De familie van Kees van den Oetelaar deel 1

De familie van Kees van den Oetelaar deel 1

Kees van een Oetelaar heeft eerder in Nieuws.horse al verteld over Concorde, over Verdi, over de keuringen, zijn handel, de veilingen en de hengstenhouderij. De oppervlakkige beschouwer zou het niet zeggen maar Kees van den Oetelaar is meer dan alleen handelaar, hengstenhouder, fokker, opfokker, paardenman of noem maar op. Hij is ook iemand die graag terugkijkt hoe het allemaal zo ontstaan is, met interesse in de geschiedenis. Op een gevoelige manier, met emoties, met lachen ook om de schelmenstreken van vroeger. Kees verklaart veel door zijn familie erbij te betrekken: “We hebben een abnormale familieband als het erop aankomt.”

Ook dat is een onvermoede kant van Kees van den Oetelaar: foto-albums. Van vroeger. Een paar maar van zichzelf, een heleboel van de familie. En met het bekijken van de foto’s komen ook de verhalen. En komt zijn eigen manier van denken naar voren, hoe hij geworden is wie hij is. “Mijn vader Dorus kwam uit een gezin van veertien kinderen, waarvan twee aangenomen kinderen. Dat kwam omdat de zus van mijn oma heel vroeg gestorven was en dan kwamen de kinderen bij ons. Zodoende heb ik altijd twee ome Jannen gehad en twee ome Tonen. Die woonden allemaal op een achteraf gelegen zandstraat, op heel slechte heigrond. Mijn opa was altijd aan het werk, in Duitsland en België grasmaaien, met de schop de Zuid-Willemsvaart mee uitgraven. Oma was thuis en deed de boerderij, met een gehandicapt kind erbij. In Schijndel, waar de manege nou staat, daar zijn ze allemaal geboren.”

De familie Van den Oetelaar in de jaren ’20, linksonder Doruske, de vader van Kees. Kees noemt zo de namen op.

“Het gezin vroeger bestond uit paardengekken, dat zat erin. Heel hardwerkende mensen, met een abnormale familieband als het erop aankwam. Dat heb ik gemerkt in onze familiereünie laatst aan mensen die ik al veertig jaar niet meer gezien had of nooit gezien had. De familie stond bij ons enorm hoog in het vaandel. Kwam je aan de een, dan kwam je ook aan de ander.  Als ergens iets onterecht was, dan gingen mijn vader en zijn broers ernaar toe en dan gingen ze het afwerken. Mijn ome Jan, de vader van mijn neef Bert, was de heetste. Als het een paard was, dan heette die Hickstead. Ik was trots dat ik hem als oom had, voor de duvel niet bang, meteen erop timmeren, direct, niet afwachten.”

Ome Jan op concours in Schijndel met Bobby

“Door die sferen heb ik vroeger heel veel sterke verhalen gehoord. Zo ging dat. We hadden natuurlijk geen televisie of telefoon, het ging avonden lang over paarden en elkaar sterke verhalen vertellen. Heel hardwerkende mensen waren het. En het waren paardenmensen, paardengekken. Wel paardenhandelaren, maar geen geldverdieners. In elk geval waren ze altijd met paarden bezig. Op het land, op concoursen, naar de markten, noem maar op. Ze kochten ook paarden die een ander niet klaarkreeg. En werken op het land, plus sporten. Liefst geen te zware paarden, bloed moest erin zitten, liefst Volbloed en tegen het volbloed aan. Ze hebben allemaal paardgereden, ome Jan heeft denk ik wedstrijden gereden tot ie 64 was. Mijn opa is doodgegaan in 1966, toen hij 82 was, mijn oma is 94 geworden. Die woonden bij ons, en de gehandicapte broer ook.”

Vader Dorus won een military met de Anglo-Arab Bobby

“Onze familie is een paardenfamilie die van bloedpaarden hield. Mijn vader en zijn broers hadden een hekel aan een Gelders paard, dat hebben wij meegekregen. Groningse paarden hadden meer temperament. Op de kleigrond moesten ze veel heter en sterker zijn dan op de zandgronden, dat zie je overal terug, in Frankrijk, Duitsland, Ierland, noem maar op. Daarom kwamen de beste paarden uit het noorden. Een Groninger was niet lui, een Gelders paard was lui. Op de kleigrond moest je power hebben. Dat werkt nou nog door, dat zit in de genen, generaties lang.  Ons vader dekte vroeger met volbloeds als Erastothenes, Cobblers Thread, Hanassi, Millerole, Robert a Lee, de vader van Rex the Robber.”

Ome Jan met de Volbloed Norton op de zandweg voor de boerderij: de hindernis stond er vast, werd gebruikt om paarden te demonstreren

Het kon allemaal bij ons, iedereen was welkom. In de oorlog heeft mijn vader met een deserterende Duitser, met een Engelse soldaat en met een jood bij ons thuis in schuilkelders gewoond, zonder dat ze van elkaar wisten dat ze daar waren. Hans Cohen heette de een, dat weet ik nog omdat die later nog elk jaar bij ons thuis kwam. In die oorlogsjaren hebben mijn vader en zijn broers een paard gestolen van de Duitsers, ik denk dat ze was achtergelaten omdat ze een blessure had. Mijn vader heeft de merrie verborgen onder een houtmijt, en na de oorlog is ze nog 27 jaar bij ons geweest. Mijn vader heeft altijd gezegd dat Bobby een Frans paard was, een Anglo-Arab. Hier in de omstreken was het een heel bekend paard, waarmee mijn vader military’s won. Hij zei altijd toen ik nog klein was: ik zou heel graag willen dat je ooit op Bobby gereden had, dan voel je pas wat een goed paard is.”

Toen de paarden nog van alles moesten kunnen

“In die sferen ben ik, zijn wij, heeeel ouderwets opgevoed. Geen luxe. Buiten naar de wc, daar stond zo’n hokje. Maar terugkijkend: ouderwets, da’s het mooiste wat er is. Bij ons thuis kennen ze allemaal het oude boerenwerk nog, allemaal.” Kees groeide op in een gezin met broers Wim en Rien en zus Carolien. Wim stierf in 2006, Rien vlak voor de jaarwisseling van 2018. Volgens opa en bij ons thuis zou Wim de handelaar moeten worden. Hij was sterk en groot en slim, kon niet liegen….nee, dat kon ie niet. Hij kon ook niet overdrijven. Hij werd wel handelaar, maar anders dan ik. Hij was geen marktmens, ik wel. Daarom pasten wij zo goed bij elkaar. En Rien deed de manege. Wim deed de paarden halen en wegbrengen en lesgeven, goed rijden ook.”

Wim van den Oetelaar

“Ik deed de handel, ik was geen manegehouder, hoewel ik dat vroeger wel allemaal moest doen. Carolien reed ook. Toen Wim dood was, ging ik vaak vroeg naar bed, dromen van Wim. Dan genoot ik van de verhalen die we vroeger meegemaakt hadden. Het gekke is: sinds Rien dood is, heb ik nooit meer gedroomd. Dat adviezen vragen aan elkaar: dat mis ik gruwelijk, dat is niet uit te leggen. Als we opstonden, overlegden we altijd wat we gingen doen, we wisten dat allemaal van elkaar. Carolien en ik zien elkaar zeker een keer of vijf in de week nou. Zij houdt de familie bij elkaar, een sterke persoonlijkheid. Ik heb zelf zeven kinderen van vier vrouwen, maar ik weet zeker: als ze bij elkaar zijn, dan zijn ze gek met elkaar. Daar zit ik niet over in dat dat niet goed is. Weet je, dat is allemaal niet te koop.”

Begiin jaren ’60: rechtsonder Kees, linksonder Carolien, links staand Rien, op de pony Wim

Kees groeide op in de familie- en verhalensfeer: “Ik heb heel veel geluisterd. Ik had een oom Grad, die was getrouwd met een zuster van ons vader. Die zat in de koeienhandel, ik denk dat ik van hem een beetje de handelsstreken heb geleerd. Die had acht kinderen en alleen maar een fiets. Dan ging hij de boeren af, koeien kopen op de fiets, te voet halen, en dan op de wagen, het paard ervoor en naar Den Bosch naar de markt. Ik ging mee met ome Grad, een jaar of 7 was ik, naar zijn verhalen luisteren allemaal he. Wij kochten veel paarden ook, op de markten, in Utrecht, in Den Bosch. Heel veel Poolse paarden, van Bob de Mol, de gebroeders De Klipper.”

