Alwin Duiven is een van de meest gerespecteerde coaches van jonge talenten in het springen. Tegenwoordig woont hij weer in het Drentse Vledder maar zijn ervaring in rijden en begeleiden raakt landen als Zwitserland, Mexico, de Dominicaanse Republiek, China, Turkije en Israël. “De kinderen van tegenwoordig hebben veel meer kennis dan ik vroeger had op die leeftijd,” blikt hij terug.

Alwin Duiven is wars van grootspraak of op de voorgrond treden. “Twee voeten op de grond, dat blijft belangrijk, en nuchter over de dingen nadenken. En meestal op de achtergrond, daar voel ik me het fijnste” zegt de 48-jarige trainer, die in Deurne zijn opleiding kreeg. Hij kwam er als 16-jarige, na de landbouwschool. Opgegroeid in Vledder waar hij elk vrij uurtje met zijn broer te vinden was op de boerderij van Opa: “We waren jongens van buiten, van koeien, van paarden, van pony’s, dat hadden we thuis niet. Mijn vader was elektricien, hij kwam van die boerderij maar wilde toentertijd geen boer worden. Wij waren altijd met pony’s bezig, op onze manier. Wat rijden, springen, met dat wat we daar hadden, dat betekende ook zelf veel verzinnen om te gebruiken. Bij de ponyclub in Frederiksoord, dat wel, maar pas op m’n 12e. Met ons pony’tje moesten we eerst een winstpuntje halen in de b-dressuur. Dat betekende voor ons zo snel mogelijk met het hoofdje naar beneden, op wat voor manier dan ook, we dachten dat het daar om ging. Springen deden we thuis al wel, wie het hoogste kon. Met ons d-pony’tje. Die liet alles toe, dat moest ook wel trouwens.”

Alwin vertrok naar Deurne, de boerderij van Opa was niet meer modern genoeg voor een toekomst: “Daar ging wel een wereld voor me open. Voor een kereltje uit Vledder. Ik denk niet dat ze het gezegd hebben, wel gedacht denk ik. Daar ging je wel iets anders met paarden om. Stipter ook dan wij gewend waren, met meer regels. En op een andere manier les krijgen, dat ook vooral.” Het eerste stagebedrijf werd De IJzeren Man: “Waar Rob Ehrens toen zat, met Toon Holtus, Diederik Wigmans en Jan Bouwman. Dat was ook ff nieuw toen ik daar kwam. Ik kende het wel van TV: Amsterdam, de NCRV-springtrofee, Aken, dat keken wij altijd, dat vonden wij machtig. En dan kom je daar. Rob bleek een heel normale vent te zijn, prachtig. En het waren toppaarden, dat kenden wij toen niet. Oscar Drum, Sunrise, Surprise, de grote namen! Ik mocht er af en toe op zitten als Rob erbij was, om ze wat beweging te geven. Die paarden waren anders gereden, dat was een ander iets, dat had ik nog nooit gevoeld, dat was fantastisch. Henk Nooren was toen bondscoach, in Weert kwamen elke maand de ruiters daar bij elkaar. Dan mochten wij daarbij zijn, Henk helpen met hindernissen verzetten, harken, kuiltjes wegwerken. Als jongen is dat natuurlijk je droom! Joh, ik kwam in een heel andere wereld terecht.”

Stageperiodes volgden bij Dick Groenewoud in Rheden en Stoeterij Zangersheide: “Bij allebei heb ik veel geleerd. Bij Dick mocht ik best wel veel rijden toen, dat weet ik nog wel, een leuke man. Bij Zangersheide werkte ik voor Willy van der Ham, ook een plezierige man. Melchior was er nooit. Ik heb er veel geleerd van de fokkerij, over hengsten en het werken met hengsten. En ik kreeg wel in de gaten dat, alles bij elkaar opgeteld, het nog niet zo gemakkelijk is, die topsport. Als je wat ouder wordt, dan merk je dat waar je vroeger van droomde, nog niet zo gemakkelijk is. Als jong mannetje wil je topsport bedrijven. Later merk je dat het niet alleen met paardrijden te maken heeft, je hebt heel veel dingen nodig om dat te kunnen doen. En je moet het zelf doen, het komt je niet vanzelf aanwaaien. Dat geeft ook niet. Onze topruiters? Dat is allemaal niet voor niks gekomen. Ook als je bijzonder getalenteerd bent, moet je er veel voor doen. Je moet wel de drive hebben om elke keer de tegenslag te verwerken.”

