“Ik denk dat je met een goede merrie verder komt dan met een goede hengst,” zegt Kees van den Oetelaar in dit zesde verhaal over zijn belevenissen. Het is toch apart om zoiets van een hengstenhouder te horen, maar hij kan het gemakkelijk uitleggen. Kees stelt zich kwetsbaar op, vertelt over belevenissen in de handel en over de invloed van zijn moeder, over wie het zelden gaat omdat ze niet zo op de voorgrond trad.

“Het gaat bijna altijd over mijn vader, zo was dat,” trapt Kees af. “Mijn moeder stond altijd een beetje op de achtergrond, maar ze was wel bepalend in veel dingen. Om maar iets te noemen: ik denk dat zij de vluggigheid in de familie heeft gebracht, de aandacht voor de handel. Zo gaat het bij paarden ook vaak over hengsten en te weinig over de merrie. Terwijl de invloed van de merrie toch de fokkerij bepaalt. Dan zeggen ze 50%, maar ik denk het toch niet. Ik denk dat je met een goede merrie verder komt dan met een goede hengst. Een merrie kan in de fokkerij uiteindelijk veel meer klaarmaken dan een hengst. Die hengst die goed fokt, komt bijna altijd toch uit een goede moeder….”

Cor Bongers, de moeder van Kees van den Oetelaar, samen met haar broers

“Wat ze vroeger in het Noorden goed hebben gedaan, is merries kopen om de fokkerij te verbeteren. Vanuit de fokvereniging het Groninger paard, daardoor staat Nederland nou op de kaart. Holsteinse merries waren het, die gekruist werden met Groninger hengsten. Morgenster was een van de beste, de moeder later van Sinaeda en Senator in de jaren ’60. In Holstein zijn ze natuurlijk al 100 jaar met springen bezig maar ze hadden er daar ook beter aan gedaan om elk jaar 10 merries uit andere fokgebieden in te zetten in plaats van 10 hengsten, dat zou ze goed gedaan hebben.”

“In bijna alle fokgebieden hebben invloedrijke merries veel bepaald. Neem Opaline des Pins, de Garitchou X x Almé, de moeder van Jus de Pomme. Zij bracht zes paarden op 1m60-niveau, waarvan er drie de Olympiade liepen, met een gouden medaille voor Jus de Pomme. Of Fragance de Chalus, die via embryo-transplantatie 45 kinderen kreeg waarvan er zes 1m60 lopen en nog eens twaalf tenminste 1m40. Of neem de oermoeder van Carthago uit stam 162, daar kwam 6% van de paarden uit tijdens een Olympiade. Of Retina H, de Anglo-Arab van Fritz Thiedemann, stam 104a. Of het lijntje van Fein Cera, met een moeder en een overgrootmoeder die 1m60 liepen. In de jaren ‘60 al met Harm Thormaehlen, de fokker van Fein Cera. In Nederland hebben we namen als Carla, Balia of Flyer, merries die in hun tijd zeer goede fokmerries waren.”

De familie Bongers, poserend voor hun huis in Loosbroek. Tweede van links Cor, de moeder van Kees

“Die manier van denken zie je nauwelijks meer, vanwege de commercie wordt de merrie vaak vergeten. Merries waar de goede sportpaarden uitkomen, zijn vaak ook nog eens gezond. Ik weet wel: daar doe ik zelf ook wel aan mee als hengstenhouder. Maar eigenlijk vind ik dat de sport met de commercie te veel de overhand heeft gekregen. We moeten wel fokken voor de sport, maar fokkerijbeleid moet er blijven. In de dressuur is het nog erger dan in het springen. Daar zie je mode-hengsten waar het publiek helemaal gek van wordt gemaakt, en de kinderen zien we nauwelijks. Nou zie je in de fokkerij dat het met de embryo-verkoop ook door kan schieten: er hoeft maar een naam op te staan van een beroemde merrie of de prijzen schieten de lucht in. Een Cornet Obolensky uit een merrie waar vier generaties terug zo’n beroemde merrie in zit: dan wordt zo’n embryo verkocht voor weet ik hoeveel. Je kunt het ook overdrijven.”

“Beginnen in je fokkerij met een hengst waar geen goede merriestam achter zit is hetzelfde als je een huis bouwt, en je begint met het dak. Een paardenmens die kinderen heeft met hart voor paarden, kan zijn kinderen veel beter een goede fokmerrie geven dan een huis. Als ze tenminste gevoel voor fokkerij hebben. Daarmee bouw je iets op, daar kun je geld mee verdienen.”