 

“Ik deed het graag, ik had voorbeelden, dan is het ook leuk. Maar ja, als je jong bent, maak je ook veel fouten. Je koopt bijvoorbeeld meer als dat je kunt kopen. Ik verkocht een pony’tje, daar won ik 900 gulden aan, dat was schandalig veel. Toen dacht ik: ik ben een echte handelaar. Reed ik naar Heeswijk, kocht ik een paard met bolspat, verloor ik er 1000 gulden op. Mijn vader zei altijd: kijk maar wat je doet.”

Kees een jaar of 16 met een ponyhengstje

Kees van den Oetelaar en zijn broers en zus groeiden op, vader Dorus startte met de manege: “Ik denk in 1970 ongeveer. We zijn er heel langzaam ingegroeid, ongemerkt bijna. Wij hadden melkkoeien, dat was vooral ons moeder haar ding. Ons vader werkte dan op een proefbedrijf van aardbeien, daar moest de grond met het paard bewerkt worden. Plus dat ie handelde. De eerste stal hebben we met ons allen zelf gebouwd van houten munitiekistjes uit de oorlog. Daar konden vijftig paarden in, in stands, tussen balken. Lesklanten kregen we uit Schijndel, bij ons kwamen vroeger heel veel soorten mensen. Van dokters tot ministers tot kampers, Amsterdammers, muzikanten, noem maar op. En ik kwam ook overal.”

Kees van alle markten thuis

De familie Van den Oetelaar maakte natuurlijk van alles mee, ook onschuldige voorvallen: “Ons vader was met een paard aan het ploegen waar een veulen bij liep. Onze Wim en ik hadden dat veulen al soort van mak gemaakt, die hebben we in een soort van hondenkar gezet, en zo liepen we hem tegemoet, trots natuurlijk dat we dat konden. Nou, ik heb hem nog nooit zo vlug zien worden. De merrie hinnikte naar het veulen, en andersom, en voordat we het wisten ging het hele spul op hol. Ach, mijn vader legde een paard plat op het gras, met twee planken erover en daar moesten wij dan overheen fietsen. Dat leerde hij zijn paard. Vroeger waren ze altijd met paarden bezig, leerden ze paarden van alles. Nou niet meer. Veel slechter vind ik, alles is nou uniform.”

Kees van den Oetelaar als jonge, stijlvolle springruiter

In de tijd van opgroeien was het leren van de ervaring: “Ik verkocht een pony aan een baron, een boom van een kerel, die woonde in Grave. De pony was goed getuigd en hij zei: ik moet nog vijftien goed betuigde pony’s meer hebben. Maar ik wilde te vlug, wilde het te fabrieksmatig doen, en dat gaat een keer fout. Had ik een pony, die was twee keer in het tuig geweest, hij komt bij ons, gaat mee op de bok en zegt: laat hem maar eens draven Keesje. Die pony kijkt om, ziet die grote mens zitten, schrikt en slaat op hol. De baron viel er bijna vanaf, sloeg de armen om me heen, en toen zijn we met het hele span in een brandkuil vol water beland. Ik heb die mens nooit meer gezien. Tja, te vlug geld verdienen gaat ook niet.”

Ons vader Dorus van den Oetelaar, hij overleed in 1991

Van ietsje later is het volgende voorval: “Ons vader en ik hadden gezien dat er een stuk of 10 jonge Estebans in de wei liepen in een polder bij ons in de buurt. We waren erachter gekomen dat die van een autohandelaar waren, maar die konden we nooit bereiken. Hij ging altijd op stap, dat wisten we en ons vader zei: die moet je op gaan zoeken in de kroeg. Ik heb er bijna een week over gedaan voordat ik hem gevonden had, dat was in een club. Daar met hem in gesprek gekomen en gevraagd of hij paarden had? Ja, dat had hij, in de polder. We zijn er ’s nachts naartoe gereden, we hebben met de lamp geschenen en ik heb ze in één koop gekocht. Uit die koppel hebben er zeker 6 of 7 internationaal gelopen.”

En zo heeft Kees van den Oetelaar nog voor uren en uren stof. “We zijn er nog lang niet, dit was het gedeelte over de familie van lang geleden. Daar hoort natuurlijk een vervolg aan, meer over de tijd van vandaag. Daar gaan we het de volgende keer over hebben.”

 

 

 

Lucie Louws: ik maak zulke mooie dingen mee met dit paard, dat is onbetaalbaar

Lucie Louws: ik maak zulke mooie dingen mee met dit paard, dat is onbetaalbaar

Lucie Louws rijdt in Hickstead voor het eerst in het Nederlandse team. Met haar eigen Evito, zelf opgeleid, met dank aan Leunus van Lieren. En aan vader Tinus Louws, die thuis de boel bereddert en mee op wedstrijd gaat. De amazone uit het Zeeuwse Oostkapelle meldt zich met Evito steeds nadrukkelijker in de top, wat niet onopgemerkt blijft: het is maar de vraag hoelang ze de bedragen kan weerstaan die geboden worden voor de aparte zoon van Sir Oldenburg…..

“Ik zeg niet nooit, maar ik moet er nou ff niet aan denken,” vertelt Lucie als het gaat over de belangstelling voor haar paard. Maar daarover straks meer. Want het verhaal begon ergens en kreeg een vervolg op een manier die veel mensen zal inspireren. Natuurlijk kreeg ze als peuter van 4 haar eerste eigen pony’tje thuis in Oostkapelle, waar haar vader een aannemersbedrijf had: “Een verschrikkelijk stoute pony was dat, ik ben er zowat elke dag vanaf gevallen, een drama. Maar gelukkig kwam een paar jaar later een andere pony, een D-pony, en daarmee ben ik in anderhalf jaar tijd van de B naar het Z2 gereden. Ik sprong wel eens wat thuis en op de club, een crossje soms, en heel veel door het bos en op het strand, maar op de wedstrijden was het toch dressuur.”

Vader Tinus Louws was al een paardenliefhebber, ruiter ook, en die fokte een veulentje dat Lucie’s eerste paard zou worden: “Toen ze drie was, heb ik haar zelf zadelmak gemaakt, ik geloof dat ik een jaar of 14 was. Een jonge Belasco was het, uit een moeder van Fleuri du Manoir, via hengstenhouder André de Buck. Ieria heette ze, en met haar ben ik in een jaar tijd van B naar het Z gereden, ik was toen een jaar of 15 of 16, ergens rond 1995. Juniorenwedstrijden heb ik ook met haar gereden.” Ook het volgende paard was geen kant-en-klare: “Nee, een jonge hengst, die kochten we toen hij nog geen drie was, en ook die heb ik zelf zadelmak gemaakt. Lars heette hij, een Michelangelo uit een tuigpaardmerrie van Monarch. Zadelmak maken, dat vond ik toen wel het leukste, dat heb ik heel veel gedaan. Inmiddels niet meer trouwens. Ik ben met Lars tot en met het Z2 gekomen, ik geloof tot 50 winstpunten want ik ben niet zo heel snel tevreden, stap niet zomaar over naar de volgende klasse.”

Wat heerlijk om een toppaard als Evito zo beweging in zee te geven

Na een periode bij Johan Rockx ging ze lessen bij Leunus van Lieren: “Ik had na de middelbare school in Middelburg een makelaarsopleiding gevolgd en toen ben ik bij mijn vader zes jaar in zijn aannemersbedrijf gaan werken. Af en toe kon ik natuurlijk wel tijdens werktijd met de paarden bezig zijn maar ik moest echt wel mijn uren maken. Toen hij het bedrijf verkocht, ben ik daar ook gestopt. Ik heb een jaar bij de post gewerkt: post bezorgen, bij de TPG zoals dat toen heette. Op het moment dat ik daar een jaar gewerkt had, moest ik op kantoor komen: ze wilden misschien wel het contract verlengen voor een jaar. Nou, heb ik gezegd, laat maar. Ik loop naar buiten, en precies op dat moment belde Leunus me op: of ik niet wat paarden voor hem wilde rijden. Dat heb ik een jaar of 6 of 7 gedaan voor halve dagen.”