Na Deurne ging Alwin aan de slag bij Manege ’t Zandeind in Tilburg: “Ik deed de manege en het handelsstalletje, voor eigenaar Frans Wilborts. Daar ben ik ook voor het eerst echt concours gaan rijden. Er stonden paarden die al L en M gelopen hadden, daar ben ik mee doorgegaan, het werden Z- en ZZ-paarden. Bert Romp gaf me toen les, die zat daar tegenover bij Van Esch. Het was de tijd dat ik ook mensen als Martien Burgers leerde kennen daar vlak in de buurt, die deed al zaken met Wilborts. En toen pas ben ik begonnen met wedstrijdrijden. In de Deurne-tijd ging dat bijna niet, ik had wel een paar jonge paarden maar die verkocht ik dan weer, ook een paar die mijn opa als veulen gekocht had. Het kwam er nooit van dat die op concours liepen. Ze werden toen ook sneller verkocht in de handel, denk ik. Tussendoor was ik vaak samen met mijn opa onderweg, dat was een paardenman, zat in het bestuur van de fokvereniging De Westhoek. Mijn ouders hebben me altijd gesteund, met paarden transporteren, wegbrengen naar de stagebedrijven.”

Alwin Duiven als trainer/coach in Wierden, op de achtergrond Hilde Veenstra

Daarna begon de zoektocht voor Alwin Duiven. Om te beginnen bij Jan Verellen: “Hij stopte bij Tops en begon thuis in België een stalletje, daar ben ik na vier jaar ‘t Zandeind gaan werken. Een tijdje later belde Paul Hendrix: Willi Melliger in Zwitserland had een ruiter nodig, of dat niet iets voor mij was. Ik ben er naartoe gereden met mijn autootje, ik dacht nog: wat moeten ze nou met mij? Maar ik had ook iets van: och, ik zie het wel. Ik ben er ruim anderhalf jaar geweest, heb er een heel mooie tijd gehad met heel veel rijden, tot 1m45 op concours. Melliger was niet iemand van heel veel woorden maar het was een bijzonder aardige man, met een heel goed hart. Streng maar rechtvaardig, zeg maar. Het was de tijd van Calvaro, een van die grootheden in de sport. En toen belde Boerstra.”

Alwin vertrok naar Gorredijk, waar Boerstra een stuk of zes paarden had om te rijden: “Heidi was wel een heel goed paard, een jonge Aram, ik werd er tweede mee op de indoorkampioenschappen, ik heb er een keer een Masters mee gewonnen en er landelijk vaak mee vooraan gereden. Twee jaar duurde het, toen stopte het bedrijf vanwege privéomstandigheden. Ik heb een stalletje gehuurd bij Klok in Diever, die was toen net gestopt met de hengstenhouderij. En daarna ben ik een beetje aan het reizen gegaan.”

Via een commissionair van Van de Lageweg kwam Alwin terecht op een stal in Mexico: “Ze zochten een ruiter voor een klant, in 1999 was dat. Daar stond Jimtown, die heb ik daar gereden. Het heeft twee jaar geduurd en daarna ben ik in Zuid-Amerika gebleven. Een klein jaartje een meisje getraind op de Dominicaanse Republiek, die mensen wilden er graag een trainer bij hebben, voor de paarden en voor het begeleiden van hun dochter.  Toen is eigenlijk het coaching-gebeuren begonnen. Ik heb altijd wel lesgegeven naast het springen, aan clubs en aan individuele mensen, maar daar begon echt de coaching. Natuurlijk was de sport daar minder ontwikkeld, met faciliteiten, bodems, hindernismateriaal en zo, maar ik redde me daar wel mee. Concoursen? Zeker! Een select aantal mensen die daar wedstrijden reden, haalden paarden uit Duitsland, Nederland, België. Het einddoel voor de begeleiding van dat meisje waren de Central American en Caribbean Games. Daarna hebben we er nog drie maanden Ocala in Florida aangeplakt en toen ben ik teruggekomen naar Nederland.”

