Arnold Boerekamps: 1.40m rijden is tegenwoordig maar heel normaal

Arnold Boerekamps: 1.40m rijden is tegenwoordig maar heel normaal

Arnold Boerekamps is een ruiter die er altijd was en altijd is. Met zijn 52 levensjaren is hij al decennia een vertrouwd gezicht op springwedstrijden, geroemd om zijn strijdlust maar ook om zijn faire mening naar organisaties: de betere hebben in hem een uitstekende ambassadeur. Maar hij is ook fair in zijn mening naar de eigenaren van zijn paarden. De naam Arnold Boerekamps zal vast verbonden blijven aan paardendorp Asten, hoewel hij in Bakel zijn stal heeft en in Sint-Oedenrode woont. Lees hoe het hem verging.

Asten, dat valt niet weg te denken bij springruiter Arnold Boerekamps. Zijn vader Frans, 80 inmiddels, is al vijftig jaar de vertrouwde omroepstem in de manege van de familie Heijligers. Hij richtte samen met de vroegere parcoursbouwer Sjef van Oosterhout de ponyclub op in Asten. Arnold’s opa had wel paarden maar dan nog van het ouderwetse soort: enkele keren per week vertrok hij lopend naast zijn paard met de kar volgeladen met turf vanuit de Peel naar Helmond en Eindhoven om de brandstof uit te venten. Met Asten als standplaats, waar ook Arnold geboren werd: “Toen mijn broer Toon geboren werd, kwam er een veulentje. Maar toen ik geboren moest worden, had mijn vader een maand daarvoor al een veulentje gekocht.”

Op z’n zesde ging Arnold bij de ponyclub: “En sindsdien ben ik altijd blijven rijden. Ik heb een stuk of drie pony’s naar het Z gesprongen, twee van de drie heb ik ook zadelmak gemaakt. Internationaal? Ach, dat deden er wel een paar, maar wij reden gewoon de concoursen in de buurt. En de Brabantse kampioenschappen en NKB-kampioenschappen, dat was waar we voor gingen. Plus in het najaar de crossen. In Asten was dat best populair, zat er best een beetje in. Bij de ponyclub hadden we bij voorbeeld René Mulder als instructeur, die reed Boekelo mee! En zijn broer Martien sprong 1.40. Dat waren onze instructeurs, we waren wel verwend! Achteraf gezien heb ik misschien wel te lang ponygereden, tot m’n 16e. We hadden niet de middelen om een paard te kopen, dat was moeilijk zat. Daardoor miste ik bij de paarden bij voorbeeld wel de junioren en young riders.”

Gelukkig zag paardeneigenaar Ton Huntjens het talent van Arnold: “Hij verdiende met automatisering al best wat geld geloof ik. Zijn dochter had een pony en hij kocht wat paarden erbij, waar ik dan op mocht rijden. Ik was 18 toen ik mijn eerste paard te rijden kreeg, Zeppelin, een driejarige Orlof X Huzaar. Een jaar later heb ik er al het kampioenschap voor 4-jarige mee gereden. Moet je nagaan, op paleis Het Loo, en ik reed net een jaar paard, dat was wel spannend. Daar heb ik ook Frans van der Ent leren kennen, dat was mijn beste vriend. Die had heel veel verstand van jonge paarden, jammer dat hij zo vroeg is overleden. In die tijd kreeg ik les van André Heijligers, bij wie ook Piet Raijmakers en Eric van der Vleuten het vak hebben geleerd. Als het kon, reed ik elke dag bij hem in de les.”

Arnold ging in militaire dienst en de dag dat hij afzwaaide, begon hij de paarden te rijden voor Hans en Rian van den Bosch in Nuenen. Piet Raijmakers reed Jogger internationaal voor ze, later sprong Eric van der Vleuten de betere paarden. Arnold verzorgde en reed de jonge garde, deed het onderhoud en reed af en toen een wedstrijdje. De hoefsmid-opleiding in Deurne was de volgende stap, waarbij hij vooral in de stage bij Gerrie de Crom veel opstak, de latere hoefsmid van de Nederlandse teams. Zo’n drie maanden was hij praktizerend hoefsmid toen Piet Raijmakers hem vroeg om mee te gaan naar Zangersheide: “Dat was natuurlijk een prachtkans, voor die tijd al zo professioneel, en ik had ook echt goede paarden daar. Daarna ben ik twee jaar naar Kees van den Oetelaar gegaan, reed ik hengsten als Hamlet, Holland, Propilot, Giorgio en Lord Z. En toen twee jaar naar Kyra Swelheim, een veelzijdige stal met handel, paarden uitbrengen voor anderen en fokkerij. In 1997 ben ik voor mezelf begonnen. En dat ben ik altijd blijven doen tot vandaag de dag.”

