Kees van een Oetelaar heeft eerder in Nieuws.horse al verteld over Concorde, over Verdi, over de keuringen, zijn handel, de veilingen en de hengstenhouderij. De oppervlakkige beschouwer zou het niet zeggen maar Kees van den Oetelaar is meer dan alleen handelaar, hengstenhouder, fokker, opfokker, paardenman of noem maar op. Hij is ook iemand die graag terugkijkt hoe het allemaal zo ontstaan is, met interesse in de geschiedenis. Op een gevoelige manier, met emoties, met lachen ook om de schelmenstreken van vroeger. Kees verklaart veel door zijn familie erbij te betrekken: “We hebben een abnormale familieband als het erop aankomt.”

Ook dat is een onvermoede kant van Kees van den Oetelaar: foto-albums. Van vroeger. Een paar maar van zichzelf, een heleboel van de familie. En met het bekijken van de foto’s komen ook de verhalen. En komt zijn eigen manier van denken naar voren, hoe hij geworden is wie hij is. “Mijn vader Dorus kwam uit een gezin van veertien kinderen, waarvan twee aangenomen kinderen. Dat kwam omdat de zus van mijn oma heel vroeg gestorven was en dan kwamen de kinderen bij ons. Zodoende heb ik altijd twee ome Jannen gehad en twee ome Tonen. Die woonden allemaal op een achteraf gelegen zandstraat, op heel slechte heigrond. Mijn opa was altijd aan het werk, in Duitsland en België grasmaaien, met de schop de Zuid-Willemsvaart mee uitgraven. Oma was thuis en deed de boerderij, met een gehandicapt kind erbij. In Schijndel, waar de manege nou staat, daar zijn ze allemaal geboren.”

De familie Van den Oetelaar in de jaren ’20, linksonder Doruske, de vader van Kees. Kees noemt zo de namen op.

“Het gezin vroeger bestond uit paardengekken, dat zat erin. Heel hardwerkende mensen, met een abnormale familieband als het erop aankwam. Dat heb ik gemerkt in onze familiereünie laatst aan mensen die ik al veertig jaar niet meer gezien had of nooit gezien had. De familie stond bij ons enorm hoog in het vaandel. Kwam je aan de een, dan kwam je ook aan de ander.  Als ergens iets onterecht was, dan gingen mijn vader en zijn broers ernaar toe en dan gingen ze het afwerken. Mijn ome Jan, de vader van mijn neef Bert, was de heetste. Als het een paard was, dan heette die Hickstead. Ik was trots dat ik hem als oom had, voor de duvel niet bang, meteen erop timmeren, direct, niet afwachten.”

Ome Jan op concours in Schijndel met Bobby

“Door die sferen heb ik vroeger heel veel sterke verhalen gehoord. Zo ging dat. We hadden natuurlijk geen televisie of telefoon, het ging avonden lang over paarden en elkaar sterke verhalen vertellen. Heel hardwerkende mensen waren het. En het waren paardenmensen, paardengekken. Wel paardenhandelaren, maar geen geldverdieners. In elk geval waren ze altijd met paarden bezig. Op het land, op concoursen, naar de markten, noem maar op. Ze kochten ook paarden die een ander niet klaarkreeg. En werken op het land, plus sporten. Liefst geen te zware paarden, bloed moest erin zitten, liefst Volbloed en tegen het volbloed aan. Ze hebben allemaal paardgereden, ome Jan heeft denk ik wedstrijden gereden tot ie 64 was. Mijn opa is doodgegaan in 1966, toen hij 82 was, mijn oma is 94 geworden. Die woonden bij ons, en de gehandicapte broer ook.”

Vader Dorus won een military met de Anglo-Arab Bobby

“Onze familie is een paardenfamilie die van bloedpaarden hield. Mijn vader en zijn broers hadden een hekel aan een Gelders paard, dat hebben wij meegekregen. Groningse paarden hadden meer temperament. Op de kleigrond moesten ze veel heter en sterker zijn dan op de zandgronden, dat zie je overal terug, in Frankrijk, Duitsland, Ierland, noem maar op. Daarom kwamen de beste paarden uit het noorden. Een Groninger was niet lui, een Gelders paard was lui. Op de kleigrond moest je power hebben. Dat werkt nou nog door, dat zit in de genen, generaties lang.  Ons vader dekte vroeger met volbloeds als Erastothenes, Cobblers Thread, Hanassi, Millerole, Robert a Lee, de vader van Rex the Robber.”