Met Jimtown reed Alwin in Mexico

Het volgende adres was de stal van Kooistra in Houtigehage, van de Indoctro-hengst No Limit: “Daar ben ik weer meer gaan rijden. Dat trainen was ook wel heel erg leuk maar achteraf denk ik dat ik toen niet genoeg ervaring had om mensen in Europa goed te kunnen begeleiden, dat was toch anders dan in de Dominicaanse Republiek. Door de jaren heen krijg je meer ervaring in het trainen, het coachen en ga je misschien ook mensen wat beter begrijpen, zo is dat uitgegroeid. Meer lesgeven, dat vond ik mooi. Daarom was het ook niet gek dat ik via de mensen die ik nog kende toen teruggegaan ben naar Mexico, als trainer en coach op een leuke club in Monterrey, met goede paarden. Met Ernesto Canseco Olvera spreek ik nog wel eens Spaans, ik had hem bij Van de Lageweg in de les toen hij 15 was. Dat heb ik ook nog gedaan.”

Na Monterrey volgde een periode in China: “En in de tussentijd heb ik ook nog Turkije gedaan. Lessen, trainen, en alles wat met paarden van doen had. Daarna Israël via Tal Milstein, ook voor een club. Een jaartje ben ik er geweest, een prachtig mooi land, lieve mensen, maar ik verloor er de uitdaging in het niveau. Mooi wonen hoor! En lekker leven, dat wel.”

In Israël met Danielle Goldstein

Terug in Nederland kreeg Alwin een telefoontje van Rob Besselink: “Hij was instructeur/trainer bij CSE Zwolle van Landstede, kreeg het te druk. Zo ben ik daar begonnen en dat doe ik nog steeds, met veel plezier. Ik geef af en toe een theorieles maar het belangrijkste deel is trainen, begeleiden, uitleggen hoe het allemaal in z’n werk gaat, een paar ochtenden in de week. En daarnaast ga ik mijn eigen weg, vooral in het trainen van mensen en het lesgeven. Hilde en Gerrit Veenstra doen het heel erg goed, maar eigenlijk moet ik geen namen noemen want heel veel anderen doen het ook heel goed.”

Met Hilde en Gerrit Veenstra in Mierlo

“Die coaching, daar komt steeds meer behoefte aan en dat is voor de kinderen wel heel fijn. Wij hadden dat allemaal niet, eigenlijk moesten wij zelf alles maar uitvinden, op onze manier. De kinderen van tegenwoordig hebben veel meer kennis dan ik vroeger had op die leeftijd. Van het rijden, van paarden en hoe je ermee omgaat, het hele gebeuren is zoveel veranderd. Tegenwoordig hebben paarden een heel ander economisch doel dan vroeger. Het is een commercieel gebeuren geworden, dat is goed voor iedereen. Het is hartstikke mooi dat de sport die wij beoefenen zo is meegegaan  in de tijd. Met steeds weer nieuwe dingen, om alles nog fijner af te stellen. Ik hoop mezelf daarin ook steeds beter te maken. Met je ervaring leer je ook beter mensen in te schatten. Wat ik over tien jaar doe? Dat is bij mij niet te voorspellen. Ik denk dat de reis nog niet ten einde is, al zit ik nu wel in fijner en rustiger vaarwater. En dat allemaal op basis van een Deurne-diploma en boerenverstand…..”

 

© Nieuws.Horse 2018 | powered by Olland.biz