Sinds negen jaar is Arnold Boerekamps met zijn springstal gevestigd in Bakel in de accommodatie van Piet Michels in Bakel, de neef van Patrick Michels van bouwbedrijf PMC: “Ik ben best wel wat verhuisd met de stal maar hier in Bakel gaat het super. Met vijftien stallen, een binnenhal van 20 X 50 meter, een mooi buitenterrein, een paar paddocks, en stapmolen, wasplaatsen en een kleine kantine heb ik het super naar de zin. Ik werk veel met stagiaires en Wim Wernaart rijdt al een paar jaar bij me, daar ben ik heel blij mee. Ik zoek trouwens wel iemand voor een paar dagen in de week om me te helpen. In de stallen, de verzorging doen, misschien wat rijden. Het moet wel in de buurt zijn want woonruimte kan ik niet bieden. Het belangrijkste is dat er ambitie in zit. Ik woon in Sint-Oedenrode, midden in het dorp, bij mijn vriendin Danielle Bouwdewijns en haar kinderen Isa en Seth. Isa gaat best weleens mee op concours om te helpen, Seth is meer van het voetballen.”

Samen met Isa op concours in Nisse

Iemand met de ervaring van Nol –zoals bekenden hem noemen- Boerekamps heeft ook een mening over de ontwikkelingen in de sport: “Het is in elk geval steeds moeilijker geworden om proeven te winnen. Vroeger had je nog niet zoveel wedstrijden waar er zestig in het Z meededen, nou heb je in heel veel 1.30-proeven meer dan honderd deelnemers, en dat wordt steeds gewoner, en 1.40m rijden is maar heel normaal. Veel paarden worden niet verkocht, de lat komt steeds hoger te liggen, en er zijn steeds meer mensen die professioneel aan het paardrijden zijn. Alleen al in Asten staan er zomaar vijftien binnenmaneges, als het er niet meer zijn. Je kunt op zoveel plaatsen terecht om je paard uit te laten brengen. En de concoursen hebben ook zo’n trend: over een paar jaar hebben we nog maar een paar terreinen over waar de wedstrijden gehouden worden, we moeten echt oppassen dat het geen fabrieken worden. Je ziet prachtige en heel gezellige concoursen, vooral van oudsher landelijk, die nauwelijks nog georganiseerd kunnen worden omdat die megafabrieken alles opslokken. Dat is heel jammer.”

Met Chacco Boy, de KWPN-goedgekeurde hengst van Anton Lisman die naar Mexico werd verkocht

Nol Boerekamps wil in die strijd vooral eerlijk zijn naar zijn eigenaren, van wie Anton Lisman nu al negen jaar paarden bij hem heeft staan: “Ik vind het belangrijk om recht vooruit te zijn. Als een paard niet goed genoeg is, moet je dat ook zeggen. Als mensen jou het vertrouwen geven om het paard te trainen, dan ben je verplicht een eerlijk oordeel te geven.” In die voortrazende springwereld realiseert Arnold zich heel goed dat hij niet kan stilvallen: “Als ik een jaar niet zou rijden en ik zou dan weer beginnen, dan weet ik dat ik tien kilometer achter lig en dat ik dat nooit meer inhaal. Het gaat steeds sneller, steeds geraffineerder. Kijk het afgelopen jaar naar Indoor Brabant: in de barrage van het 1.60 gaat het net zo hard als dat wij over 1.10 rijden. Met 13 in de barrage, en als je je paard één keer terugpakt, weet je dat je op z’n best zesde of zo bent. Gelukkig kan ik het nog goed volhouden lichamelijk, maar als ik dat niet meer kan, hou ik er ook mee op.”

Caroline Pol: “Kijken of de hippische branche er klaar voor is.”

