nurejev te rijden, een Jetset D. Wij natuurlijk gezegd: ja he, die kunnen we nooit betalen. Maar, zei Tineke, als Steffie ermee kan rijden, is ie ook te betalen. Ik heb de hele kerstvakantie gereden. Hij had lichte tour gelopen, ik kon in de Z beginnen! En Tineke zei terecht: daar kun je veel van rijden, de masterclass mee gaan doen, junioren mee gaan rijden. Heel mooi hoe het zo bij elkaar kwam. Met Winston ben ik in die tijd gewoon in de B begonnen, echt leuk, gewoon alle klassen doorlopen.”

Jackson, Vivaldi x Westpoint, eigendom van Bas en Trudy Wilschut

Winston was het paard dat Stephanie zelf opleidde: “Kijk, met Nurejev deed ik ook wel mee, maar als ik 65% haalde, staken we allemaal de vlag uit. In 2010 heb ik een observatiewedstrijd gereden met Winston, zeven jaar was ie toen, meer voor mezelf als oefening. En dat pakte goed uit, in drie wedstrijden reed ik naar het B-kader. En van daaruit mee naar het EK, intussen 3e op het NK. Eerder kreeg ik les van Hans Bernoski, later met Winston van Jef Heistek. Met Tineke Bartels als bondscoach. Ik heb twee EK’s bij de junioren gereden, drie bij de young riders en een EK bij de U25. Elke keer met het team was al bijzonder. In 2013 met de Young Riders in Compiègne hadden we voor het eerst team goud, mede doordat ik een heel hoge score had gereden, individueel brons, toen op de laatste dag zilver in de kür.”

Intussen was Stephanie bij Bartels gaan werken: “Ik was 17 toen ik daar stalruiter werd, reed ik drie paarden van mezelf en de paarden van de stal, ik heb het vier jaar gedaan. Eerder dacht ik: ik ga nooit weg uit Rotterdam, maar Brabant gaf me zoveel rust. Het toeval wil dat de manege waar ik begonnen was, een stal in Rucphen erbij kocht. Mijn vader had wat veulens gekocht voor de opfok en die zetten we dan daar neer. En daar heb ik nu mijn paarden staan. Het is een grote pensionstal waar hun zoon samen met zijn oma de zaak runt, en zijn vader komt uit Rotterdam komt ook vaak helpen. Ik heb er zes stallen, maar ik kan er zoveel stallen als ik wil. Ik mag er lesgeven, ik geef er ook clinics, er is een grote springtuin, paddocks, stapmolen, eigenlijk alles, twee rijhallen waardoor je altijd kan rijden en altijd kan lesgeven. En er zijn dressuurwedstrijden.”

Met de eigen Dibert, Vivaldi x Balzflug.

“Ik vind dat ik alle kansen heb gehad, dat begon met de vraag van mijn vader of ik niet een eigen pony wilde. En we hebben heel veel samen gedaan, maar op een gegeven moment moet je wel op eigen benen gaan staan. We hebben nou nog een paard samen. Winston heb ik helemaal zelf opgeleid, met hem heb ik in feite van mijn hobby mijn werk gemaakt. Maar ja, dan moet je ook zakelijker leren denken. Ik heb Winston verkocht toen hij 13 was, aan Theodora Livanos, een Griekse in Zwitserland. Echt, het paard kwam zo goed terecht. Ze heeft maanden daarna het EK voor de junioren in Roosendaal gereden, individueel was ze geloof ik 4e of 5e, dat was heel speciaal. Ik heb heel vaak contact met haar, afgelopen week kreeg ik nog foto’s dat ie op zijn oude dag daar in de wei staat. Dat vind ik soms wel het moeilijke aan het vak: soms moet je verkopen om ook weer door te kunnen. Maar ik weet nu dat dat het ook weer makkelijker maakt om weer verder te gaan. Dat is niet altijd makkelijk: hard werken en toch een keer verkopen. Maar ja, ik wil wel proberen om ook in de sport een beetje mee te blijven draaien.”