Ome Jan met de Volbloed Norton op de zandweg voor de boerderij: de hindernis stond er vast, werd gebruikt om paarden te demonstreren

Het kon allemaal bij ons, iedereen was welkom. In de oorlog heeft mijn vader met een deserterende Duitser, met een Engelse soldaat en met een jood bij ons thuis in schuilkelders gewoond, zonder dat ze van elkaar wisten dat ze daar waren. Hans Cohen heette de een, dat weet ik nog omdat die later nog elk jaar bij ons thuis kwam. In die oorlogsjaren hebben mijn vader en zijn broers een paard gestolen van de Duitsers, ik denk dat ze was achtergelaten omdat ze een blessure had. Mijn vader heeft de merrie verborgen onder een houtmijt, en na de oorlog is ze nog 27 jaar bij ons geweest. Mijn vader heeft altijd gezegd dat Bobby een Frans paard was, een Anglo-Arab. Hier in de omstreken was het een heel bekend paard, waarmee mijn vader military’s won. Hij zei altijd toen ik nog klein was: ik zou heel graag willen dat je ooit op Bobby gereden had, dan voel je pas wat een goed paard is.”

Toen de paarden nog van alles moesten kunnen

“In die sferen ben ik, zijn wij, heeeel ouderwets opgevoed. Geen luxe. Buiten naar de wc, daar stond zo’n hokje. Maar terugkijkend: ouderwets, da’s het mooiste wat er is. Bij ons thuis kennen ze allemaal het oude boerenwerk nog, allemaal.” Kees groeide op in een gezin met broers Wim en Rien en zus Carolien. Wim stierf in 2006, Rien vlak voor de jaarwisseling van 2018. Volgens opa en bij ons thuis zou Wim de handelaar moeten worden. Hij was sterk en groot en slim, kon niet liegen….nee, dat kon ie niet. Hij kon ook niet overdrijven. Hij werd wel handelaar, maar anders dan ik. Hij was geen marktmens, ik wel. Daarom pasten wij zo goed bij elkaar. En Rien deed de manege. Wim deed de paarden halen en wegbrengen en lesgeven, goed rijden ook.”

Wim van den Oetelaar

“Ik deed de handel, ik was geen manegehouder, hoewel ik dat vroeger wel allemaal moest doen. Carolien reed ook. Toen Wim dood was, ging ik vaak vroeg naar bed, dromen van Wim. Dan genoot ik van de verhalen die we vroeger meegemaakt hadden. Het gekke is: sinds Rien dood is, heb ik nooit meer gedroomd. Dat adviezen vragen aan elkaar: dat mis ik gruwelijk, dat is niet uit te leggen. Als we opstonden, overlegden we altijd wat we gingen doen, we wisten dat allemaal van elkaar. Carolien en ik zien elkaar zeker een keer of vijf in de week nou. Zij houdt de familie bij elkaar, een sterke persoonlijkheid. Ik heb zelf zeven kinderen van vier vrouwen, maar ik weet zeker: als ze bij elkaar zijn, dan zijn ze gek met elkaar. Daar zit ik niet over in dat dat niet goed is. Weet je, dat is allemaal niet te koop.”

Begiin jaren ’60: rechtsonder Kees, linksonder Carolien, links staand Rien, op de pony Wim

Kees groeide op in de familie- en verhalensfeer: “Ik heb heel veel geluisterd. Ik had een oom Grad, die was getrouwd met een zuster van ons vader. Die zat in de koeienhandel, ik denk dat ik van hem een beetje de handelsstreken heb geleerd. Die had acht kinderen en alleen maar een fiets. Dan ging hij de boeren af, koeien kopen op de fiets, te voet halen, en dan op de wagen, het paard ervoor en naar Den Bosch naar de markt. Ik ging mee met ome Grad, een jaar of 7 was ik, naar zijn verhalen luisteren allemaal he. Wij kochten veel paarden ook, op de markten, in Utrecht, in Den Bosch. Heel veel Poolse paarden, van Bob de Mol, de gebroeders De Klipper.”