Caroline Pol: “Kijken of de hippische branche er klaar voor is.”

Cejay Joosten: klaar voor het kampioenschap in Mierlo

Cejay Joosten: klaar voor het kampioenschap in Mierlo

Ze is nog maar 13 jaar oud maar toch al opmerkelijk duidelijk in haar ideeën over haar sport. Cejay Joosten uit Zevenaar is een van de weinige internationaal springende amazones in de ‘children’-klasse. Het afgelopen jaar leverde de deelname aan het Europees Kampioenschap een flinke teleurstelling op maar dit jaar gaat ze opnieuw voor een EK-plaats, hopelijk dan wel met een Nederlands team.

Het EK voor de children werd vorig jaar gehouden in het Slowaakse Samorin. Cejay reed er als enige Nederlandse children-vertegenwoordiger van de 103 deelnemers met haar Sagnol een foutloze ronde op de eerste dag. Op de rustdag die volgde, was ze van plan om dressuurmatig te gaan werken: “Ik voelde toen direct dat het niet goed was. We hebben Sagnol daar laten scannen, bleek ie een gaatje in zijn pees te hebben. Er was iets van buitenaf tegenaan gekomen maar we weten nog niet wat het is geweest.” Cejay bleef op het EK in Samorin, waar ze geweldig opgevangen werd door de teamleden vanuit de junioren en young riders. En toen volgde een lange periode van revalidatie in een Duitse kliniek, waarbij Cejay tijdens de behandeling Sagnol steeds moest blijven rijden: “In het begin elk dag erheen, lange stukken stappen, daarna draven, later weer een beetje galopperen. Daarna twee of drie keer in de week. En nu is Sagnol weer klaar.”

Cejay stapte al op haar 12e over op de paarden na een korte maar intensieve ponycarrière waarin ze ook internationaal wist te presteren met haar twee D-pony’s. Daarvoor was er o.a. de C-pony J’s Lisa en het begon met het A-tje Sunny. Voor de overstap naar de paarden leste ze behalve bij haar vaste instructrice Angelie Tap ook bij het Hippisch Trainings Centrum van Egbert van Roekel in Ede en bij de regiobeloften met haar pony’s. Daar bleek Sagnol (v. Silvano N) beschikbaar, een ervaren leerpaard dat al eerder 1.40m had gelopen en met Nienke Z1-dressuur, ZZ-springen en eventing had gelopen. Cejay startte er mee in de klasse B en en jaar later toen ze naar het EK in Samorin ging, was ze Z geklasseerd: “Nog nooit zo’n braaf paard gezien! Hij was heel braaf, overal waar je ‘m voorzette, het maakte niet uit, hij sprong er overheen. Daar heb ik veel van geleerd en hopelijk zit ik nu in het team voor het EK in Fontainebleau.”

Cejay Joosten met haar trainster Angelie Tap

Het is nog niet zo heel lang dat de children-rubrieken werden geïntroduceerd, rubrieken voor kinderen tot en met 14 jaar. Omdat Cejay met haar pony Excellent geselecteerd was voor de talentendag mocht ze bij pony-bondscoach Edwin Hoogenraat in de les. Die vroeg Cejay of ze niet een keer haar paard mee wilde nemen omdat hij via-via erover gehoord had. Ze mocht voorrijden bij children-bondscoach Luc Steeghs en bondscoach senioren Rob Ehrens en niet veel later kwam de brief dat Cejay geselecteerd was voor de children-groep. Vorig jaar werd ze in het NK in Mierlo tweede met Sagnol: “Tijdens dat NK wist ik nog niet zo goed wat het was, die children-rubrieken. In het begin deden maar een paar Nederlanders mee, internationaal ongeveer drie of vier, nu al een stuk of tien internationaal. In Mierlo starten er dit jaar wel zesentwintig. Het is leuk omdat het sport met anderen van je eigen leeftijd is, met een kleine groep, we kennen elkaar allemaal. Eigenlijk een soort ponyrijden maar dan op een paard. In begin was het best wel moeilijk, dat internationale. Mijn eerste wedstrijd in Jumping Achterhoek ging zeker niet zoals gehoopt maar daarna is het langzamerhand steeds beter gegaan. Ik had daarvoor alleen een keer internationaal in Wierden lichte toer gereden bij de pony’s maar bij de paarden is het toch anders. De aankomst, de vet check, alles eromheen, spannend allemaal. Jammer dat dit mijn laatste jaar alweer wordt.”