De paarden staan in Rucphen op pensionstal Hippisch Centrum Nieuw Keijtenburg, samen met paardentandarts Dave van der Burg woont Stephanie in Hoeven, een minuut of tien van de stal vandaan. Dan komt de vraag op van een eigen spulletje: “De paarden in de achtertuin? Daar moeten we eerst heel hard voor sparen. Weet je wat nu heel fijn is: voeren, opstrooien en zo, de paarden staan er zo goed bij, ik hoef daar allemaal niet over na te denken. Een eigen spul vinden we niet zo nodig. We hebben bewust ervoor gekozen om het zo te doen. Per dag rijd ik ongeveer zes paarden, een paar van mezelf en een aantal van heel fijne eigenaren, zoals Bas en Trudy Wilschut, de fokkers van Blue Hors Zack. Ik heb leuke paarden voor wedstrijden, met de elfjarige Vivaldi Dibert rijd ik weer lichte tour, die heb ik ook zelf opgeleid! Met een vijfjarige rijd ik de halve finale van de Pavo Cup. Ik geef veel les met mijn Deurne-diploma, ik geef clinics of ik organiseer ze zelf, en tegenwoordig heb ik ook een Vivaldi x Ramiro-merrie, een elite sportmerrie die op mijn pad is gekomen, een merrie uit een heel goed lijntje. Er zat een veulen in van Toto jr, en vorig jaar kreeg ze een veulen van Ferguson. Tja, langzamerhand wordt het wel wat. In elk geval ben ik dankbaar dat ik alle kansen heb gekregen!”

De foto’s zijn gemaakt door Kimberly Deelen van Precious Photo Moments. Klik hier voor haar website http://preciousphotomoments.nl.

Stephanie’s Facebook-pagina vind je hier.

Met Dibert en Luna

 

 

Kim Schmid: Theo is bang voor paarden, altijd gebleven

Kim Schmid: Theo is bang voor paarden, altijd gebleven

Kim Schmid heeft veel aan Theo te danken. Samen met haar moeder kocht ze de schimmel toen die vier jaar was, voor € 6.500,-. Een paard waar veel op aan te merken was. En nu heeft ze op de mooiste evenementen als CHIO Aken, Indoor Brabant en Jumping Amsterdam gereden. “Theo heeft wel honderd miljoen pirouettes moeten draaien omdat ik het ook moest leren,” blikt ze nu terug.

Theo staat inmiddels in een wei in het eigen onderkomen in het West-Brabantse Oud-Gastel, waar Kim Schmid en haar partner Daniël Mosterdijk op 5 mei hun dochtertje Emilia verwelkomden. “Ik ben net weer een beetje aan het rijden, dit weekend heb ik de Pavo Cup-voorselectie. Het voelde echt heel raar om de eerste keer er weer op te gaan zitten, net of ik geen balans had. Maar het gaat al wel weer wat beter hoor.”

West-Brabantse Kim Schmid, 29 nu, groeide op in Zevenbergschen Hoek: “Daar hadden we een heel klein bakje buiten en drie stalletjes, heel simpel. En ik had daar een heel klein pony’tje. Toen ik 7 was, gingen mijn ouders uit elkaar en verhuisde de pony naar een pension in Zwijndrecht. Joh, wat deed ik ermee? Een beetje springen, van alles en nog wat. Op een gegeven moment werd de pony natuurlijk te klein en toen heb ik een E-pony gekregen waarmee ik uiteindelijk Z2 ben geworden. Dat was leuk, alleen, daar mocht je natuurlijk niet zo heel veel mee, je zat niet in een selectie voor het buitenland of zo want dat gaat natuurlijk niet met een E-pony.”

Kim met haar eerste pony

Toen Kim 14 jaar was, kwam Theodoor in haar leven. “Theo? Ik dacht natuurlijk als eerste: ik ga ‘m een andere naam geven. Maar ja, dan riep ik ‘m de volgende dag en dan reageerde ie meteen. En ik had van tevoren gezegd dat ik geen schimmel wilde omdat die twee pony’s dat al waren. Theo was 4 en donker, een Métall x Purioso, samen met mijn moeder wezen kopen, voor 6500 euro. Maar het was wel een schimmel. Ik heb hem geprobeerd, maar toen lag ik er gelijk naast. Theo was namelijk bang voor andere paarden, is ie altijd gebleven. Een beetje een rare eigenschap voor een paard wel he? Bokken en dan lag ik er weer naast, dat heb ik lang gehad.”