“Bij Leunus veel geleerd? Heel veel! Heel veel jonge paarden rijden, zeker de eerste jaren. En ik bracht ook wel eens een paard uit van daar. Jonge paarden beleren, dat was echt mijn ding. En ik heb heel veel goede tips van Thamar Zweistra gehad. Op een gegeven moment komt Leunus thuis met de vrachtwagen, met een nieuw paard: heel veel herrie, wij wachten met een houding van: wat staat daar nou toch in? Een Rubiquil x Farmer was het, die vond ik gelijk zo leuk! Een paard dat heel veel geduld nodig had. Zion was bij een boertje gefokt, was als veulen uit een brandende stal gesleept. Ik dacht: ik krijg dat goed. En dat is voor een gedeelte gelukt. Ik kon hem kopen van Leunus omdat het een paard was met heel veel tics en trauma’s. Ik was de enige die hem uit de stal kon halen, het was er een met gebruiksaanwijzing. Ik ben met hem tot en met de Inter II gekomen, met les van Leunus. Helaas kreeg hij een ongeluk in de paddock, gleed uit, met de pezen van het achterbeen losgescheurd van het bot.  We hebben hem in moeten laten slapen.”

“Toen had ik inmiddels wel Evito op stal staan, gekocht toen ie bijna 4 was, van Sonja van der Putten. Ik reed al een paard voor haar en toen Evito uit de opfok kwam, vroeg ze: wil je deze ook niet gaan rijden? Leuk, gaan we doen! Zo reageer ik dan. Al heel snel vond Sonja dat het tijd werd om hem te verkopen, en ’s avonds stond ie op internet. Hij was drie jaar, dus toen nog te betalen. Mijn vader zag het eerst niet zo zitten: niet te groot, drie witte benen, apart hoofd. Ik heb Sonja laten filmen en dat heb ik mijn vader laten zien na een paar dagen. Doe maar een bod, zei die. Ik wist vanaf de eerste dag dat het echt mijn paard was, en dat het een goede zou worden wist ik binnen een week of drie of vier. Als ik mijn been aanlegde, voelde je hem zo van achteren beginnen. Bij de Pavo keken ze hem trouwens niet aan, daar werd ie afgekraakt: hij zou geen talent voor de verzameling hebben.”

“Toen ie 4 was, ben ik er een keer naast gaan staan met een zweepje, gewoon om even te kijken wat hij zou doen. Na drie minuten piaffeerde hij al een aantal passen, ik wist wel wat ik in huis had! Ook als ik een buitenrit maakte en ergens even moest wachten: piafferen zonder dat ik dat vroeg. Nou ben ik niet zo’n wedstrijdruiter, ik ben niet het type dat elke week van huis gaat om proefjes te rijden. Met m’n pony en mijn eerste paard wel, daarna veel minder. Zeker met Evito was het anders: dit zou een grote worden, dat wist ik zeker. Ik heb hem voor het eerst gestart toen ie 7 was, in de Prix, meteen 69% en gewonnen. Sven Rothenberger jureerde, en ik geloof Jan Peters.”

“Ik heb Evito twee of drie keer lichte tour gestart, een keer Inter I, Inter II een paar keer, en toen ie acht was heb ik hem in de Grand Prix gestart. Dat was meteen een succes, eerste met 70%. En toen internationaal. Dat gaat elke keer beter, maar ze moeten je wel leren waarderen, niemand kende mij. Ik heb ook wel eens 64% gereden dat ik dacht: hoe kan dit? Volgens mij is het toch wel 70% waard! Zo werkt het, helaas. In Lier kreeg ik 69%, toen vond de bondscoach ook dat het ondergewaardeerd was. Dat is ook een reden dat ik niet heel graag wedstrijden rijd. Ik ben een echte eenling, rijd altijd alleen thuis, hoor niet bij een bepaald clubje. Ik rij ook niet met een oortje rond op het losrijterrein, ben niet iemand die elke seconde gecoacht wil worden. Je ziet tegenwoordig niemand meer zonder oortje, iedereen heeft een trainer aan de kant staan. Maar voor mijzelf werkt dat niet.”

Vader Tinus Louws heeft een bijzondere plaats in de ontwikkeling van dochter Lucie, die met haar vriend in de vakantiewoning bij het ouderlijke huis woont: “We zijn eigenlijk maatjes. Zonder mijn vader had ik het allemaal niet gekund. We hebben geen personeel, hij is de hele dag bezig met voeren, uitmesten, onderhoud, zorgen dat de bak er netjes bijligt, noem maar op. En hij gaat altijd mee op wedstrijd. Af en toe zegt ie iets korts, even een knikje, dat is genoeg. Met een flesje water aan de kant, slokje water? En hij filmt alle proeven. Toen hij in het ziekenhuis lag, was hij er een keer niet bij, dat was toch anders op wedstrijd gaan. We vieren de successen ook samen, hij zegt dan: weet ik ook weer waarom ik met die kruiwagens rondsjouw.”

Vader Tinus en dochter Lucie Louws

Binnenkort volgt de landenwedstrijd in Hickstead, met dit seizoen Saumur en Exloo achter de rug: “In Exloo was het heel warm, maar het was een heel mooi concours, goed georganiseerd met een mooie baan. In de Grand Prix had ik wat meer punten verwacht, maar ik was heel tevreden met de uitslag van de kür en hoe het ging. In Saumur had ik net de kür, ik had er niet veel mee kunnen oefenen. De proef had ik zelf gemaakt, dat had ik ook niet eerder gedaan. Charles Montery heeft de muziek gemaakt. Vlak voor Saumur kreeg ik de kür, ik achter computer, ik kreeg echt tranen in de ogen, zo gaaf. Die emotie kreeg ik weer terug in Exloo, een heel bijzonder gevoel. Ik was zo in mezelf lekker aan het rijden…..na een onderdeel of zes dacht ik: oh ja, ik ben wel op wedstrijd. Dat had ik nooit eerder meegemaakt. Maar het kan nog zoveel beter….met meer expressie.”

Lucie Louws leeft van het paardrijden, van het les geven en clinics verzorgen, van het rijden van paarden voor eigenaren: ”Ik heb het basis-diploma gehaald, om een soort van bevoegd te zijn, dat is ook nodig om verenigingslessen te kunnen geven. Nou geef ik vooral privéles, thuis en op locatie. En af en toe een clinic, dat zou ik wel meer willen doen. Wat veel instructeurs niet doen, doe ik wel: ik stap best wel eens op een paard in de les. Je ziet niet alles vanaf de grond, en als ik het gevoeld heb, kan ik een leerling nog beter helpen. Daarbij heb ik het geluk dat ik heel snel een paard kan laten veranderen in korte tijd. En zo heb ik leerlingen van B tot en met lichte tour-niveau.”

En dan is het de vraag hoe het verder gaat met Evito: “Waar eindigt het? Ik weet het niet, ik ben benieuwd. Ik weet elk dat hij elke week verbetert….En er is heel veel vraag naar hem, vanuit alle kanten, uit allerlei landen. Na Saumur, na Exloo, tja, je beste paard kun je altijd verkopen. Het gaat over echt heel veel geld, daar heb ik slapeloze nachten van. Financieel gezien zou het heel verstandig zijn. Maar ik maak zulke mooie dingen mee met dit paard, dat is onbetaalbaar. Het brengt mij zo veel. Ik zeg niet nooit, maar ik moet er nou ff niet aan denken…..”

Joan Scharffenberger: we gaan het zien wie gaat winnen, leuk!

Joan Scharffenberger: we gaan het zien wie gaat winnen, leuk!