Cejay Joosten met Sagnol in Samorin

Naast Sagnol rijdt Cejay nog enkele paarden. Haar eigen American Pie breng ze uit in het 1.30m, Action die voor de helft in eigendom is van Jurgen Stenfert in het 1.25m en Evakarla van Hans Hendriks Sporthorses rijdt ze in het 1.20m. Twee of drie keer in de week begeleidt Angelie Tap haar bij het springen. Eerder combineerde ze dat nog met een tweewekelijkse les van Luc Steeghs. En dat weet ze allemaal te matchen met de sportklas op het Candea College in Duiven: “Vijf uur in de week hebben we daar sport maar ik kan die tijd ook gebruiken om bij voorbeeld toetsen in te halen. Als ik van school ben, ga ik twee uur huiswerk maken, daarna ga ik naar stal om de paarden te rijden. Les van Angelie, of de stapmolen, afwisselend de galoppeerbaan, daar zijn mogelijkheden genoeg. Dan ben ik om een uur of 9 of 10 thuis. Mijn vader gaat altijd mee, hij heeft vroeger ook gesprongen. En mijn moeder gaat altijd mee op wedstrijd.”

Haar toekomstdroom ziet Cejay ook al duidelijk voor zich: “Wat ik heel leuk zou vinden is een eigen stal met een restaurant erbij. Ik vind koken ook heel leuk. Daar heb ik nu niet al te veel tijd voor natuurlijk, maar een tijdje geleden, toen ik nog niet zoveel paarden had, kookte ik best vaak voor mijn ouders.” We gaan Cejay volgen, om te beginnen aanstaand weekend in Mierlo tijdens het Nederlands Kampioenschap!

Michael Taken: “Indrukwekkend wat er in Nederland gebouwd wordt!”

Michael Taken: “Indrukwekkend wat er in Nederland gebouwd wordt!”

“Ik heb nog nog ideeën genoeg,” zegt Michael Taken gedreven. In zijn handel komt hij bij heel veel verschillende paardenbedrijven, in Nederland en daarbuiten. Tegenwoordig om bodemslepen te verkopen, een handel waar je bij Michael Taken bijna niet omheen kunt als je een beetje bent aangesloten op social media. Hij levert ze in diverse soorten en maten vanuit zijn bedrijf Equicombi in samenwerking met de Belgische fabrikant AMS: de een de productie, de ander de verkoop, zonder tussenpersonen dus

Bij Michael Taken (51) zit de handel in het bloed. Springruiter was hij, op Z- en ZZ-niveau. Al jong verkocht hij tapijtbodems toen de paardenwereld alleen nog maar houtchips kende. Niet veel later ontwikkelde hij zijn eerste trainingsmolen. Aanvankelijk voor de paarden thuis van zijn broer Uriel, die als amateur heel verdienstelijk internationaal sprong, waarbij met name de naam Voila T bekend is. Het moesten molens zijn met de best mogelijke beveiliging en daarom kreeg het merk de naam Superieur. Onder die naam ontwikkelde hij ook solariums, modellen met een hals erin, wat nieuw was. Daarna volgden al snel complete projecten: molens met omheining, bestrating, afrastering, bodem, solarium, alles wat de klant nodig had, vaak in samenwerking met Herman Crum, een samenwerking die nog steeds intensief is.

Na de tapijtbodem volgden al snel andere soorten bodems: “Ik verkocht de eerste indoor eb- en vloedbodem in Nederland, aan Jan Brouwer in Groningen, aangelegd door Herman Crum.” Een nieuw bedrijf volgde want Michael startte samen met Johan Schutte Kylix op, waarbij Schutte de motoren en de computerkasten leverde.  Na een jaar of vijf verkocht Taken zijn helft. Tegenwoordig is Kylix de onderneming van Martin Kuipers, die trainingsmolens, aquatrainers, beregeningsinstallaties etc. levert. De handel in oldtimers volgde, een passie die hij zijn leven lang gehad heeft: “Doe ik nog wel, onderweg koop ik af en toe nog wel eens een oude tractor of motor voor de handel.”