“Ik denk dat ik nooit meer een paard zal treffen met zo’n karakter, in de ring deed ie het altijd. Toen ie 10 was, liep ie Z2 en toen kreeg ‘ie heel vaak koliek. In de kliniek in Bodegraven is hij op een gegeven moment geopereerd. Hij had een soort verkleving in een darm en daar hebben ze toen een bypass gemaakt. Heel knap en een bijzondere operatie. Er was maar 5% kans dat ie het zou halen, zeiden ze in Bodegraven. Hij heeft er heel lang over moeten doen om te revalideren maar daarna ging het eigenlijk wel snel. Via de Rabobank-trainingen kwam ik bij Coby terecht, daarna was Theo binnen een jaar lichte tour. Ik heb met Theo op alle grote wedstrijden meegereden in de U25 in Aken, met bondscoach Wim Ernes, ben tweede geworden op het eerste U25-NK, heb gewonnen in Compiègne, ik mocht via een wildcard aan de Grand Prix in Amsterdam meedoen, heb Indoor Brabant gereden, CHIO Rotterdam, wat wil je nog meer? Op een gegeven moment heb ik zo’n beetje voor de grap gezegd: Theo moet bij mij in de wei lopen. En nu is het echt zo….”

Met Theo

Kim begon na het atheneum aan een studie bedrijfskunde aan de Erasmus Universiteit: “Dat duurde niet zo lang, ik had niet zoveel met dat sfeertje daar, met die studentenclubs en zo. De Intercollege business school, dat paste beter bij mij. De commerciële kant paste mij altijd wel het beste, ik werk nou ook in het familiebedrijf dat door mijn vader is opgezet, Pharmavit in Zevenbergen, een kwartiertje van Oud-Gastel, lekker dichtbij. Daar werkt mijn broer Jeroen ook. Ik heb eerst nog twee jaar op een werving- en selectiebureau gewerkt, mijn vader vond dat goed om ervaring op te doen. Hij had trouwens niks met paarden. Mijn moeder ging overal mee naar toe met de wedstrijden, zij is altijd mijn grootste fan en sponsor geweest.”

In 2010 kwam naast Theo een tweede paard, Apart: “Daar ben ik ook mee begonnen toe hij vier was. Heel moeilijk was hij, een Florencio x Jazz, zeg maar veel van Jazz. Mijn moeder ging altijd voer halen bij Plaizier in Heerjansdam waar hij stond, en zo kwam het ter sprake. We hebben hem samen gehad en zo leerde ik ook Daniël kennen, die veel handel deed samen met Wouter Plaizier. Uiteindelijk is het met Apart ook hartstikke goed gegaan, met 69% in de Grand Prix. Hij was niet echt heel gemakkelijk maar wel heel goed. En het ging best snel. Weet je, Theo heeft wel honderd miljoen pirouettes moeten draaien omdat ik het ook moest leren. En dat was daarna bij Apart een stuk makkelijker. Het idee was om hem ooit een keer te verkopen en dat is via een tussenpersoon ook gebeurd, naar Zuid-Korea, drie jaar geleden.”

Kim en Daniel gingen samenwonen in Heerjansdam in een dijkwoning: “En de paarden stonden bij de Watertoren in Gorinchem. We hebben langzamerhand een paar paarden erbij genomen maar op een gegeven moment hadden we er best veel, vijf of zes paarden, en dat in pension, dan gaat het aardig hard. We zijn op zoek gegaan naar paardenspullen. Maar ja, waar we wel tegenaan liepen: dat je een beetje de rommel van een ander koopt. In Oud-Gastel vonden we iets waar naast het huis uit 2005 alleen de hal stond, op zes hectare, niet afgezet, helemaal niks. Alles moest nog aangelegd worden. De bestemming paardenhouderij zat er al op maar ze deden er niks mee, het idee was dat de dochters het over zouden nemen maar dat liep anders. En nu hebben we een 20 x 60 buitenbak, een hal van 20 x 40, 19 boxen, een longeerbak, stapmolen, en lekker veel wei. Theo loopt hier nou lekker in de wei, en af en toe moet hij wat doen.”