Nieuws.horse heeft weer een leuke actie: een springles van niemand minder dan Joan Scharffenberger!  Joan was Amerikaans kampioen bij de hunterklassen, en ze was ook een vaste waarde in het Amerikaanse springteam met de legendarische Victor, waarmee ze onder andere twee keer de Nations Cup won in Aken, het grootste concours ter wereld. Sinds 1990 woont ze in het Noord-Limburgse Ottersum met haar man Wiljan Laarakkers en twee zoons die uitgevlogen zijn. Joan begeleidt een beperkt aantal mensen en wil voor Nieuws.horse graag ruimte maken bij haar thuis voor een inspirerende springles!

Zo rustig en bescheiden als Joan nu overkomt, zo fanatiek was ze in haar jongere jaren. Ze groeide op in de heuvels rond Los Angeles in een ondernemersgezin met vier broers en een zus, met Joan als ruim de jongste. In het paardvriendelijke dorp was het verplicht om een ruiterpad om je huis heen te hebben en in die sfeer begon Joan als peuter al met western rijden, en dan vooral barrel racing: zo snel mogelijk om de opgestelde tonnen heen: “Daar kregen we geen les in, dat deden we gewoon. Plat door de bocht, prachtig was dat. Toen ik een jaar of 7 of 8 was, ben ik voor mezelf gaan springen met mijn paardje, een kruising tussen een quarter en een volbloed. Want pony’s waren er nauwelijks. Zonder zadel, soms op een paardje van de buren, ook op een ezel, het maakte niet uit. Les kreeg ik op een gegeven moment van een trainster uit het dorp, zij gaf les in alle disciplines, ze was een soort cowboy. Judy Martin werd mijn eerste echte trainer, daar moesten we een half uur voor rijden en mijn paard moest daar op stal. Zij vond voor mij een nieuwe quarter X volbloed, dat was gewoon in die tijd, er waren geen Europese paarden. Op m’n 9e heb ik met haar begeleiding de eerste springwedstrijd gereden. Dat kon omdat ik best lange benen had.”

Ponyrijden met een nichtje eind jaren ’60 in California

Toen Joan een jaar of 11 was, zagen haar ouders wel dat de ambitie serieuze vormen begon aan te nemen. Ze volgde clinics bij George Morris en Rodney Jenkins, de grootste namen in de Amerikaanse springsport: “Moeder vond dat we alles moesten doen wat we konden om verder te komen. En ik wilde zoveel leren als ik maar kon. Ik ben lang bij Judy Martin blijven lessen, dat kon met wat carpoolen wel gecombineerd worden met school. Maar op een gegeven moment moesten we voor de doorstroming toch naar het Oosten, daar werd bij voorbeeld de equitation finale gehouden.” Dat werd het nieuwe doel voor de junior Joan Scharffenberger, die op stal kwam bij George Morris in New Jersey maar dat combineerde met haar school thuis in Californië. Die maakte ze in record-tempo af, gedreven als ze was om in de springsport iets te bereiken.

Joan Scharfffenberger in de typische hunterstijl, winnaar van het Amerikaans kampioenschap

Met het diploma op zak verhuisde ze onmiddellijk naar het Oosten en won ze de Equitation finale van de beste 500 deelnemers uit het hele land: “Voor veel deelnemers was dat het einddoel, maar voor mij niet. Ik was al een keer met het Amerikaanse juniorenteam in Frankrijk uitgenodigd geweest, dat was een andere wereld.” De getalenteerde Joan kreeg Silver Exchange te rijden, de volbloed waarmee Katie Monahan op het hoogste niveau reed. Vanaf toen reed ze wereldbekerwedstijden. En ze begon een studie geschiedenis en economie op de Georgetown universiteit in Washington, die ze later afmaakte, gecombineerd met wedstrijden vanaf elke donderdag in Florida.

Het gouden USA team: Debbie Dolan, Katie Prudent, Joan Scharffenberger en Anne Kursinski

“Naast Silver heb ik veel jonge paarden gereden, uiteindelijk heb je er altijd wel een in opleiding. Eentje was Winnipeg, die stopte met een man, ik dacht dat hij pijn in de rug leek te hebben. Uiteindelijk heb ik hem toch gekocht. Of Dominca van Ans Rouweler, die stopte ook maar ik geloofde erin.  Met die moeilijke paarden heb ik best veel gewonnen maar ik zocht toen toch naar een iets makkelijker paard. Dat werd Victor, 1.59 groot. Marlene Sinclair, een vriendin van mij, reed Victor toen hij 5 of 6 was. Ik kocht hem van haar op zijn 7e. George Morris geloofde er niet echt in. Haar trainer Norman Dello Joio wel. Jan Greve heeft Victor gefokt. In Nederland hadden allerlei grote handelaren hem op stal gehad maar ze hebben toch niet echt de potentie gezien. Ik begon rustig op 1.30/1.40, op z’n 7e. En als snel won hij op bijna elke wedstrijd in Europa speedrubrieken als tweede of derde paard. Vanaf zijn 8e heeft hij in landenwedstrijden bijna alleen maar 0 gelopen. Met Debby Dolan, Anne Kursinski en Katie Monahan hadden we wel een sterk meidenteam. En Victor werd tweede in de Grote Prijs van Calgary, dat was ook wel een mooie uitslag.”

In 1990, na de Wereldruiterspelen in Stockholm, verhuisde Joan met haar paarden naar Ottersum naar haar liefde Wiljan Laarakkers, die ze in de wereldbekercircuits had leren kennen. Joan begon met Wiljan een eigen springstal. Met Victor reed ze tot en met 1992: “In de aanloop naar de Olympische Spelen in Barcelona moesten we in Amerika selectiewedstrijden rijden. George Morris was zo aardig om voor mij een heel klein stalletje te huren, want ik moest het zelf betalen allemaal. Op de laatste wedstrijd in Devon ging het mis. De modder daar was zo diep, Victor struikelde aan het eind en kwam op drie benen door de finish. Ook de beroemde Gem Twist werd daar uitgebeld. Daarna heb ik in Ottersum twee jaar lang aan zijn revalidatie gewerkt.”

Joan Scharffenberger met Victor en Joe Fargis met de even legendarische Abdullah

Joan ging voor het eerst in haar leven ‘landelijk’ rijden om de jonge paarden op te leiden: “In Amerika is het opleiden van jonge paarden peperduur. Je betaalt voor een weekend op concours zo 1000 dollar. In Nederland is dat anders. Op het Limburgs kampioenschap in Ottersum ben ik zelfs kampioen in het Z geworden met een paard dat we samen met Ger Poels hadden. En tegenwoordig heb je hier elke dag in de buurt wel een wedstrijd.” Daar rijdt Wiljan maar ook begeleidt Joan de leerlingen die op stal staan: diverse uit Nederland maar ook mensen uit Turkije. Op de stal in Ottersum wordt ook gefokt, bij voorbeeld met Lois Lane, die eerder verhuurd was aan Dominique Roelofsen. Twee nakomelingen van Numero Uno lopen al onder Wiljan, een derde van Cornet Obolensky komt eraan: “Nederland heeft een supermooi mengsel in de fokkerij met van alles en nog wat qua bloed. Ik hoop dat mensen in Nederland zien dat België iets vooroploopt met power en scope, die doen het erg goed. Maar mijn hart zit toch bij het Nederlandse paard, ik denk, dat komt wel goed omdat alles gemixt is.”

Joan Laarakkers-Scharffenberger

Joan Laarakkers-Scharffenberger

En dan nu de springles thuis in Ottersum: “Het maakt niet uit wie er wint, het is leuk om iemand te begeleiden naar een betere prestatie, het niveau maakt niet uit. Ik ben zelf begonnen in de hunterklassen in Amerika, dat is een heel fijne manier van paardrijden.  Maar ik begeleid ook leerlingen op een veel hoger niveau. We gaan het zien wie de actie gaat winnen, leuk!”

Esther Haverkate: na hindernis 2 weer lachend naar huis

Esther Haverkate: na hindernis 2 weer lachend naar huis

Esther Haverkate-Schipper was de gelukkige winnares van de Nieuws.Horse LIVE actie! Ze won voor Jumping Twente in Geesteren een compleet mediapakket inclusief een banner, redactionele aandacht en een dag uitzending van het concours op 11 juli. De moeder van springamazone Puck Haverkate heeft ambitieuze plannen met het gebruik van het terrein dat vroeger Erve Maathuis heette.