De slepen kwamen een jaar of vier geleden in het leven van Michael Taken. De nieuwe ouderlijke boerderij moest voorzien worden van een molen, een omheining, een solarium, bestrating, en noem maar op. En daar moest ook een sleep bij komen voor het onderhoud: “Een goede vriend in België tipte me over de slepen van AMS in België. Ik ben er direct heen gereden, heb de slepen bekeken en ik heb er een meegenomen naar huis om uit te proberen op de eb- en vloedbodem. Crum stond erbij en die zei: dit is de sleep. De volgende dag ben ik teruggegaan en hebben we meteen het contract getekend: hij de productie, ik de verkoop.”

Michael richtte Equicombi op voor de slepen en begon: “Van één model sleep zijn we naar vijf modellen nu gegaan: voor een eb- en vloed-bodem, voor een Agterberg-bodem, getrokken door een trike, auto of shovel, met dichte of open rol, van 1.50m tot 2.50m. U zegt het maar. We komen gratis demonstreren met de juiste sleep. Klanten met wie ik vroeger zaken heb gedaan, die weten dat het bij mij gaat om service, snelheid en kwaliteit. Plus dat ik zelf springpaarden heb, ik weet wat er gevraagd wordt.”

Hét vervoermiddel om de slepen af te kunnen leveren.

De vraag is natuurlijk of het niet een keer ophoudt met de slepen. “Iedereen heeft ook een auto die steeds vervangen wordt. Of mensen komen erachter dat de sleep die ze hebben de bodem toch niet 100% vlak krijgt. Ik zie voorbeelden van slepen die gewoon de hoge en lage gedeeltes na het gebruik niet optimaal vlak maken, die een golf laten liggen. Onze sleep maakt het perfect recht, zet er maar een laser op! Iets duurder dan een ander maar de kwaliteit maakt dat ruimschoots goed. Waarom wel zo’n dure bodem kopen en geen goed onderhoud plegen. Dan blijft de bodem ook jarenlang goed. Bovendien: als je ziet wat er in Nederland allemaal gebouwd wordt, dat is indrukwekkend. Je kunt overal rijden, waar je maar wilt, je kunt doordeweeks op concours, er worden accommodaties uit de grond gestampt, er komen veel buitenlanders naar Nederland: ideaal hier. Ik heb net een sleep verkocht aan een Canadese mevrouw, die praat er ook zo over. Daar moeten ze in het vliegtuig om op concours te gaan, hier rijd je een half uurtje, elk dag van de week. Daar komt bij dat de paardensport op alle gebieden professioneler wordt, ook op het gebied van bodemonderhoud.”

De Duitse importeur Stremmer bekijkt met zijn mensen de nieuwe aanwinst.

De ambitie om wereldwijd slepen te verkopen begint al wat vorm te krijgen: “We zijn in Nederland en België begonnen, maar ze lopen al in Dubai, Japan, Frankrijk, Portugal, Spanje en Duitsland. We zijn een echte fabriek: we produceren zelf de slepen en weten uit de praktijk welke details nodig zijn. Op beurzen staan we niet, we maken onszelf bekend via internet, Facebook, Universal Horse Data, dat is de moderne reclame. We zijn op de toekomst voorbereid!”

Sjaak van der Lei: op zoek naar het beste

Sjaak van der Lei: op zoek naar het beste

Als je Sjaak van der Lei zegt, zeg je tegenwoordig Cornet Obolensky. De 36-jarige goedlachse springruiter, gepassioneerd fokker en handelaar heeft er de laatste jaren veel van gemaakt samen met zijn vriendin Jenny Toes. Ze hebben vaste grond onder de voeten op een mooie plek in Sint-Michielsgestel bij Den Bosch, met de merries en veulens in de weilanden, stuk voor stuk paarden met indrukwekkende namen in de pedigree. Met Kannan jr. had het stel een onvergetelijk moment in Den Bosch toen de zoon van Cornet werd uitgeroepen tot kampioen. Op zoek naar het beste.