“Paarden zijn nog steeds mijn hobby, ik werk vijf dagen in de week in het familiebedrijf. Ik begin daar vroeg, en ’s middags ga ik rijden. Ik heb het altijd als hobby kunnen doen. Ik hoor ook wel negatieve verhalen over het dressuurwereldje maar wij hadden het altijd heel gezellig. Haat en nijd? In het wereldje van de internationale wedstrijden viel het heel erg mee. Misschien wel juist in de basissport, ik denk erger dan in de subtop, tenminste, dat heb ik zo ervaren. Natuurlijk wil je winnen als je in de ring rijdt, maar daarbuiten help je elkaar. Springruiters hebben de naam dat het gezellig is onder elkaar, maar dat is met dressuur ook. Zeker op de internationale wedstrijden trekt het toch naar elkaar toe. Met Danielle van Mierlo, Dinja van Liere, Jill Huybrechts, een heel gezellig clubje was het.”

Met Apart, Kim’s tweede Grand Prix paard

Zo’n tien jaar geleden behaalt Kim haar instructeursdiploma, onder begeleiding van Ton de Kok in Nootdorp: “Ik geloof dat dat allround was, want ik moest ook springen. Ik geef wel les, maar alleen aan klantjes die ik leuk vind. Vorig jaar heb ik Milou Dees begeleid op het EK, dat was heel leuk om te doen. Opleiden vind ik vooral ook heel erg leuk om te doen. Op dit moment is ons oudste paard zes jaar en ik wil graag dat ze zin hebben om te werken. Dat ze niet overtraind raken, dat ik ze niet tegen de verzuring aanrijd. En afwisseling is heel belangrijk, maar ook weer regelmaat. Ze komen elke ochtend in de wei, ik vind het belangrijk dat ze er veel uitkomen. Sommigen zijn bang voor blessures. Kijk, toen Theo naar buiten ging op de pensionstal, dan was de kans groot dat in de wei ernaast een lekker wild paard stond. En dan ging mijn paard ook flink bokkend door de wei. Doodeng en dan ben je daar gauw klaar mee. Bij ons is het elke ochtend hetzelfde ritueel, dezelfde volgorde, dezelfde wei, hetzelfde maatje, dat scheelt echt alles.”

Het spul in Oud-Gastel is uitgegroeid tot een prachtige plek: “In principe hebben we alles voor onszelf. Alleen Geert-Jan Rateland staat er. Hij stond ook op De Watertoren en als grapje heb ik gezegd: ga je gezellig mee? Ik ga goed met Geert, hij brengt ook een stukje gezelligheid mee, hoe serieus hij ook met de sport bezig is. Daniël is veel op pad voor de handel, het is ook belangrijk om ook andere mensen om je heen te hebben. We hebben hier een paar meisjes die op stal werken, elke ochtend worden de stallen uitgemest, alle paarden gaan er ’s ochtends uit, drie keer per dag krijgen de paarden hooi. En ’s middags kunnen wij ze trainen, anders is het niet te doen. Oh ja, en Sarah Bamberger uit Israël rijdt bij ons nu op Theo bij de Young Riders, hij is 19, ze least hem.”

Aan het werk met een van de handelspaarden

In de tijd van Kim’s zwangerschap reed Daniël de paarden: “Ja, hij heeft alles erbij gereden. En Sarah dan op Theo. We hebben er wel twee verkocht om het ietsje minder druk te hebben. Eerst reed ik er vijf of zes op een dag, nu ga ik er drie per dag rijden. En het streven is om weer een paard op hoog niveau te hebben. Theo is het enige paard dat bij mij oud mag worden. We hebben ons voor de rest vast voorgenomen dat alles te koop is, hier moeten straks geen tien paard lopen die met pensioen zijn. Ik wil het liefst alles houden, Daniel wil alles verkopen, daar moeten we dus een middenweg in zien te vinden….”