De hele familie Haverkate zet zich in om van Jumping Twente een succes te maken. Esther zelf, haar man Bob vooral als liefhebber van de sport, dochter Puck en zoon Maxim, hoewel die verder niks met paarden doet. “En ik mag Sini en Gerrit Hagenvoort van het secretariaat en de omroep niet vergeten, want zonder hun inzet zou het allemaal niet kunnen. Gelukkig zijn er ook veel vrijwilligers die ons helpen, zelfs mensen die hun vrije dagen zo plannen dat ze de hele dag bij onze wedstrijden actief kunnen zijn,” zegt Esther.

Uit Almelo komt ze, waar ze in de buurt bij de toenmalige manege Rootveld als klein meiske midden jaren ’70 begon te rijden: “Mijn moeder had ook al gereden, dus dat zat er wel een beetje in. Op m’n zevende kreeg ik mijn eerste eigen pony, en daarna was het eigenlijk het normale verhaaltje wat zoveel kinderen en hun ouders meemaken. Heel veel vallen en opstaan en uiteindelijk toch een goede match met een pony waardoor ik tot in het Z gesprongen heb. Geen grote resultaten hoor, alleen hobbymatig. Bij de vereniging Sint Hubertus in Harbrinkhoek, elk weekend op concours. Ik zit nog steeds in het bestuur daar, en ook in de organisatie van een tweedaags concours in het voorjaar in Almelo op het terrein van de Looleeruiters.”

Esther ging over naar de paarden, bleef hobbymatig rijden, deed intussen de meao en de hotelschool “en toen kwamen man en kinderen en heb ik het hele spul verkocht. Eigenlijk heb ik zelf daarna nooit meer echt gereden, ja, heel af en toe een 40+-wedstrijd later, dat wel,” blikt ze nu terug. Dochter Puck ging al snel naar de manege, waarbij de handigheid van rijden niet lang daarna opviel: “Ja, al vrij snel kwam er een mevrouw van wie de dochter met rijden gestopt was: of Puck haar pony niet kon rijden. Dus ik met Puck en de pony op concours, in eerste instantie alleen dressuur want ze was in het begin niet zo’n held. De pony was een beetje lastig, behoorlijk zelfs: na hindernis 2 snel naar de uitgang, zo’n soort pony. Maar ja, Puck was toen helemaal gek van die pony, en maar doorgaan, ze zou het wel voor elkaar krijgen. En ik ging trouw mee, heb het haar zelf laten uitzoeken. Na hindernis 2 weer naar de uitgang, en dan gingen we lachend weer naar huis, ja, ook Puck. In Ermelo kwam ze later huilend de ring uit omdat ze voor het eerst een keer foutloos was. En zo hebben we voor Puck nooit een eigen pony gekocht. En de trailer? Ook niet, dat zat bij de pony.”

Bob en Esther Haverkate

Puck ging op haar 16e naar de paarden en trainde paarden voor Rob Schipper, van wie ze ook les kreeg. Later reed ze nog een jaar paarden voor Stal Maathuis: “Ze heeft zelfs nog even les gehad van Jan Maathuis. En begin vorig jaar is ze voor zichzelf begonnen als zzp-er, rijdt ze vooral voor VDP Horses van Arend-Jan van der Pol in Bathmen. Onze rol is natuurlijk flink veranderd. Tegenwoordig mogen we komen kijken maar ook niet meer dan dat. Aan de kant geschoven? Nee, zo voelt dat niet. Ik ben zelf uiteindelijk in de mode terecht gekomen, onder andere als bedrijfsleider bij een grote modezaak in Almelo. En nu doe ik The Cube Shop, een shop bij een pompstation, steeds meer op catering, eten en drinken gericht. Genoeg te doen dus. Ik ben meer bestuurswerk gaan doen en we zijn ook hartstikke trots dat ze dat op eigen kracht allemaal doet. Heel af en toe help ik haar wel eens als groom als dat zo uitkomt.”

Na het faillissement van Stal Maathuis in 2015 ontstond op het terrein van Erve Maathuis op initiatief van een aantal grote ondernemers het driedaagse Jumping Twente: “Een top opgezet concours, een nationaal driedaagse, met de allure van een internationaal concours. Na twee of drie keer is dat verwaterd op de een of andere manier. We hebben er hier met veel mensen vaak over gesproken. Zo’n mooi terrein dat zo weinig gebruikt wordt dat het gras door de all weather bodem heen groeide. Een paar weken in april heb je hier de wedstrijden van het Twentse Ros Albergen, de club van Jos Brinkman, dan heb je Hippisch Geesteren van de verenging Sint-Joris, en CSI Twente.”

Drie generaties: Esther, moeder Rita en dochter Puck

“We zagen natuurlijk ook dat Puck steeds vaker door de week op wedstrijd ging. En toen we de vraag kregen om het terrein te gaan gebruiken en er wat van te maken, zijn we begonnen met twee springwedstrijden en een dressuurconcours. We? Dat is ons gezin en Sini en Gerrit Hagenvoort. Vooral Sini had al snel in de gaten dat ik bij het secretariaat hulp zou kunnen gebruiken, want dat moet goed in orde zijn en haar ervaring komt daar heel goed bij van pas. En toen kwam de eerste keer, hartstikke spannend. We zijn aan het eind van het indoorseizoen gaan zitten met een oefenwedstrijd. Nou, die zat meteen hartstikke vol, met heel veel complimenten.  Alleen van de Z-ruiters hoorden we dat ze graag het hele terrein wilden benutten en dat niet de baan opgedeeld was. Dat hebben we de tweede wedstrijd meten veranderd en nu op 16 mei hadden we meer dan 300 starts, van 8 uur tot 9 uur ’s avonds.”

Puck Haverkate met John Doe VDP

Jumping Twente is een stichting: “Met een klein aantal enorm betrokken mensen, verder niet gebonden aan een vereniging. Gelukkig kunnen we gebruik maken van alles wat er nodig is voor een wedstrijd, zoals, laptops, tijdwaarneming, omroepinstallatie, secretariaatswagen, noem maar op. Daarom kunnen we nu met sponsoring op bescheiden schaal vooruit, gelukkig doet het bedrijfsleven hier in de buurt heel goed mee. Weet je, het zijn niet de dikste bedragen maar we kunnen beter tien kleinere hebben dan één grote. En we kunnen onze vrijwilligers aan het eind van de dag iets toestoppen, ook belangrijk. Het volgende outdoorseizoen willen we elke maand een springwedstrijd houden tot en met ZZ en elke twee maanden een dressuurwedstrijd tot en met ZZ-licht. Doordeweekse wedstrijden blijven dat. En we willen proberen om de driedaagse weer in ere te herstellen, voor pony’s en paarden.”

Eerst gaan we naar donderdag 11 juli. De parcoursbouw is in handen van Tim Frielink: “Dat willen we zoveel mogelijk afwisselen om elke wedstrijd weer anders te laten zijn. Hoe laat we beginnen op 11 juli weten we nog niet, we denken nu 09.00 uur, maar dat is afhankelijk van het aantal inschrijvingen. Die verlopen via MijnKNHS. En het helpt onze plannen als we via Nieuws.horse live uit kunnen zenden. We kunnen onze sponsors wat extra aandacht geven. En TV erbij, dat geeft toch de wedstrijd iets bijzonders.”

Facebook Jumping Twente

 

Alwin Duiven: de kinderen van tegenwoordig hebben veel meer kennis

Alwin Duiven: de kinderen van tegenwoordig hebben veel meer kennis

Alwin Duiven is een van de meest gerespecteerde coaches van jonge talenten in het springen. Tegenwoordig woont hij weer in het Drentse Vledder maar zijn ervaring in rijden en begeleiden raakt landen als Zwitserland, Mexico, de Dominicaanse Republiek, China, Turkije en Israël. “De kinderen van tegenwoordig hebben veel meer kennis dan ik vroeger had op die leeftijd,” blikt hij terug.