Sjaak van der Lei komt uit het Groningse Houwerzijl, waar zijn ouders een melkveebedrijf hadden: “Mijn vader was 47 toen hij niet meer tegen de koedampen kon. Hij kwam in het ziekenhuis te liggen, ze gaven hem een jaar. Hij heeft het nog twee keer geprobeerd maar hij moest uit de melkput kruipen. Hij is nu gelukkig 71. Mijn broer Jan nam de boerderij over en mijn vader ging paarden fokken, puur uit passie. En zo is het bij mij begonnen.” De ponycarrière was met L2-dressuur en B-springen niet heel indrukwekkend maar toen Sjaak 12 was, nam hij de paarden van zus Agaat over die bij een stal ging rijden. Hij leidde zelf ook twee driejarige paarden op waarmee hij bij de junioren het NK sprong. Sjaak won in de tussentijd de Grote Prijzen van Meppel en Moorsele. Op z’n 18e maakte hij deel uit van de eerste selectie van het Rabobank Talentenplan: “Dat was een mooie ervaring, met mensen als Henk Frederiks, Rianne Nalis en Rob Heijligers onder aanvoering van Piet Raijmakers hadden we een mooi clubje bij elkaar. En je leerde allerlei nieuwe mensen kennen.”

Vanuit het Noorden belandde Sjaak van der Lei bij diverse stallen in het Brabantse voordat hij een leerzame periode in Nijkerk woonde. En toen ontmoette hij Jenny, met wie hij nu al een paar jaren samenwoont en heel veel onderneemt. Terugkijkend: “Ik ben op veel plekken geweest en dan komen er allerlei mensen op je pad waar je wat van leert. Daar moet je de waarde van zien, ook achteraf. Ik kan ergens enorm enthousiast over zijn, maar ik kan dan ook vol met m’n bek tegen de muur vliegen omdat ik dingen anders had moeten doen. Het hele leven is een leertraject. Ik weet nog wel dat ik met Hein van de Mortel samen goede handel had gedaan. Zegt ie: je denkt nou dat je de handel kent, maar je gaat er zeker een paar kopen waar je flink aan gaat verliezen. Is helemaal uitgekomen. In de loop der jaren leer je naar allerlei mensen te luisteren en wordt langzamerhand duidelijk dat domme vragen niet bestaan.”

Het ondernemerschap en de handel zitten bij Sjaak van der Lei ingebakken. Kansen zien en erover nadenken: “Ik had twee merries waar ik mee wou fokken. Ik was op zoek naar wat op dat moment het beste was in mijn ogen. Ik kocht twaalf rietjes van Cornet Obolensky in België en tien rietjes van Baloubet. Toen dat bekend werd, wilde iedereen de rietjes van Cornet kopen. Ik ben het gaan onderzoeken en via- via ben ik in contact gekomen met de eigenaar in Oekraïne. Die had Cornet op de hengstkeuring in Westfalen gekocht en toen in Duitsland internationaal laten springen. Hij is trouwens ook de eigenaar van de Cornet-zoon Comme il Faut, ook een fenomeen.” Sjaak kreeg de rechten voor Nederland, Kai Ligges voor Duitsland, Group France Elevage voor Frankrijk, daarbuiten waren ze vrij. Maar als je nu op Facebook, Universal Horse Data of welk platform dan ook waar dan ook in de wereld zoekt naar Cornet, kom je wel uit bij Sjaak van der Lei: hij had de webnamen toch maar mooi vastgelegd. Net iets sneller geweest, zeg maar.

Sjaak van der Lei in de Oekraïense stal bij Cornet

Over de nakomelingen van Cornet Obolensky kun je boeken vol superlatieven schrijven. We lichten er één uit: Kannan jr., de schimmel die in Den Bosch kampioen werd en inmiddels ook Zangersheide is goedgekeurd. Sjaak: “Ik had contact met Wobbe Kramer, gewoon ervaringen uitwisselen over de fokkerij. Hij vertelde over zijn merrie Van Meta, de Quick Star uit de volle zus van Kannan (Voltaire x Nimmerdor) die met zijn zoon Siebe Kramer 1.45 liep. Ik dacht: da’s wereldbloed, da’s sport! Ik had het sperma, zij hadden de merrie. We hebben de eitjes uit de merrie gehaald, buiten de merrie bevrucht, het embryo ingevroren en op de juiste tijd van het jaar ingebracht. En dat was het begin van onze kampioen op de hengstenkeuring. Echt de hele wereld zat er achteraan, onmiddellijk nadat hij op de keuring de laatste sprong gemaakt had. En de huldiging deed me echt wat, ik had tranen in mijn ogen. Je hoopt dat een keer in je leven mee te maken en nou overkwam het mij al.”