De familie van Kees van den Oetelaar deel 1

De familie van Kees van den Oetelaar deel 1

Kees van een Oetelaar heeft eerder in Nieuws.horse al verteld over Concorde, over Verdi, over de keuringen, zijn handel, de veilingen en de hengstenhouderij. De oppervlakkige beschouwer zou het niet zeggen maar Kees van den Oetelaar is meer dan alleen handelaar, hengstenhouder, fokker, opfokker, paardenman of noem maar op. Hij is ook iemand die graag terugkijkt hoe het allemaal zo ontstaan is, met interesse in de geschiedenis. Op een gevoelige manier, met emoties, met lachen ook om de schelmenstreken van vroeger. Kees verklaart veel door zijn familie erbij te betrekken: “We hebben een abnormale familieband als het erop aankomt.”

Ook dat is een onvermoede kant van Kees van den Oetelaar: foto-albums. Van vroeger. Een paar maar van zichzelf, een heleboel van de familie. En met het bekijken van de foto’s komen ook de verhalen. En komt zijn eigen manier van denken naar voren, hoe hij geworden is wie hij is. “Mijn vader Dorus kwam uit een gezin van veertien kinderen, waarvan twee aangenomen kinderen. Dat kwam omdat de zus van mijn oma heel vroeg gestorven was en dan kwamen de kinderen bij ons. Zodoende heb ik altijd twee ome Jannen gehad en twee ome Tonen. Die woonden allemaal op een achteraf gelegen zandstraat, op heel slechte heigrond. Mijn opa was altijd aan het werk, in Duitsland en België grasmaaien, met de schop de Zuid-Willemsvaart mee uitgraven. Oma was thuis en deed de boerderij, met een gehandicapt kind erbij. In Schijndel, waar de manege nou staat, daar zijn ze allemaal geboren.”

De familie Van den Oetelaar in de jaren ’20, linksonder Doruske, de vader van Kees. Kees noemt zo de namen op.

“Het gezin vroeger bestond uit paardengekken, dat zat erin. Heel hardwerkende mensen, met een abnormale familieband als het erop aankwam. Dat heb ik gemerkt in onze familiereünie laatst aan mensen die ik al veertig jaar niet meer gezien had of nooit gezien had. De familie stond bij ons enorm hoog in het vaandel. Kwam je aan de een, dan kwam je ook aan de ander.  Als ergens iets onterecht was, dan gingen mijn vader en zijn broers ernaar toe en dan gingen ze het afwerken. Mijn ome Jan, de vader van mijn neef Bert, was de heetste. Als het een paard was, dan heette die Hickstead. Ik was trots dat ik hem als oom had, voor de duvel niet bang, meteen erop timmeren, direct, niet afwachten.”

Ome Jan op concours in Schijndel met Bobby

“Door die sferen heb ik vroeger heel veel sterke verhalen gehoord. Zo ging dat. We hadden natuurlijk geen televisie of telefoon, het ging avonden lang over paarden en elkaar sterke verhalen vertellen. Heel hardwerkende mensen waren het. En het waren paardenmensen, paardengekken. Wel paardenhandelaren, maar geen geldverdieners. In elk geval waren ze altijd met paarden bezig. Op het land, op concoursen, naar de markten, noem maar op. Ze kochten ook paarden die een ander niet klaarkreeg. En werken op het land, plus sporten. Liefst geen te zware paarden, bloed moest erin zitten, liefst Volbloed en tegen het volbloed aan. Ze hebben allemaal paardgereden, ome Jan heeft denk ik wedstrijden gereden tot ie 64 was. Mijn opa is doodgegaan in 1966, toen hij 82 was, mijn oma is 94 geworden. Die woonden bij ons, en de gehandicapte broer ook.”

Vader Dorus won een military met de Anglo-Arab Bobby

“Onze familie is een paardenfamilie die van bloedpaarden hield. Mijn vader en zijn broers hadden een hekel aan een Gelders paard, dat hebben wij meegekregen. Groningse paarden hadden meer temperament. Op de kleigrond moesten ze veel heter en sterker zijn dan op de zandgronden, dat zie je overal terug, in Frankrijk, Duitsland, Ierland, noem maar op. Daarom kwamen de beste paarden uit het noorden. Een Groninger was niet lui, een Gelders paard was lui. Op de kleigrond moest je power hebben. Dat werkt nou nog door, dat zit in de genen, generaties lang.  Ons vader dekte vroeger met volbloeds als Erastothenes, Cobblers Thread, Hanassi, Millerole, Robert a Lee, de vader van Rex the Robber.”