Alwin Duiven is wars van grootspraak of op de voorgrond treden. “Twee voeten op de grond, dat blijft belangrijk, en nuchter over de dingen nadenken. En meestal op de achtergrond, daar voel ik me het fijnste” zegt de 48-jarige trainer, die in Deurne zijn opleiding kreeg. Hij kwam er als 16-jarige, na de landbouwschool. Opgegroeid in Vledder waar hij elk vrij uurtje met zijn broer te vinden was op de boerderij van Opa: “We waren jongens van buiten, van koeien, van paarden, van pony’s, dat hadden we thuis niet. Mijn vader was elektricien, hij kwam van die boerderij maar wilde toentertijd geen boer worden. Wij waren altijd met pony’s bezig, op onze manier. Wat rijden, springen, met dat wat we daar hadden, dat betekende ook zelf veel verzinnen om te gebruiken. Bij de ponyclub in Frederiksoord, dat wel, maar pas op m’n 12e. Met ons pony’tje moesten we eerst een winstpuntje halen in de b-dressuur. Dat betekende voor ons zo snel mogelijk met het hoofdje naar beneden, op wat voor manier dan ook, we dachten dat het daar om ging. Springen deden we thuis al wel, wie het hoogste kon. Met ons d-pony’tje. Die liet alles toe, dat moest ook wel trouwens.”

Alwin vertrok naar Deurne, de boerderij van Opa was niet meer modern genoeg voor een toekomst: “Daar ging wel een wereld voor me open. Voor een kereltje uit Vledder. Ik denk niet dat ze het gezegd hebben, wel gedacht denk ik. Daar ging je wel iets anders met paarden om. Stipter ook dan wij gewend waren, met meer regels. En op een andere manier les krijgen, dat ook vooral.” Het eerste stagebedrijf werd De IJzeren Man: “Waar Rob Ehrens toen zat, met Toon Holtus, Diederik Wigmans en Jan Bouwman. Dat was ook ff nieuw toen ik daar kwam. Ik kende het wel van TV: Amsterdam, de NCRV-springtrofee, Aken, dat keken wij altijd, dat vonden wij machtig. En dan kom je daar. Rob bleek een heel normale vent te zijn, prachtig. En het waren toppaarden, dat kenden wij toen niet. Oscar Drum, Sunrise, Surprise, de grote namen! Ik mocht er af en toe op zitten als Rob erbij was, om ze wat beweging te geven. Die paarden waren anders gereden, dat was een ander iets, dat had ik nog nooit gevoeld, dat was fantastisch. Henk Nooren was toen bondscoach, in Weert kwamen elke maand de ruiters daar bij elkaar. Dan mochten wij daarbij zijn, Henk helpen met hindernissen verzetten, harken, kuiltjes wegwerken. Als jongen is dat natuurlijk je droom! Joh, ik kwam in een heel andere wereld terecht.”

Stageperiodes volgden bij Dick Groenewoud in Rheden en Stoeterij Zangersheide: “Bij allebei heb ik veel geleerd. Bij Dick mocht ik best wel veel rijden toen, dat weet ik nog wel, een leuke man. Bij Zangersheide werkte ik voor Willy van der Ham, ook een plezierige man. Melchior was er nooit. Ik heb er veel geleerd van de fokkerij, over hengsten en het werken met hengsten. En ik kreeg wel in de gaten dat, alles bij elkaar opgeteld, het nog niet zo gemakkelijk is, die topsport. Als je wat ouder wordt, dan merk je dat waar je vroeger van droomde, nog niet zo gemakkelijk is. Als jong mannetje wil je topsport bedrijven. Later merk je dat het niet alleen met paardrijden te maken heeft, je hebt heel veel dingen nodig om dat te kunnen doen. En je moet het zelf doen, het komt je niet vanzelf aanwaaien. Dat geeft ook niet. Onze topruiters? Dat is allemaal niet voor niks gekomen. Ook als je bijzonder getalenteerd bent, moet je er veel voor doen. Je moet wel de drive hebben om elke keer de tegenslag te verwerken.”

Na Deurne ging Alwin aan de slag bij Manege ’t Zandeind in Tilburg: “Ik deed de manege en het handelsstalletje, voor eigenaar Frans Wilborts. Daar ben ik ook voor het eerst echt concours gaan rijden. Er stonden paarden die al L en M gelopen hadden, daar ben ik mee doorgegaan, het werden Z- en ZZ-paarden. Bert Romp gaf me toen les, die zat daar tegenover bij Van Esch. Het was de tijd dat ik ook mensen als Martien Burgers leerde kennen daar vlak in de buurt, die deed al zaken met Wilborts. En toen pas ben ik begonnen met wedstrijdrijden. In de Deurne-tijd ging dat bijna niet, ik had wel een paar jonge paarden maar die verkocht ik dan weer, ook een paar die mijn opa als veulen gekocht had. Het kwam er nooit van dat die op concours liepen. Ze werden toen ook sneller verkocht in de handel, denk ik. Tussendoor was ik vaak samen met mijn opa onderweg, dat was een paardenman, zat in het bestuur van de fokvereniging De Westhoek. Mijn ouders hebben me altijd gesteund, met paarden transporteren, wegbrengen naar de stagebedrijven.”

Alwin Duiven als trainer/coach in Wierden, op de achtergrond Hilde Veenstra

Daarna begon de zoektocht voor Alwin Duiven. Om te beginnen bij Jan Verellen: “Hij stopte bij Tops en begon thuis in België een stalletje, daar ben ik na vier jaar ‘t Zandeind gaan werken. Een tijdje later belde Paul Hendrix: Willi Melliger in Zwitserland had een ruiter nodig, of dat niet iets voor mij was. Ik ben er naartoe gereden met mijn autootje, ik dacht nog: wat moeten ze nou met mij? Maar ik had ook iets van: och, ik zie het wel. Ik ben er ruim anderhalf jaar geweest, heb er een heel mooie tijd gehad met heel veel rijden, tot 1m45 op concours. Melliger was niet iemand van heel veel woorden maar het was een bijzonder aardige man, met een heel goed hart. Streng maar rechtvaardig, zeg maar. Het was de tijd van Calvaro, een van die grootheden in de sport. En toen belde Boerstra.”

Alwin vertrok naar Gorredijk, waar Boerstra een stuk of zes paarden had om te rijden: “Heidi was wel een heel goed paard, een jonge Aram, ik werd er tweede mee op de indoorkampioenschappen, ik heb er een keer een Masters mee gewonnen en er landelijk vaak mee vooraan gereden. Twee jaar duurde het, toen stopte het bedrijf vanwege privéomstandigheden. Ik heb een stalletje gehuurd bij Klok in Diever, die was toen net gestopt met de hengstenhouderij. En daarna ben ik een beetje aan het reizen gegaan.”

Via een commissionair van Van de Lageweg kwam Alwin terecht op een stal in Mexico: “Ze zochten een ruiter voor een klant, in 1999 was dat. Daar stond Jimtown, die heb ik daar gereden. Het heeft twee jaar geduurd en daarna ben ik in Zuid-Amerika gebleven. Een klein jaartje een meisje getraind op de Dominicaanse Republiek, die mensen wilden er graag een trainer bij hebben, voor de paarden en voor het begeleiden van hun dochter.  Toen is eigenlijk het coaching-gebeuren begonnen. Ik heb altijd wel lesgegeven naast het springen, aan clubs en aan individuele mensen, maar daar begon echt de coaching. Natuurlijk was de sport daar minder ontwikkeld, met faciliteiten, bodems, hindernismateriaal en zo, maar ik redde me daar wel mee. Concoursen? Zeker! Een select aantal mensen die daar wedstrijden reden, haalden paarden uit Duitsland, Nederland, België. Het einddoel voor de begeleiding van dat meisje waren de Central American en Caribbean Games. Daarna hebben we er nog drie maanden Ocala in Florida aangeplakt en toen ben ik teruggekomen naar Nederland.”