De emotie tekent de passie van Sjaak van der Lei als het gaat over zijn zoektocht naar het beste: “Ik probeer voor mezelf de lat altijd hoger te leggen. Toen ik in het begin op concours ging, ging ik met zeven paarden, met één zadel, één hoofdstel en vijf bitten. Zo was dat toen. Van de kritiek van collega’s heb ik geleerd. Ik had een paar goede en een paar minder goede paarden. Die laatste eten net zoveel. En aan de eerste ben je feitelijk minder tijd kwijt. Dat leer je wel in de praktijk. Zo is het ook met de fokkerij, waarin ik ook geleerd heb niet snel tevreden te zijn. Vroeger hadden de paarden niet de kansen. Als je een merrie had die 1.40 sprong, had je een fenomeen. Nu doen er in de tours in Italie, Spanje en Portugal in totaal een paar duizend mee die 1.40 lopen. Op het EK in Gothenburg waren er 25 finalisten: van 24 had de vader 1.60m gelopen. We hoeven niet meer met minder tevreden te zijn. Waarbij ik geloof dat een goede merriestam misschien wel 80% van het resultaat bepaalt. Iets wat ze zelf hebben, kunnen ze ook doorgeven. Waarom zijn er bepaalde merriestammen waar de een na de andere goede uit komt? En dan heb je vaders die uitzonderlijk vererven. Ik wil zo weinig mogelijk aan het toeval overlaten.”

Een sterk koppel: Sjaak van der Lei en Jenny Toes

Sjaak van der Lei is niet tevreden met minder dan het beste, wat hij vooral de afgelopen jaren in de praktijk heeft kunnen brengen: “De laatste paar jaren is het hard gegaan omdat Jenny en ik het samen doen. Een paar jaar geleden had ik een paar paarden, nu lopen er hier, bij pa en ma en bij verschillende ruiters. De dingen gaan goed, ik geniet ervan. Maar ik blijf altijd streven naar een goed product. Je zit nooit stil, bent nooit tevreden: het kan altijd beter. Binnenkort als het dekseizoen wat verder is, ga ik ook zelf weer met een paar jonge paarden op concours. En ik probeer me maar aan de uitspraak van Piet Raijmakers te houden: rij nul en net iets sneller dan de rest, dan heb je gewonnen.”

Cornet Obolensky op Facebook

Cornet Obolensky op Universal Horse Data

De fokkerij van Sjaak van der Lei en Jenny Toes heet Studutch. Klik hier voor de Facebook-link en hier voor het profiel op Universal Horse Data.

Eveline in ’t Veen: “Heel jammer dat zoveel paardenmensen dat nooit gezien hebben.”

Eveline in ’t Veen: “Heel jammer dat zoveel paardenmensen dat nooit gezien hebben.”

Op 22 april wordt er weer gekoerst op Renbaan Duindigt. Het monumentale complex in Wassenaar heeft jarenlang een zieltogend bestaan geleid maar met de komst van Gerard Hoetmer, zelf fokker en eigenaar in de draf- en rensport, gloort er weer een mooie toekomst als internationale baan. Eveline in ’t Veen, van kinds af aan betrokken bij Duindigt, legt graag uit hoe het er in haar sport aan toegaat.

Eveline in ’t Veen heeft de drafsport met de paplepel ingegeven gekregen: “Ik kom uit een oud draversgeslacht van twee kanten.  Fokken en rijden, daar ging het om. Van oorsprong komen we uit Drenthe, later uit Den Haag. Daar liep bij voorbeeld tijdens de oorlog een draver van onze familie voor de groentekar om hem voor de Duitsers verborgen te houden. Na de oorlog kon hij weer ingezet worden voor de koersen. Ik ben opgegroeid in de draverswereld. Mijn jongste dochter zit in de springsport, mijn oudste in de dressuursport, dus ik ken die disciplines ook heel goed. Laat nou de jongste bij een draverstrainer gaan werken. We hebben zelf dravers maar ik zit zelf niet meer op de kar, dat doet mijn jongste dochter. Ik ben nu meer voor de trainingsschema’s en het juiste voer. Mijn oudste dochter helpt met de verzorging en zo zijn we een vrouwenclubje dat meedoet, heel uniek in die wereld.”