Ome Jan met de Volbloed Norton op de zandweg voor de boerderij: de hindernis stond er vast, werd gebruikt om paarden te demonstreren

Het kon allemaal bij ons, iedereen was welkom. In de oorlog heeft mijn vader met een deserterende Duitser, met een Engelse soldaat en met een jood bij ons thuis in schuilkelders gewoond, zonder dat ze van elkaar wisten dat ze daar waren. Hans Cohen heette de een, dat weet ik nog omdat die later nog elk jaar bij ons thuis kwam. In die oorlogsjaren hebben mijn vader en zijn broers een paard gestolen van de Duitsers, ik denk dat ze was achtergelaten omdat ze een blessure had. Mijn vader heeft de merrie verborgen onder een houtmijt, en na de oorlog is ze nog 27 jaar bij ons geweest. Mijn vader heeft altijd gezegd dat Bobby een Frans paard was, een Anglo-Arab. Hier in de omstreken was het een heel bekend paard, waarmee mijn vader military’s won. Hij zei altijd toen ik nog klein was: ik zou heel graag willen dat je ooit op Bobby gereden had, dan voel je pas wat een goed paard is.”

Toen de paarden nog van alles moesten kunnen

“In die sferen ben ik, zijn wij, heeeel ouderwets opgevoed. Geen luxe. Buiten naar de wc, daar stond zo’n hokje. Maar terugkijkend: ouderwets, da’s het mooiste wat er is. Bij ons thuis kennen ze allemaal het oude boerenwerk nog, allemaal.” Kees groeide op in een gezin met broers Wim en Rien en zus Carolien. Wim stierf in 2006, Rien vlak voor de jaarwisseling van 2018. Volgens opa en bij ons thuis zou Wim de handelaar moeten worden. Hij was sterk en groot en slim, kon niet liegen….nee, dat kon ie niet. Hij kon ook niet overdrijven. Hij werd wel handelaar, maar anders dan ik. Hij was geen marktmens, ik wel. Daarom pasten wij zo goed bij elkaar. En Rien deed de manege. Wim deed de paarden halen en wegbrengen en lesgeven, goed rijden ook.”

Wim van den Oetelaar

“Ik deed de handel, ik was geen manegehouder, hoewel ik dat vroeger wel allemaal moest doen. Carolien reed ook. Toen Wim dood was, ging ik vaak vroeg naar bed, dromen van Wim. Dan genoot ik van de verhalen die we vroeger meegemaakt hadden. Het gekke is: sinds Rien dood is, heb ik nooit meer gedroomd. Dat adviezen vragen aan elkaar: dat mis ik gruwelijk, dat is niet uit te leggen. Als we opstonden, overlegden we altijd wat we gingen doen, we wisten dat allemaal van elkaar. Carolien en ik zien elkaar zeker een keer of vijf in de week nou. Zij houdt de familie bij elkaar, een sterke persoonlijkheid. Ik heb zelf zeven kinderen van vier vrouwen, maar ik weet zeker: als ze bij elkaar zijn, dan zijn ze gek met elkaar. Daar zit ik niet over in dat dat niet goed is. Weet je, dat is allemaal niet te koop.”

Begiin jaren ’60: rechtsonder Kees, linksonder Carolien, links staand Rien, op de pony Wim

Kees groeide op in de familie- en verhalensfeer: “Ik heb heel veel geluisterd. Ik had een oom Grad, die was getrouwd met een zuster van ons vader. Die zat in de koeienhandel, ik denk dat ik van hem een beetje de handelsstreken heb geleerd. Die had acht kinderen en alleen maar een fiets. Dan ging hij de boeren af, koeien kopen op de fiets, te voet halen, en dan op de wagen, het paard ervoor en naar Den Bosch naar de markt. Ik ging mee met ome Grad, een jaar of 7 was ik, naar zijn verhalen luisteren allemaal he. Wij kochten veel paarden ook, op de markten, in Utrecht, in Den Bosch. Heel veel Poolse paarden, van Bob de Mol, de gebroeders De Klipper.”