Met Jimtown reed Alwin in Mexico

Het volgende adres was de stal van Kooistra in Houtigehage, van de Indoctro-hengst No Limit: “Daar ben ik weer meer gaan rijden. Dat trainen was ook wel heel erg leuk maar achteraf denk ik dat ik toen niet genoeg ervaring had om mensen in Europa goed te kunnen begeleiden, dat was toch anders dan in de Dominicaanse Republiek. Door de jaren heen krijg je meer ervaring in het trainen, het coachen en ga je misschien ook mensen wat beter begrijpen, zo is dat uitgegroeid. Meer lesgeven, dat vond ik mooi. Daarom was het ook niet gek dat ik via de mensen die ik nog kende toen teruggegaan ben naar Mexico, als trainer en coach op een leuke club in Monterrey, met goede paarden. Met Ernesto Canseco Olvera spreek ik nog wel eens Spaans, ik had hem bij Van de Lageweg in de les toen hij 15 was. Dat heb ik ook nog gedaan.”

Na Monterrey volgde een periode in China: “En in de tussentijd heb ik ook nog Turkije gedaan. Lessen, trainen, en alles wat met paarden van doen had. Daarna Israël via Tal Milstein, ook voor een club. Een jaartje ben ik er geweest, een prachtig mooi land, lieve mensen, maar ik verloor er de uitdaging in het niveau. Mooi wonen hoor! En lekker leven, dat wel.”

In Israël met Danielle Goldstein

Terug in Nederland kreeg Alwin een telefoontje van Rob Besselink: “Hij was instructeur/trainer bij CSE Zwolle van Landstede, kreeg het te druk. Zo ben ik daar begonnen en dat doe ik nog steeds, met veel plezier. Ik geef af en toe een theorieles maar het belangrijkste deel is trainen, begeleiden, uitleggen hoe het allemaal in z’n werk gaat, een paar ochtenden in de week. En daarnaast ga ik mijn eigen weg, vooral in het trainen van mensen en het lesgeven. Hilde en Gerrit Veenstra doen het heel erg goed, maar eigenlijk moet ik geen namen noemen want heel veel anderen doen het ook heel goed.”

Met Hilde en Gerrit Veenstra in Mierlo

“Die coaching, daar komt steeds meer behoefte aan en dat is voor de kinderen wel heel fijn. Wij hadden dat allemaal niet, eigenlijk moesten wij zelf alles maar uitvinden, op onze manier. De kinderen van tegenwoordig hebben veel meer kennis dan ik vroeger had op die leeftijd. Van het rijden, van paarden en hoe je ermee omgaat, het hele gebeuren is zoveel veranderd. Tegenwoordig hebben paarden een heel ander economisch doel dan vroeger. Het is een commercieel gebeuren geworden, dat is goed voor iedereen. Het is hartstikke mooi dat de sport die wij beoefenen zo is meegegaan  in de tijd. Met steeds weer nieuwe dingen, om alles nog fijner af te stellen. Ik hoop mezelf daarin ook steeds beter te maken. Met je ervaring leer je ook beter mensen in te schatten. Wat ik over tien jaar doe? Dat is bij mij niet te voorspellen. Ik denk dat de reis nog niet ten einde is, al zit ik nu wel in fijner en rustiger vaarwater. En dat allemaal op basis van een Deurne-diploma en boerenverstand…..”

 

Wilma Wernsen: de mensen vinden zo gemakkelijk iets….

Wilma Wernsen: de mensen vinden zo gemakkelijk iets….

Het schuchtere, stille en ietwat kortaffe meisje van voorheen is veranderd. Wilma Wernsen praat honderduit met een indrukwekkende gedrevenheid en autoriteit. Over haar paarden, over haar mening over de fokkerij, over het opvoeden van een paard. En over haar eigen leven, waarin het overlijden van haar vader een enorme klap was.

Drukdruk is ze, met lesgeven, zelf lessen, fokken, opvoeden, trainen, wedstrijden rijden en verkopen: “Ik heb best veel paarden verkocht de laatste tijd, in twee weken zijn zes paarden weggegaan. Dan denk je dat je even tijd hebt maar het is toch weer hartstikke druk. Dan is er weer wat met een klant, ik moet weer een nieuw paard zoeken voor iemand, dat kost gewoon veel tijd, dat lukt niet zomaar,” vertelt ze vanuit Putten waar ze sinds 2017 zit.

Wilma Wernsen groeide op in Achterveld bij Amersfoort. Op een boerderij met melkkoeien en mestvarkens, in een gezin met vier broers en een zus, met een vader die fokte en handelde, vooral in de tuigpaardrichting: “Hij had regelmatig ook wel een kampioen voor de keuring. In de tuigpaardwereld is Valita bekend, waar de hengst Jongbloed uit kwam, die verkocht hij naar Jan Schep, of Jalonka naar Hermannus Boelens, Kidolein werd verkocht, waar veel concourspaarden uitkomen en Celebration, de ereklasse tuiger. Ik was in de familie degene die altijd meehielp met de tuigpaarden, met het mak maken voor de kar. Maar ook met de pony’s, die kwamen natuurlijk van de markt. Zadelmak maken, rijden en verkopen. Ik was er altijd om mijn vader te helpen, paarden keuringsklaar maken, rijden. Met een Gelderse ruin zat ik toch snel in het Z, ik heb best veel paarden gehad in die periode. Ook wel missers natuurlijk, van die lastpakken, pffff.”

Wilma was vooraan 20 toen Oklarette in beeld kwam in de rij van handelspaarden, de Ferro x Candyboy x Roemer, gefokt door oud-KWPN-bestuurslid Jan Redelijkheid uit Papendrecht. De merrie zou later haar Grand Prix-paard worden: “Die kochten we eigenlijk als een grapje, mijn vader dacht dat ze niet te groot zou worden. Kom op, we beginnen eraan, heb ik gezegd, dan kon het altijd nog een e-pony worden. Maar op de keuring was ze toch 1m66. We hebben best wat moeite gehad om haar zadelmak te maken, thuis op zo’n kleine binnenplaats, maar daarna heeft ze nooit een stap verkeerd gezet. Mijn vader was een echte handelsman, hij kon de merrie best goed verkopen maar ik had er een klik mee. En tot mijn verbazing verkocht hij d’r niet.”

In de tussentijd werkte Wilma op een assurantiekantoor en al snel op het KWPN-kantoor in Den Dolder: “Een student was ik niet, als ik zie wat nu doe als coach niveau 5 bij NOC*NSF, dan had ik er toen ook wel meer van kunnen maken. De LEAO heb ik gedaan, en later in de avonduren steno en het MBO. Op het KWPN-kantoor zat ik op de financiële administratie en daarna ben ik toch vrij snel naar de Ahold in Ede gegaan.” In 2001 kwam de grote klap. “Een beroerte, binnen anderhalve dag was het bekeken. Dat heeft een impact gehad, mijn vader was mijn maatje. Maar dan moet je toch verder. Ik ben een werker, ik ga dat dan omzetten in werk. Ik heb een Métall uit een tuiger van mijn moeder overgenomen, en Oklarette natuurlijk, de boerderij werd verkocht. Die had ik graag willen hebben maar met mijn broers en zus werd dat moeilijk, heel jammer. Ik ben zelf wat op gaan zoeken en heb bij Nunspeet een huisje gekocht. Met vier boxen erbij, zo is het begonnen, ik was een jaar of 28. Met Oklarette kreeg ik een dip, ik kwam de man met de hamer tegen. Ik was niet zo’n prater of je moest me kennen. Dan ligt je vader daar. Je moet thuis aan het werk om het draaiende te houden. En dan gaat de boerderij weg. Het was een verwerkingsproces waar ik niet overheen kwam. Heel zwaar om het alleen te doen. Maar ik moest door.”