vlnr Eveline in ‘t Veer, Philippa en Alexandra

Als enthousiaste vrijwilliger draagt ze haar steentje bij om Duindigt weer op de kaart te krijgen, bij voorbeeld door sponsoring te zoeken voor de acht draverskoersen en twee rennen met volbloeds van 22 april. Voor een bedrag van € 550,- krijg je een heel pakket, maar daarover dadelijk meer.  Eerst even over de koersen. Eveline legt uit: “Je moet je met een jonge draver, tegenwoordig meestal op z’n derde jaar, eerst kwalificeren. Dat ie rad loopt en niet in galop springt. In zo’n kwalificatie samen met andere jonge paarden moet ie 1 minuut en 23 seconden over een kilometer lopen, dat betekent meer dan 50 kilometer per uur. Allemaal voor iedereen te volgen want het gebeurt met publiek voorafgaand aan de wedstrijden en er wordt per paard omgeroepen of het voldoende of onvoldoende was. Dan komen de koersen, meestal over 2000 meter, zeg maar ruim anderhalve ronde want zo’n baan is 1200 meter. Met voorafgaand een defilé om de paarden aan het publiek voor te stellen. De beroepspikeurs hebben hogere startnummers dan de leerling-pikeurs, die meer aan de binnenkant achter de startauto mogen starten omdat dat gemakkelijker is. De eerste prijs voor een gemiddelde koers nu op Duindigt is ongeveer € 500,- voor de winnaar, met vijf prijzen aflopend naar € 60,-, het inschrijfgeld is € 20,-. Echt heel jammer dat zoveel paardenmensen dat nooit gezien hebben, zeker omdat het spelen op de paarden via de totalisator de koers enorm spannend maakt.”

De draf- en rensport wordt streng gecontroleerd: “Ik durf gerust te stellen dat we een zeer diervriendelijke sport hebben. De jury in de auto die meerijdt aan de buitenkant ziet alles. Je kunt echt helemaal niks doen wat een beetje onvriendelijk is, op straffe van torenhoge boetes. Eerste koers winnen? Meteen de dopingbox in. Grote progressie ten opzichte van eerdere koers? Hup, de dopingbox in. Dat moet ook streng zijn. We trekken nu op een gemiddelde koersdag ruim duizend mensen en we zorgen ervoor dat er veel leuke dingen zijn voor kinderen. Alleen daarom al wil je een diervriendelijke sport hebben.”

Gloria Petnic, een van de dravers uit de stal van Eveline in ‘t Veen

En dan de sponsoring voor de koersdag op 22 april, waarbij je je wel even VIP waant voor een relatief bedrag: “Zo’n arrangement kost € 550,- voor een middenkoers met een eerste prijs van € 500,-.  Door die sponsoring kan de eerste prijs wel € 750,- worden, waardoor trainers ook de betere paarden inschrijven. Dan krijg je een koers op naam, mag je enkele vip-mensen meenemen, je mag allerlei soorten reclame maken, maakt niet uit hoe en waar, je wordt vermeld in het programmablad, het bedrijfslogo komt erbij te staan, Duindigt maakt een deken met jouw bedrukking erop en iemand van het bedrijf, desnoods met alle gasten, gaat dat het gras op om de prijs te overhandigen aan de winnende pikeur. Daar hoort ook weer omroep bij en er worden foto’s gemaakt die in het blad van de NDR, de Nederlandse Draf- en Rensport komen te staan. Dat is toch best een pakket, niet?” vertelt Eveline.

Eveline in ’t Veen wil als vrijwilliger graag helpen om Duindigt draaiende te houden: “De inzet van vrijwilligers zoals ik is nu noodzakelijk voor Duindigt. We zijn ontzettend blij met het nieuwe elan via Gerard Hoetmer, die van plan is om er weer een internationale baan van te maken, inclusief PMU-koersen, dat zijn koersen waar ook in Frankrijk op gewed kan worden. Dan heb je winnaars in de koers die meer dan € 2000,- verdienen, een gigantisch verschil in onze wereld!”

Agenda Duindigt

Profiel Universal Horse Data