 

“Ik deed het graag, ik had voorbeelden, dan is het ook leuk. Maar ja, als je jong bent, maak je ook veel fouten. Je koopt bijvoorbeeld meer als dat je kunt kopen. Ik verkocht een pony’tje, daar won ik 900 gulden aan, dat was schandalig veel. Toen dacht ik: ik ben een echte handelaar. Reed ik naar Heeswijk, kocht ik een paard met bolspat, verloor ik er 1000 gulden op. Mijn vader zei altijd: kijk maar wat je doet.”

Kees een jaar of 16 met een ponyhengstje

Kees van den Oetelaar en zijn broers en zus groeiden op, vader Dorus startte met de manege: “Ik denk in 1970 ongeveer. We zijn er heel langzaam ingegroeid, ongemerkt bijna. Wij hadden melkkoeien, dat was vooral ons moeder haar ding. Ons vader werkte dan op een proefbedrijf van aardbeien, daar moest de grond met het paard bewerkt worden. Plus dat ie handelde. De eerste stal hebben we met ons allen zelf gebouwd van houten munitiekistjes uit de oorlog. Daar konden vijftig paarden in, in stands, tussen balken. Lesklanten kregen we uit Schijndel, bij ons kwamen vroeger heel veel soorten mensen. Van dokters tot ministers tot kampers, Amsterdammers, muzikanten, noem maar op. En ik kwam ook overal.”

Kees van alle markten thuis

De familie Van den Oetelaar maakte natuurlijk van alles mee, ook onschuldige voorvallen: “Ons vader was met een paard aan het ploegen waar een veulen bij liep. Onze Wim en ik hadden dat veulen al soort van mak gemaakt, die hebben we in een soort van hondenkar gezet, en zo liepen we hem tegemoet, trots natuurlijk dat we dat konden. Nou, ik heb hem nog nooit zo vlug zien worden. De merrie hinnikte naar het veulen, en andersom, en voordat we het wisten ging het hele spul op hol. Ach, mijn vader legde een paard plat op het gras, met twee planken erover en daar moesten wij dan overheen fietsen. Dat leerde hij zijn paard. Vroeger waren ze altijd met paarden bezig, leerden ze paarden van alles. Nou niet meer. Veel slechter vind ik, alles is nou uniform.”

Kees van den Oetelaar als jonge, stijlvolle springruiter

In de tijd van opgroeien was het leren van de ervaring: “Ik verkocht een pony aan een baron, een boom van een kerel, die woonde in Grave. De pony was goed getuigd en hij zei: ik moet nog vijftien goed betuigde pony’s meer hebben. Maar ik wilde te vlug, wilde het te fabrieksmatig doen, en dat gaat een keer fout. Had ik een pony, die was twee keer in het tuig geweest, hij komt bij ons, gaat mee op de bok en zegt: laat hem maar eens draven Keesje. Die pony kijkt om, ziet die grote mens zitten, schrikt en slaat op hol. De baron viel er bijna vanaf, sloeg de armen om me heen, en toen zijn we met het hele span in een brandkuil vol water beland. Ik heb die mens nooit meer gezien. Tja, te vlug geld verdienen gaat ook niet.”

Ons vader Dorus van den Oetelaar, hij overleed in 1991

Van ietsje later is het volgende voorval: “Ons vader en ik hadden gezien dat er een stuk of 10 jonge Estebans in de wei liepen in een polder bij ons in de buurt. We waren erachter gekomen dat die van een autohandelaar waren, maar die konden we nooit bereiken. Hij ging altijd op stap, dat wisten we en ons vader zei: die moet je op gaan zoeken in de kroeg. Ik heb er bijna een week over gedaan voordat ik hem gevonden had, dat was in een club. Daar met hem in gesprek gekomen en gevraagd of hij paarden had? Ja, dat had hij, in de polder. We zijn er ’s nachts naartoe gereden, we hebben met de lamp geschenen en ik heb ze in één koop gekocht. Uit die koppel hebben er zeker 6 of 7 internationaal gelopen.”

En zo heeft Kees van den Oetelaar nog voor uren en uren stof. “We zijn er nog lang niet, dit was het gedeelte over de familie van lang geleden. Daar hoort natuurlijk een vervolg aan, meer over de tijd van vandaag. Daar gaan we het de volgende keer over hebben.”