Wilma Wernsen wint Pompadour met Oklarette

“Mijn toenmalige man had niks met paarden, we hadden niet de gedeelde passie. Het was iets wat je samen met iemand had, en dan moet je dat alleen doen. Ik vond het heel zwaar, echt waar. En het deed me ook niks meer, of ik nou bovenaan of onderaan stond. Ik presteerde niet voor mijn vader maar de beleving had je wel samen. We hoefden ook niks tegen elkaar te zeggen, hij zat ook niet aan m’n kop te zeuren. Hij zei nooit zoveel, even dat knikje, dat was genoeg. Maar toen stond ik in de prijsuitreiking, ik was kampioen, ik keek om me heen: het doek viel. Degene die er moest zijn, was er niet. Ik heb toen met heel veel mensen het contact verbroken, ik kon het niet meer aan. Ja, ook de mensen die ik heel hoog heb. Ik associeerde ze teveel met de enorm gezellige tijd met mijn vader. Dat maakt het voor mij enorm moeilijk. Mensen zeggen zo gemakkelijk: daar moet je mee leren leven, je moet het een plek geven. Maar ik kan niet zomaar ergens overheen stappen.”

“Op het KNHS-kampioenschap reed ik Z1, ik reed rond en dacht: Wil, rustig. Maar het paard werd zo gespannen, het ging gewoon niet meer. Je komt eruit, je voelt je enorm klote. Toen heb ik me gerealiseerd: ik moet ermee aan het werk. Ik ben haptotherapie gaan doen om te ontdekken wie ik nou echt ben en hoe ik in mekaar zit. Ik zei nooit zoveel, dan stapelt het op en komt het eruit. Ik durfde nog geen proef meer te rijden. Toen ben ik naar Coby van Baalen gegaan: ik wilde de ring weer in, moest van die angst af. Daar heb ik met Oklarette weer proeven leren rijden. Maar de piaffe en passage aanleren was moeilijk, Oklarette was heel gespannen, die accepteerde de methode niet. Ik ben in gesprek gekomen met Alex van Silfhout, die heeft me een tijdje geholpen, vooral geleerd welk gevoel ik moest krijgen. En ik heb daar een tijd op Nimbly gereden. In de tussentijd steeds meer handel erbij gedaan, en zo heb ik het langzaamaan weer opgebouwd. Maar je, het blijft terugkomen. De eerste keer dat ik internationaal reed, was mijn vader weg, je beleeft iets nieuws, dat gemis was zo groot, wat zouden we een belevenis gehad hebben!”

Met Apretado

In 2005 verhuisde Wilma naar Nijkerk waar ze 7 stallen had, in 2008 stopte ze met werken buiten de paarden. Oklarette was inmiddels een internationaal paard. De Scandic-merrie Apretado werd geboren, Wilma reed er lichte tour mee, werd geselecteerd voor de WK-selecties, en de verkoop naar Denemarken volgde. Ze fokte met later enkele veulens van Oklarette en van de Métall-merrie uit de Waarborg x Eufraat van haar vader: “Uit een volle zus van de Waarborg-merrie komt het Grand Prix-paard van Jef Heistek. Mijn vader fokte paarden die goed in het tuig èn goed onder het zadel zijn. Uit de Métall-merrie hebben we nu bij het AES een zoon van Toto goedgekeurd. Apretado hebben we toen ze drie jaar was gelijk laten dekken met Ziësto, daar komt Estupendo uit, die is inmiddels ook Grand Prix. En ik ben gaan lessen bij Nicole Werner.”

“Sinds 2017 zit ik in Putten. In Nijkerk was het allemaal van mezelf, alleen, maar ik had besloten om te gaan scheiden. Ik wilde overal vanaf zijn, klaar. Om een huis en een stal te vinden heb ik wat balletjes opgegooid en Jorgen van der Holst, die bij mij de merries dekte, die wist wel wat. We hebben nu 18 boxen vol. Anouk Slabbers werkt bij me plus altijd een stagiaire van het Aeres college. We blijven ons op fokkerij richten, dat blijf ik prachtig vinden. Maar de hoofdmoot is paarden trainen van derden. En de handel natuurlijk. Paarden vinden is moeilijk maar paarden verkopen ook, de match moet er echt zijn, alles moet kloppen. Over het algemeen zijn paarden vaak minder goed gereden, en de klanten die komen kunnen vaak ook wat minder rijden. Als ze erop zitten en hun been verleggen, moet ie gewoon wisselen. Meestal ga ik naar de klant, ga ik de paarden rijden. Dan kan ik direct doorvertellen wat het paard kan, hoe het paard is, dat bespaart de verkopende partij een hoop werk maar ook degene die een paard zoekt. Op een gegeven moment weten ze dat in het veld. Nee, niet van een video, die tijd is wel voorbij. Oh ja, en ze moeten gezond zijn, ze worden binnenstebuiten gekeerd.”

Met de vijfjarige Estupendo in Barcelona

“Onze paarden worden steeds temperamentvoller en scherper gefokt, dat is niet voor iedereen weggelegd. We moeten betere karakters fokken en meer fundament, onze paarden worden te tenger. Een dressuurpaard moet toch een lijf hebben dat al dat werk aankan. Met goede voeten, sterk, en het liefst een beetje brutaal. Met schakelvermogen, als een harmonica in en uit elkaar. En de wil om te werken. Dan komt daar de training bij: veel dressuurpaarden hebben vaak eigenlijk best wel een saaie training. Ik rijd langs de weg, het bos in, een sprongetje maken, ik probeer de training af te wisselen, met kracht, met duur. In het bos heb je te maken met verschillende bodems, dat moeten ze ook leren. Tegenwoordig lopen ze allemaal op die mooie bodems, en als dat er even niet is, wordt het moeilijk….”

De training is belangrijk, maar ook de opvoeding: “De jonge paarden van mij lopen altijd bij elkaar, twee veulens samen. Dat koppeltje blijft lang een stel, ook als ze samen met een ander koppeltje lopen. Rustig aan naar de wei brengen is ook een stukje opleiding. Dingen moeten normaal worden, dan heeft het paard geen stress meer. Bij mij kan iedereen een veulen van stal halen, maar wel: zo zijn de regels, en zo gebeurt het. Links- en rechtsom lopen aan het halster, dat moeten ze leren. Als tweejarige haal ik ze uit elkaar, dat levert even wat stress op natuurlijk, maar dan krijgen ze al vrij snel een halster, met een hoofdstelletje eromheen. Veel lichamelijk contact, aaien, een beetje poetsen, links en rechts longeren, een keer een singel heel losjes om, dan ook een keer aan de dubbele lounge. Ze worden er schaapmak van, ze leren lopen in vertrouwen in mij. Maar niet drie jaar niet naar omkijken, uit de wei, snel even opscheren, met enorm veel stress, omdat het weinig tijd mag kosten. Dan raken bij het zadelmak maken de beesten helemaal over de zeik. Daar heb ik geen last van. Elk paard krijgt bij mij een eigen behandeling. Vertrouwen, daar gaat het om! Zeker met dat scherpe bloed. Een paard heeft een leider nodig.”

Met de AES goedgekeurde Toto x Métall-hengst

Wilma Wernsen is coach niveau 5, de hoogste graad bij NOC*NSF:“Ik heb zelf ook lange tijd de opleiding niveau 4 gegeven maar ik ben ermee gestopt. Ik ben te gedreven, ik ga ervoor. Je moet met je tijd mee, het is niet in een sjabloon te doen allemaal. Iemand die B-dressuur is samen met een Grand Prix-ruiter: dat ligt veel te ver uit elkaar. En het is niet meer zo dat iemand in de bak vanaf de kant bepaalt wat er moet gebeuren. We moeten vooral kijken naar hoe een persoon en een paard in elkaar zitten. De juiste snaren zoeken en niet alleen zitten te zeiken over wat iemand niet kan, dat gebeurt te veel in de paardensport. Het gaat om motiveren en stimuleren, in de samenwerking tussen paard, ruiter en coach. En we willen winnen! Dan denk ik: wees eens bezig met het gevoel hoe een paard in elkaar zit. In het algemeen vinden de mensen zo gemakkelijk iets, van een paard, een persoon. Ik ben daar heel anders over na gaan denken. Wim Ernes was daarom zo geweldig: hij was net zoveel als jij, wie je ook was. Van de dressuurmensen maakte hij toch een soort van team.”

Bekijk hier de website