 

“Ik deed het graag, ik had voorbeelden, dan is het ook leuk. Maar ja, als je jong bent, maak je ook veel fouten. Je koopt bijvoorbeeld meer als dat je kunt kopen. Ik verkocht een pony’tje, daar won ik 900 gulden aan, dat was schandalig veel. Toen dacht ik: ik ben een echte handelaar. Reed ik naar Heeswijk, kocht ik een paard met bolspat, verloor ik er 1000 gulden op. Mijn vader zei altijd: kijk maar wat je doet.”

Kees een jaar of 16 met een ponyhengstje

Kees van den Oetelaar en zijn broers en zus groeiden op, vader Dorus startte met de manege: “Ik denk in 1970 ongeveer. We zijn er heel langzaam ingegroeid, ongemerkt bijna. Wij hadden melkkoeien, dat was vooral ons moeder haar ding. Ons vader werkte dan op een proefbedrijf van aardbeien, daar moest de grond met het paard bewerkt worden. Plus dat ie handelde. De eerste stal hebben we met ons allen zelf gebouwd van houten munitiekistjes uit de oorlog. Daar konden vijftig paarden in, in stands, tussen balken. Lesklanten kregen we uit Schijndel, bij ons kwamen vroeger heel veel soorten mensen. Van dokters tot ministers tot kampers, Amsterdammers, muzikanten, noem maar op. En ik kwam ook overal.”

Kees van alle markten thuis

De familie Van den Oetelaar maakte natuurlijk van alles mee, ook onschuldige voorvallen: “Ons vader was met een paard aan het ploegen waar een veulen bij liep. Onze Wim en ik hadden dat veulen al soort van mak gemaakt, die hebben we in een soort van hondenkar gezet, en zo liepen we hem tegemoet, trots natuurlijk dat we dat konden. Nou, ik heb hem nog nooit zo vlug zien worden. De merrie hinnikte naar het veulen, en andersom, en voordat we het wisten ging het hele spul op hol. Ach, mijn vader legde een paard plat op het gras, met twee planken erover en daar moesten wij dan overheen fietsen. Dat leerde hij zijn paard. Vroeger waren ze altijd met paarden bezig, leerden ze paarden van alles. Nou niet meer. Veel slechter vind ik, alles is nou uniform.”

Kees van den Oetelaar als jonge, stijlvolle springruiter

In de tijd van opgroeien was het leren van de ervaring: “Ik verkocht een pony aan een baron, een boom van een kerel, die woonde in Grave. De pony was goed getuigd en hij zei: ik moet nog vijftien goed betuigde pony’s meer hebben. Maar ik wilde te vlug, wilde het te fabrieksmatig doen, en dat gaat een keer fout. Had ik een pony, die was twee keer in het tuig geweest, hij komt bij ons, gaat mee op de bok en zegt: laat hem maar eens draven Keesje. Die pony kijkt om, ziet die grote mens zitten, schrikt en slaat op hol. De baron viel er bijna vanaf, sloeg de armen om me heen, en toen zijn we met het hele span in een brandkuil vol water beland. Ik heb die mens nooit meer gezien. Tja, te vlug geld verdienen gaat ook niet.”

Ons vader Dorus van den Oetelaar, hij overleed in 1991

Van ietsje later is het volgende voorval: “Ons vader en ik hadden gezien dat er een stuk of 10 jonge Estebans in de wei liepen in een polder bij ons in de buurt. We waren erachter gekomen dat die van een autohandelaar waren, maar die konden we nooit bereiken. Hij ging altijd op stap, dat wisten we en ons vader zei: die moet je op gaan zoeken in de kroeg. Ik heb er bijna een week over gedaan voordat ik hem gevonden had, dat was in een club. Daar met hem in gesprek gekomen en gevraagd of hij paarden had? Ja, dat had hij, in de polder. We zijn er ’s nachts naartoe gereden, we hebben met de lamp geschenen en ik heb ze in één koop gekocht. Uit die koppel hebben er zeker 6 of 7 internationaal gelopen.”

En zo heeft Kees van den Oetelaar nog voor uren en uren stof. “We zijn er nog lang niet, dit was het gedeelte over de familie van lang geleden. Daar hoort natuurlijk een vervolg aan, meer over de tijd van vandaag. Daar gaan we het de volgende keer over hebben.”

 

 

 

© Nieuws.Horse 2018 | powered by Olland.biz