De trouwfoto van Dorus van den Oetelaar en Cor Bongers, de ouders van Kees

“Bij ons thuis hebben we het grootste gedeelte wat we zakelijk gedaan hebben, aan ons moeder te danken. Het geld verdienen, het groeien in het bedrijf, ons moeder wilde altijd groeien. Ons vader was een paardengek, als hij een paard had waar hij gek van was, dan was ie niet te koop. Bij ons moeder wel. Er moest iets opgebouwd worden. Zij nam ’s avonds ook altijd de kassa mee naar binnen. Zij was iemand die het werk van mijn vader mogelijk maakte. Die nooit vroeg waar hij geweest was, waar het gesprek over ging, noem maar op. Het eten stond altijd klaar. Ik ken genoeg vrouwen die op die manier achter hun man bleven staan, ook als de handel en wandel soms onvoorspelbaar was. Bij veel grote handelaren en paardenmensen zag je dat.”

“Mijn moeder, ze woonde in Loosbroek, dochter van paardenhandelaar Bongers, dat was toen een grote paardenhandelaar, in die tijd een van de grootste in de streek. Zelf heeft ze nooit gereden. In de oorlog lag de boerderij bij hun thuis vol met Engelse soldaten. In de oorlog liep ze als jonge vrouw met koeien naar de markt in Uden omdat ze valse paspoorten moest afstempelen, dat was dan niet verdacht. Maar ze ging ook met de stier rond om onderweg koeien te dekken, die was nergens bang van. Sterker: ze pakte ook vlot een rat met haar hand vast, kneep ze zo kapot. Een grote, stoere vrouw. Mijn vader leerde haar kennen omdat hij in Loosboek naar paarden ging kijken.”

Cor van den Oetelaar linksvoor, met vrienden poserend in de duinen

“Ze is mee naar Schijndel verhuisd vooraan jaren ’50. In het begin heeft ze het heel moeilijk gehad. Het was 20 kilometer van huis, dat was ver in die tijd. En ze kwam uit een familie waar ze nooit iets tekortkwamen, voor die tijd waren die mensen niet zo weinig. Bij mijn vader thuis waren ze zo arm als de ratten. Daar kwam bij dat een Van den Oetelaar geen gemakkelijke mens is. Ze rookte als een ketter, dat had ze in de oorlog van die soldaten geleerd. Van de andere kant: ze was de gewoonste mens die er was, een abnormaal lieve vrouw waar iedereen alles van kreeg, behalve als ze je niet mocht. Altijd, eten, slapen, maakte niet, ook niet of je van het kamp kwam of dat je miljonair was. Ik ging altijd mee melken met haar. We waren geen heerboer, geen mensen die de strik aan de kop belangrijker vonden dan de melk in de emmer.”

“Als ze iets dacht, dan zei ze dat ook. Daar heb ik me wel eens voor geschaamd in het begin. Kwam ik met iemand binnen, zei ze: je krijgt hier een bak koffie, en dan nooit meer. Ze draaide nooit ergens om heen. Zo’n 40 jaar geleden zijn we begonnen met Paaspop, die artiesten kwamen dan bij mijn moeder binnen. Toen zou Herman Brood komen, die had ze ergens gezien, die mocht niet binnenkomen zei ze van tevoren. Maar toen Paaspop aan de gang was, kwamen wij binnen, zat ze samen met Herman Brood aardappelen te schillen en tekeningen te maken. Het is toch eigenlijk best een goede mens, die Herman Brood, zei ze. Jaren daarna is hij nog bij ons thuis gekomen als het Paaspop was.”

“Ik kocht een keer een tweejarige hengst van Game Park xx, gaf ik veel geld voor als jong menneke. Ik liet ‘m thuis los in de bak, met rondom een omheining die kon je met een olifant nog niet omvertrekken. Hij raakt eronder, breekt zijn nek, ik de hele dag van slag, niet geslapen, zo wit als een doek. Zei mijn moeder: wat bende toch aan het treuren jongen….wie lang naar de lucht kijkt, zal nooit oogsten. Dat vergeet ik nooit meer. Of als ik verkering had, zei ze: je hebt een leuk meisje. En als het dan uit was zei ze: heb je goed gedaan, paste toch niet bij jou. Mijn vader zei altijd dat ik het niet goed deed, mijn moeder stimuleerde altijd. Wij mochten thuis veel. Wat we niet mochten, dat bestond niet, behalve weghalen of liegen. Maar laat thuiskomen of noem het maar op: altijd proberen zei ze, je weet maar nooit. Dat hebben we allemaal meegekregen.”

Dochter Carolien, Cor en Dorus van den Oetelaar bij de bruiloft van Wim

“Tja, als je moeder doodgaat, is dat heel apart. Ze was lang ziek, gedokterd met borstkanker. Twee jaar lang ben ik daar nog naartoe gelopen om koffie te pakken, zo zat dat erin. Maar ze was er niet meer. Mijn moeder hield alles in de gaten, ze wist alles. Van haar heb ik geleerd: niet bang zijn om iets te kopen. Wat ik vergéten ben te leren: meteen iets te zeggen tegen een mens wat je denkt. In de handel heb ik dat wel. Maar ik denk ooit dat ik beter stil kan houden als te veel te zeggen. Om de relatie goed te houden, maar eigenlijk moet dat niet. Boem, zeggen, dan ben je eraf. Ik heb ook het liefste dat ze tegen mij rechtstreeks iets zeggen, direct. Daar sta ik open voor, daar kijk ik niemand kwaad op aan. Niet in het openbaar, wel onder elkaar. Maar ik vind dat moeilijk, daar blijf ik mee aan het malen. Mijn vader was ook een beetje een binnenvetter tot een bepaalde hoogte, mijn moeder niet.”

“Voorbeelden kan ik genoeg geven. Van die krijg je nog wat en die vraagt intussen wel of je wat anders snel af wilt rekenen. Een paard dat je half met iemand had, wordt doorverkocht zonder overleg en dan weet later niemand iets.  Ik heb ook wel fouten gemaakt natuurlijk. Paarden verkocht aan ruiters die niet bij ze pasten, ook aan ruiters die heel dicht bij me stonden. Terwijl ik dat wel kon inschatten. Daar heb ik van geleerd, probeer ik nooit meer te doen. Dat blijft me achtervolgen. Kom je op concours, dat je denkt: ik had ‘m niet moeten verkopen aan hem. Dat is de grootste fout die een handelaar kan maken. Als je van tevoren al denkt dat het niet past, moet je dat afraden. Dan gaat het vaak over de mensen die feitelijk de sport betalen, die alle mogelijkheden krijgen. Vaak zijn het geen echte topruiters. Ik zou met mijn paardenkennis makkelijk misbruik van ze kunnen maken, profiteren van de mensen die vertrouwen in je hebben.”

Bij de huldiging van Verdi tot Paard van het Jaar, samen met zoon Willem, Eric en Maikel van der Vleuten

“Paardenkennis, ook dat is betrekkelijk. Als ik zie hoe veel verder echte paardenmensen komen met een gewoon paard dan de mensen met veel geld die denken dat ze paardenmensen zijn met een goed paard….Heel veel goede ruiters, topruiters, die dus weinig verstand van een paard hebben, komen verder met een paard dan ruiters die veel verstand van een paard hebben. Ruiters die verstand van een paard hebben, zien de fouten in een paard. Die andere groep denkt dat ze de beste hebben en rijden ook in die overtuiging. Types zoals Bost of Gaudiano, topruiters die met heel veel verschillende paarden geweldig kunnen rijden. Het is zo belangrijk dat de ruiter denkt dat hij op het beste paard van de wereld zit, dat geeft het paard een fijn gevoel. En je hebt dus ook ruiters die vooral de fouten van een paard zien.”

“Ach, ons moeder. Ze wilde wel graag dat ik handel deed, maar ze bemoeide zich niet in detail, ook niet als het fout ging. Ze zei wel altijd: als je niks hebt, kun je ook niks verkopen, zorg dat je iets hebt. Ze heeft een keer een spel gespeeld met mijn vader. We kregen elke week een hoop paarden thuis van de markt en dan kwam elke week een man die alle paarden wilde zien, maar hij kocht nooit iets. Altijd hetzelfde, en dat werden ze bij thuis toch zat. Liep die man weer met mijn vader langs de stallen, zei die: wat vraag je die? En wat vraag je die? En wat vraag je die? Bij het vierde paard zei hij weer: wat vraag je deze? Toen zei mijn vader: die mag ik niet wegdoen van mijn vrouw. Die wou hij dus hebben. Maar mijn vader zei: ik krijg de grootste ruzie met mijn vrouw! Toen zei die man: ik wil er 5000 gulden voor geven. Mijn vader zei: ik doe het niet. Toen vroeg ie: mag ik ‘m dan ff eruit zien? Dat gedaan, het paard naar buiten en toen kwam mijn moeder naar buiten: ik dacht dat je dat paard niet verkocht!! Toen zei mijn vader tegen die man: wat wilde je geven? 5000 gulden. Dan is ie nou verkocht.”

© Nieuws.Horse 2018 | powered by Olland.biz